Het hoogte-punt van zijn loopbaan kwam snel naderbij. De groote
kampioen had in het publiek bekend gemaakt, dat hij bereid was tegen
Glendon uit te komen, zoo gauw deze laatste de drie of vier aspiranten
voor het kampioenschap die er tusschen stonden, overwonnen had. In zes
maanden slaagde Pat er in, Kid Mc Grath, Jack Mc Bride uit Philadelphia
te kloppen en alleen Nat Powers en Tom Cannem bleven nog over.
En alles zou goed gegaan zijn, wanneer niet een zeker meisje uit de
voorname wereld het in haar hoofd had gekregen in de journalistiek te
gaan en wanneer Stubener niet toegestemd had in een interview met de
vrouwelijke reporter van de Courier Journal van San Francisco. Haar
werk was altijd onderteekend met den naam van Maud Sangster, en dit,
tusschen twee haakjes, was haar eigen naam. De Sangsters stonden
bekend als een rijke familie. De grondlegger van het geslacht, oude
Jacob Sangster, had zijn dekens opgenomen en was gaan werken als
knecht op een farm in het Westen.
Hij had een onuitputtelijk borax-gebied ontdekt in Nevada en nadat
hij begonnen was het te ontginnen met behulp van muildieren, had
hij een spoorweg aangelegd voor het vervoer. Daarna had hij voor
de winst, met de borax gemaakt, honderden en duizenden vierkante
mijlen boschgrond gekocht in Californië, Oregon en Washington. Nog
later had hij de politiek gecombineerd met zaken, kocht staatslieden,
rechters en machines, en werd een held op 't gebied van gecombineerde
industrie. En daarna was hij gestorven vol eer en vol pessimisme, zijn
naam nalatend als een moddervlek, die toekomstige historieschrijvers
nog konden aandikken; tevens liet hij een paar honderd millioen na,
waar zijn vier zoons om konden kibbelen. De wettelijke, industriëele
en politieke gevechten die volgden, ergerden en vermaakten Californië
een generatie lang en bereikten hun toppunt in doodelijke haat tusschen
de vier zoons, die elkaar niet meer wilden kennen.
De jongste, Theodore, kwam op middelbaren leeftijd tot inkeer, verkocht
zijn farms en zijn stallen met race-paarden en wierp zich in een strijd
tegen al de verderfelijke machten van zijn geboorteland, waartoe de
meeste millionairs behoorden, in een Don-Quichot-achtige poging het
te zuiveren van den smet er door den ouden Jacob Sangster opgeworpen.
Maud Sangster was de oudste dochter van Theodore. Het geslacht der
Sangsters bracht geregeld twistzoekers voort onder de mannen en
schoonheden onder de vrouwen. En Maud was geen uitzondering op den
regel. Ook moest zij iets geërfd hebben van den lust naar avonturen,
den Sangsters eigen; want toen zij volwassen werd, had zij een
massa dingen gedaan, die voor een vrouw in haar positie niet te pas
kwamen. Eén geval uit tienduizend: zij was nog ongetrouwd gebleven. Zij
had Europa bezocht zonder een adellijk heer als echtgenoot mede
te brengen en had thuis een gansche stoet pretendenten uit haar
eigen kring afgewezen. Zij had liefhebberij in openlucht-sport:
won het tenniskampioenschap van den Staat; deed de wereld elke week
nieuwsgierig uitkijken naar nieuwe onconventioneele dingen van
haar, liep voor een weddenschap op tijd van San Mateo naar Santa
Cruz en veroorzaakte sensatie door bij een match polo te spelen in
een mannenteam.
Onverwachts was zij zich voor kunst gaan interesseeren en hield er
een atelier op na in het Quartier Latin van San Francisco.
