Als gevolg van zijn gevecht met Kelly, en hoewel de algemeene opinie
was, dat hij door een gelukkig toeval gewonnen had, werd Pat tegen
Rufe Mason uitgebracht.
Dat had drie weken later plaats en het publiek van de Sierra Club in
Dreamland Rink zag niet precies wat er gebeurde.
Rufe Mason was een zwaargewicht, en stond bekend voor zijn
slimheid. Toen de gong luidde voor de eerste ronde ontmoetten de
tegenstanders elkaar in het midden van den ring.
Geen van beiden stormde in. Ook werd er geen stoot gewisseld. Zij
voelden langs elkaar heen, met gebogen armen en hunne handschoenen zoo
dicht bij elkaar dat zij elkander bijna raakten. Dat duurde misschien
vijf minuten. Toen gebeurde het en zoo haastig dat niet één onder
de honderd toeschouwers het zag. Rufe Mason deed een schijnstoot
rechts. Het was blijkbaar geen echte schijnstoot, maar een voeler,
een prikkelende dreiging van een mogelijken stoot. Op dit oogenblik
gaf Pat zijn stoot. Zij waren zoo dicht bij elkaar, dat de stoot van
nauwelijks acht duim afstand aankwam. Het was een korte stoot links
en ging vergezeld van een schouderdraai. Hij kwam recht op de punt
van de kin aan en het verbaasde publiek zag Rufe Mason's beenen onder
hem in elkaar zakken terwijl zijn lichaam op den grond zonk. Maar de
scheidsrechter had het gezien en hij kwam dadelijk naar voren om de
tien seconden te tellen. Weer droeg Pat zijn tegenstander naar zijn
hoek en het duurde tien minuten eer Rufe Mason, ondersteund door zijn
secondanten, in staat was met knikkende knieën en rollende glazige
oogen langs het verblufte, ongeloovige publiek de galerij af te loopen
naar zijn kleedkamer.
"Geen wonder," zeide hij tot een reporter, "dat Rough-House Kelly
meende het dak op zijn hoofd te krijgen."
Nadat Club Collins overwonnen was in de twaalfde seconde van de eerste
ronde van een vijftien-ronden-match, voelde Stubener zich gedrongen
met Pat te spreken.
"Weet je hoe zij je nu noemen?" vroeg hij.
Pat schudde het hoofd.
"Eén--Stoot--Glendon."
Pat glimlachte beleefd. 't Kon hem weinig schelen hoe hij genoemd
werd. Hij had een zekere hoeveelheid werk af te doen, dat hij moest
afmaken eer hij terug kon naar zijn bergen en hij deed het kalm af,
dat was al.
"'t Gaat niet," ging zijn manager met onheilspellend hoofdschudden
voort. "Je kunt niet doorgaan met je tegenstanders zoo gauw neer te
stooten. Je moet hun meer tijd geven."
"Ben ik hier dan niet om te boksen?" vroeg Pat verwonderd.
Opnieuw schudde Stubener het hoofd.
"Luister, Pat. Je bent sterk en moedig in het boksen. Sla niet al de
andere boksers neer. En 't is niet goed tegenover het publiek. Zij
willen wat zien voor hun geld. Bovendien zal niemand meer tegen je
willen uitkomen. Iedereen wordt afgeschrikt. En je kunt geen publiek
trekken met matches van tien minuten. Zeg zelf: zou jij een dollar
of vijf dollars betalen om tien seconden te zien boksen?"
Pat was overtuigd en hij beloofde, zijn toekomstig publiek waar voor
hun geld te zullen geven, ofschoon hij erbij voegde, persoonlijk
liever te gaan visschen dan honderd ronden te zien boksen.
Nog had Pat nergens werkelijk zijn bokskunst vertoond. De sportlui
uit de stad lachten als zijn naam werd genoemd. Die riep grappige
bokspartijen in het geheugen en de opmerking van Rough-House Kelly
over het dak. Niemand wist hoe Pat kon boksen. Ze hadden hem nooit
gezien. Waar was zijn adem, zijn lichaamssterkte, zijn behendigheid om
het vol te houden tegen ruwe tegenstanders in langdurigen afmattenden
kamp? Hij had niets getoond dan de kunst van een gelukkigen eindstoot
en een ontstellenden aanleg om door het toeval begunstigd te worden.
Zoo gebeurde het, dat zijn vierde match gehouden zou worden tegen
Pete Sosso, een Portugeeschen bokser uit Butchertown, hoofdzakelijk
bekend om de verbazingwekkende slimmigheden, die hij in den ring
uithaalde. Pat trainde zich niet voor den strijd. In plaats daarvan
bracht hij een vluchtig en droevig bezoek aan de bergen om zijn vader
te begraven. Oude Pat had wel geweten, hoe het met zijn hart gesteld
was en het had hem plotseling begeven.
Toen jonge Pat in San Francisco terug kwam, was de tijd zoo nauw
gemeten, dat hij dadelijk zijn reispak verwisselde voor zijn
bokskleeding en toen moest het publiek nog tien minuten wachten.
"Denk er aan, geef hem een kans," waarschuwde Stubener toen hij door
de touwen kroop. Speel met hem, maar doe het in ernst. Laat hem tien
of twaalf ronden zijn gang gaan en sla hem dan neer."