Dit alles kwam er niet op aan vóór haar vaders plotselinge
bekeering. Aangelegd met een hartstochtelijk gevoel voor
onafhankelijkheid, terwijl zij nooit den man ontmoet had, aan wien
zij zich met vreugde zou onderwerpen en zij zich ergerde aan de
pretendenten naar haar hand, wees zij haar vaders bemoeiïngen
met haar manier van leven af en zette de kroon op al haar
maatschappelijke verkeerdheden door werk te gaan zoeken bij de
"Courier Journal." Begonnen met twintig dollars per week, was haar
salaris spoedig geklommen tot vijftig. Haar werk was voornamelijk
muziek-, tooneel- en kunst-critiek, ofschoon zij zich niet verheven
voelde boven gewone journalistieke artikelen, wanneer zij maar genoeg
interessants beloofden. Zoo versloeg zij het groote interview met
Morgan op een oogenblik, toen hij door een dozijn journalisten uit
New York op kleinzielige wijze bespot werd; ook daalde zij in een
duikerpak naar den bodem van den Golden Gate en vloog met Rood,
den manvogel toen hij alle records voor lang volgehouden vluchten
versloeg door Riverside te bereiken.
Nu moet men niet denken, dat Maud Sangster een hoekige Amazone
was. Integendeel, zij was een tengere jonge vrouw van drie of vier
en twintig jaar, met grijze oogen en van middelmatige gestalte en
zij had buitengewoon kleine handen en voeten voor een vrouw, die aan
openlucht-sport deed en trouwens voor elk soort vrouw. Ook wist zij
veel beter dan de meeste sport-vrouwen liefelijk vrouwelijk te zijn.
Het was op haar aanwijzing, dat zij van den uitgever de opdracht kreeg,
Pat Glendon te interviewen. Behalve dat zij eens Bob Fitzsimmons een
oogenblik had gezien in avondtoilet in Palace Grill, had zij nooit in
haar leven een prijs-bokser gezien. Zij was ook niet verlangend er een
te zien--ten minste zij had er niet naar verlangd totdat Jonge Pat
Glendon naar San Francisco kwam om zich te trainen voor zijn partij
met Nat Powers. Toen had zijn couranten-reputatie haar belangstelling
gewekt. De ongelikte Beer! die moest zeker de moeite waard zijn
om te zien. Uit wat zij over hem las, maakte zij op, dat hij een
man-monster moest zijn, ongelooflijk dom en met de kwaadaardigheid
en de woestheid van een beest uit de wildernis. Wel is waar bleek
dit alles niet uit de photo's, die van hem gepubliceerd werden,
maar wel bleek daaruit de reusachtige spierkracht, die verwacht kon
worden er mede samen te gaan. En zoo begaf zij zich, op het uur door
Stubener vastgesteld, en vergezeld van een photograaf voor het blad,
naar de training-appartementen in Cliff House.
De eigenaar van de appartementen had moeite met Pat. Hij stribbelde
tegen. Met zijn ééne reusachtige been bengelend over den kant van
zijn leunstoel en Shakespeare's sonnetten op zijn knie, zat hij te
oreeren tegen de moderne vrouw.
"Wat hebben zij met boksen te maken? vroeg hij. "Daar is haar plaats
niet. En wat weten zij ervan? De mannen zijn al slecht genoeg. Ik
ben geen heilige om aan te komen gapen. Die vrouw komt hier om zoo
iets van mij te maken. Ik heb mij nooit met de vrouwen bemoeid, die
bij de training-appartementen staan te wachten en 't kan mij niet
schelen of zij reporter is."
"Maar zij is geen gewone reporter," wierp Stubener tegen.
"Heb je wel eens van de Sangsters gehoord? millionairs!" Pat knikte.
"Zij is er één van. Ze hoort tot de hoogste kringen en zoo. Als ze
wou kon ze met de Blingum's omgaan inplaats van voor haar brood te
werken. Haar oude is vijftig millioen waard zoo als hij een cent
waard is."
"Waarom werkt zij dan aan een courant?--en neemt een of anderen armen
duivel een baantje af?
"Zij en de oude zijn niet goed met elkaar, ze hebben ruzie gehad of
zoo iets, in den tijd toen hij San Francisco schoon begon te vegen. Zij
ging van hem weg. Dat is alles--ging uit huis en zocht een baantje. En
laat mij je één ding zeggen, Pat: ze kan Engelsch neerkrabbelen. Er
is geen pennelikker in 't land die haar aan kan als ze zich laat gaan."
Pat begon belangstelling te toonen en Stubener sprak haastig voort.
"Zij schrijft verzen ook--van die fijne liedjes, net als jij. Alleen
denk ik, dat de hare beter zijn, want zij heeft er eens een heel boek
vol van uitgegeven. En ze schrijft over het tooneel. Ze interviewt
elken grooten acteur, die hier op de planken komt."
"Ik heb haar naam in de courant gezien," gaf Pat toe.
"Natuurlijk. En 't is een eer voor je, Pat, dat zij je komt
interviewen. En 't geeft je niets geen last. Ik ben er bij en geef
zelf de meeste inlichtingen. Je weet, dat ik dat altijd gedaan heb."
Pats oogen spraken dankbaarheid.
"En nog iets Pat: vergeet niet, dat je je aan dat interview moèt
onderwerpen. 't Is een deel van je werk. 't Is een groote advertentie
en gratis. Wij kunnen 't niet koopen. Het interesseert de menschen,
trekt het publiek en het is het publiek, dat de groote ontvangsten
in je zak brengt." Hij zweeg en luisterde; keek op zijn horloge. "Ik
geloof, dat zij daar is. Ik zal haar wel zeggen, dat zij 't kort moet
maken; 't zal niet lang duren. In de deur keerde hij zich om. "En
wees beleefd, Pat. Houd je mond niet dicht als een klem. Praat een
beetje tegen haar als zij wat vraagt."
Pat legde de sonnetten op tafel, nam een courant op en was schijnbaar
verdiept in den inhoud ervan, toen het tweetal de kamer binnenkwam
en hij opstond.
De ontmoeting gaf een wederzijdschen schok. Toen de blauwe oogen de
grijze ontmoeten, was het bijna alsof de man en de vrouw triomfantelijk
elkaar iets toeriepen, alsof elk onverwachts iets had gevonden, dat
lang gezocht was. Doch dit duurde slechts een oogwenk. Ieder had in
den ander iets zoo totaal anders verwacht, dat in het volgend oogenblik
de heldere kreet van herkenning plaats maakte voor verlegenheid.
Zooals gewoonlijk het geval is, was de vrouw de eerste, die haar
zelfbeheersching terug vond en zij deed het, zonder door eenig
uiterlijk teeken te verraden, dat zij die zelfbeheersching ooit
kwijt was geweest. Zij liep het grootste eind door van den afstand,
die hen scheidde, om bij Glendon te komen. Wat hem betreft, hij wist
nauwelijks hoe hij door de voorstelling heen stumperde. Dit was een
vrouw, een V.R.O.U.W. Hij had niet geweten, dat er zulk een wezen kon
bestaan. De weinige vrouwen, waar hij op gelet had, geleken in niets
op deze. Hij vroeg zich af, hoe het oordeel van ouden Pat over haar
geweest zou zijn, of zij de soort van vrouw was, aan wie zijn zoon zich
volgens zijn raad met beide handen vast moest klemmen. Hij bemerkte,
dat hij op een of andere wijze haar hand vasthield. Hij keek er naar,
nieuwsgierig en geboeid, verbaasd over de fijnheid ervan.
_Zij_ daarentegen was er in geslaagd ook den naklank van dien
eersten helderen kreet tot zwijgen te brengen. Het was een vreemde
gewaarwording geweest, zich plotseling aangetrokken te voelen tot
een vreemden man: dat was al. Want was hij niet de Ongelikte Beer van
de prijsgevechten, het groote, boksende, massale mannetjes-dier, die
zijn kameraden van hetzelfde stomme soort neersloeg? Zij glimlachte
om de wijze waarop hij haar hand bleef vasthouden.
"Ik wou mijn hand graag terug hebben, Mr. Glendon," zeide zij. "Ik
... ik heb 'm werkelijk noodig, ziet u." Hij keek haar aan zonder te
begrijpen, volgde haar blik naar de gevangen hand en liet haar los
op een plotselinge lompe manier, die hem het bloed in een duidelijk
zichtbare blos naar het gelaat dreef.
Zij merkte den blos op en de gedachte schoot door haar hoofd dat hij
toch niet zoo'n phenomenale lomperd scheen te zijn als zij zich had
voorgesteld. Zij kon zich niet denken dat een beestmensch ergens over
zou blozen. En tevens deed het haar prettig aan, dat hem de radheid van
tong ontbrak om een verontschuldiging te mompelen. Doch de wijze waarop
hij haar met zijn oogen verslond, bracht haar in de war. Hij staarde
naar haar als in vervoering, terwijl zijn wangen àl rooder werden.