Pat gehoorzaamde de instructie en ofschoon het gemakkelijk genoeg
geweest zou zijn, Sosso dadelijk buiten gevecht te stellen, gaf het
hem, daar de ander zoo vol streken zat, handen vol werk hem zich van
't lijf te houden zonder hem neer te slaan. Het was een mooie prestatie
en het publiek was verrukt. Sosso's aanvallen als een dwarrelwind,
zijn wilde schijnstooten, zijn instormen en terugtrekken, eischten
al Pat's kunst om zichzelf te beschermen en nog gelukte het hem niet,
geheel onbezeerd te ontsnappen.
Stubener prees hem in de rustpoozen en alles zou goed gegaan zijn,
wanneer Sosso niet in de vierde ronde één van zijn prachtigste streken
had uitgespeeld. Pat had in een gunstig oogenblik een zijstoot tegen
Sosso's kaak gegeven, toen deze tot Pat's verbazing zijn handen liet
neervallen en achterwaarts wankelde, met rollende oogen, doorzakkende
en knikkende beenen, alsof hij bezwijmde. Pat begreep het niet! Het
was geen eindstoot geweest en toch was zijn tegenstander op het punt
op de mat te vallen. Pat liet zijn handen vallen en keek in verbazing
naar zijn wankelenden tegenstander.
Sosso strompelde weg, viel bijna, herstelde zich en strompelde toen
weer schuins vooruit.
Voor de eerste en de laatste maal in zijn boksersloopbaan was Pat
niet op zijn hoede. Hij ging op zij om den waggelenden man door te
laten. Terwijl hij nog strompelend liep, gaf Sosso plotseling een
rechtschen stoot. Pat kreeg hem midden op zijn kaak met een kracht,
die zijn tanden deed rammelen.
Uit het publiek ging een gebrul van vreugde op. Maar Pat hoorde het
niet. Hij zag alleen Sosso voor zich tandeknarsend en uitdagend, in
't minst niet bezwijmd. De slag had Pat bezeerd, doch veel meer was
hij woedend over de schurkenstreek. Al de woede, die zijn vader ooit
gevoeld had, laaide op in hem. Hij schudde zijn hoofd als om zich
te bevrijden van den schok van den slag en plantte zich vóór zijn
tegenstander. Alles gebeurde toen in één seconde. Met een schampstoot,
die zijn tegenstander uitlokte, stootte Pat de solar plexus, terwijl
hij bijna op hetzelfde oogenblik met zijn rechter een zijstoot tegen
de kaak gaf. De laatste slag belandde op Sosso's mond eer zijn lichaam
in den val op den grond sloeg. De clubdoktoren hadden een half uur
werk om hem bij te brengen. Daarna naaiden zij zijn kaak met elf
steken dicht en pakten hem in een ziekenwagen.
"'t Spijt mij," zeide Pat tot zijn manager; "ik vrees, dat ik driftig
werd. Ik doe het nooit meer in den ring. Vader waarschuwde er mij
altijd voor. Ik wist niet dat ik zoo driftig kon worden, maar nu ik
't weet, zal ik er voor oppassen."
En Stubener geloofde hem. Hij kwam er langzamerhand toe, alles te
kunnen gelooven van zijn jongen beschermeling.
"Je hebt het niet noodig je boos te maken," zeide hij; "je bent toch
altijd je tegenstander volkomen de baas."
"Elke seconde en elken duim van de partij," gaf Pat toe.
"En je kunt ze elk oogenblik dat je 't wilt kloppen."
"Zeker kan ik dat. Ik wil niet bluffen. Maar ik schijn er de handigheid
voor te bezitten. Mijn oogen wijzen mij waar ik zijn moet en dan weet
ik altijd hoe ik daar moet komen, en tijd en afstand zijn mij als een
tweede natuur. Vader noemde het een gave, maar ik dacht dat hij me
vleide. Nu ik tegen deze mannen uit ben gekomen, geloof ik dat vader
gelijk had. Hij zei dat bij mij verstand en spieren samenwerkten."
"Elke seconde en elken duim van de partij," herhaalde Stubener
peinzend.
Pat knikte en Stubener, die vast in hem geloofde, had visioenen van
een gouden toekomst die ouden Pat uit zijn graf zouden hebben gehaald.
"Denk er om, we moeten de menschen wat laten zien voor hun geld," zeide
hij. "Wij zullen onder elkaar bepalen, hoeveel ronden de match hebben
zal. Je volgende partij is met "Den Vliegenden Hollander." Als je
eens alle vijftien ronden afwerkte en hem in de laatste neersloeg? Dan
heb je meteen kans om te laten zien wat je kunt."
"All right Sam," was het antwoord.
"'t Zal een proef voor je zijn," waarschuwde Stubener.
"Misschien lukt het je niet, hem in die laatste ronde te kloppen."
"Luister." Pat wachtte een oogenblik om zijn belofte gewicht bij te
zetten en nam een deel van Longfellow in de hand. "Als 't mij niet
lukt, lees ik nooit meer verzen en dat zou wat zijn."
"Voor jou wèl," riep zijn manager schaterend, "ofschoon ... wat je
in die rommel ziet ... dat gaat boven mijn verstand."
Pat zuchtte, maar antwoordde niet. In zijn heele leven had hij maar
één mensch ontmoet, die om gedichten gaf, en dat was de roodharige
schooljuffrouw, voor wie hij naar de bosschen was gevlucht.