In dien tijd had Stubener een stoel voor haar gehaald en Glendon liet
zich werktuigelijk in den zijne zakken.
"Hij is in de beste conditie, Miss Sangster, in prachtige conditie,"
zeide de manager. "Zoo is 't immers, nietwaar Pat? Je hebt je nooit
beter gevoeld?"
De woorden hinderden Glendon. Zijn wenkbrauwen trokken zich samen
als in ergernis en hij antwoordde niet.
"Ik heb er al lang naar uitgezien, u te ontmoeten, Mr. Glendon,"
zeide Miss Sangster. "Ik heb nog nooit een vuistvechter geïnterviewd,
dus als ik niet met genoeg kennis van zaken spreek, zult u 't mij
wel willen vergeven, hoop ik."
"Misschien zou het beter zijn, wanneer u begon met hem in actie te
zien," gaf de manager aan. "Terwijl hij zijn bokscostuum aantrekt,
kan ik u heel veel over hem vertellen--versch nieuws ook. We zullen
Walsh binnen roepen, Pat, en een paar ronden maken."
"Daar gebeurt niets van," snauwde Pat ruw, juist op de wijze als een
Ongelikte Beer doen zou. Vooruit maar met het interview."
Het interview begon slecht. Stubener praatte 't meest en gaf aan
waarover gesproken zou worden, hetgeen genoeg was om Maud Sangster boos
te maken, terwijl Pat uit zichzelf niets zeide. Zij bestudeerde zijn
fijngesneden gelaat, de oogen, helder blauw en ver van elkaar staande,
de goedgevormde neus, een arendsneus bijna, de vastgesloten, kuische
lippen, die iets mannelijk zachts hadden in de omgekrulde hoeken en
waar niets aan was, dat op boosaardigheid wees. Zijn uiterlijk was
bedriegelijk, besloot zij, als wat de couranten van hem vertelden,
waar was. Tevergeefs zocht zij naar kenmerken van een beestmensch. En
tevergeefs trachtte zij contact met hem te krijgen. Ten eerste wist
zij te weinig van prijsgevechten en den ring en zoodra zij haar lood
uitgooide, werd het door Stubener, die klaar stond met inlichtingen,
opgepikt.
"'t Moet heel interessant zijn, het leven van een beroepsbokser,"
zeide zij, en voegde er met een glimlach aan toe: "Ik wou, dat ik
er meer van wist. Zeg me: waarom vecht u?--O, behalve om geld. (Het
laatste tot Stubener.) Houdt u van boksen? Vuurt het u aan als u op
uw tegenstander los gaat? Ik weet niet goed, hoe ik moet uitdrukken
wat ik bedoel, dus u moet geduld met mij hebben."
Pat en Stubener begonnen tegelijk te spreken, maar ditmaal duwde Pat
zijn manager weg.
"Eerst gaf ik er niet om--"
"Ja, ziet u, 't was zoo dood gemakkelijk voor hem," viel Stubener in.
"Maar later," ging Pat voort, "toen ik tegenover de betere boksers
uitkwam, de werkelijk groote en knappe in het vak, waar mijn..."
"Eer mee gemoeid was?" vulde zij aan.
"Ja, dat is 't, waar mijn eer mee gemoeid was, toen ontdekte ik, dat ik
't prettig vond--heel prettig zelfs. Ziet u, ofschoon iedere strijd
een soort van probleem voor mij is, dat ik met mijn verstand en met
mijn spieren moet uitwerken, is toch de uitslag nooit twijfelachtig
voor mij.--"
"Hij heeft nooit een partij gebokst waarbij hij zijn tegenpartij
gewoon onderkreeg," verklaarde Stubener.
"Hij wint altijd door den eindstoot."
"En die zekerheid omtrent den uitslag neemt er van weg, wat ik mij
verbeeld, dat de fijnste trillingen moeten zijn," besloot Pat.
"Misschien zul je wel wat van die trillingen voelen, als je tegen
Jim Hanford uitkomt," zei de manager.
Pat glimlachte, maar sprak niet.
"Vertel mij nog wat meer," verzocht zij; "meer over wat u voelt
terwijl u vecht."
En nu bracht Pat zijn manager, Miss Sangster en zichzelf in verbazing,
door uit te barsten:
"Ik geloof, dat ik met u niet over die dingen moest praten. 't Is
of er voor u en mij veel belangrijker dingen bestaan om over te
spreken. Ik--."
Hij stokte plotseling, zich bewust van wat hij gezegd had, maar
onbewust waarom hij het gezegd had.
"Ja," riep zij gretig uit. "Dat is zoo. Dat maakt een goed interview,
de ware persoonlijkheid, ziet u."
Maar Pats tong bleef gekluisterd en Stubener dwaalde naar een
statistische vergelijking over het lichaamsgewicht en de maat van
zijn kampioen en dat van Sandow, de Terrible Turk, Jeffries en andere
sterke boksers van den laatsten tijd. Hier stelde Maud Sangster weinig
belang in en zij liet merken, dat het haar verveelde. Toevallig viel
haar oog op de Sonnetten. Zij nam het boek in de hand en keek vragend
naar Stubener.
"Zoo is Pat," verklaarde hij. "Hij is dol op die dingen en op
kleurfotografie en kunsttentoonstellingen en zoo. Maar schrijf daar in
's hemelsnaam niets over. Zijn reputatie zou naar de maan zijn."
Zij keek verwijtend naar Glendon, die dadelijk verlegen werd. Zij vond
het verrukkelijk. Een schuchtere jonge man, met het lichaam van een
reus, één der koningen in het vuistvechten en die gedichten las en naar
kunsttentoonstellingen ging en proeven nam met kleurfotografie. Neen
zeker, hier was geen Ongelikte Beer. Zijn schuchterheid, begreep zij
nu, kwam voort uit fijngevoeligheid en niet uit domheid. Shakespeare's
Sonnetten! Hier was een aanleiding om verder te vragen. Maar Stubener
stal de gelegenheid weg en was alweer aan het opdreunen van zijn
eeuwige statistieken.
Enkele minuten later en zonder dat zij er zich van bewust was,
bracht zij het zwaarste geschut in het vuur. De eerste sterke
aantrekkingskracht, die zij gevoeld had bij haar binnenkomen, begon
opnieuw te werken na de ontdekking van de Sonnetten. Zijn prachtige
lichaamsbouw, zijn knap gezicht, de kuische lippen, de heldere oogen,
het mooie voorhoofd, niet verborgen door de korte blonde kuif, de
indruk van lichamelijk welzijn en zuiverheid, die hij maakte--dit
alles en meer nog een innerlijk gevoel, trok haar tot hem zooals zij
zich nooit tot eenigen man aangetrokken had gevoeld en toch bleven in
haar hoofd de leelijke geruchten die zij den vorigen dag nog gehoord
had op het bureau van de Courier Journal.
"U hadt gelijk," zeide zij. "Er zijn belangrijker dingen om over te
spreken. Ik heb iets in gedachte, dat ik graag door u zou opgehelderd
zien. Heeft u er op tegen?"
Pat schudde het hoofd.
"Als ik soms vrijpostig ben?--verschrikkelijk vrijpostig? Ik heb mannen
soms hooren spreken over bijzondere boksmatches en over de kansen van
het wedden en terwijl ik er toentertijd niet veel op lette, scheen
mij toe, hoe iedereen het er over eens was, dat er heel wat bedrog en
truc's aan die sport vastzitten. En als ik u nu bijvoorbeeld aankijk,
kan ik moeielijk begrijpen, hoe u in zulk een bedrog betrokken zoudt
kunnen zijn. Ik kan begrijpen, dat u van de sport houdt om de sport
en ook om het geld, dat ze inbrengt, maar ik begrijp niet--."
"Er valt niets te begrijpen," viel Stubener in, terwijl om Pat's
lippen een vriendelijk lijdzame glimlach trok. "Allemaal sprookjes,
die verhalen over bedrog, over tevoren vastgestelde partijen en al
die rotrommel. Dat bestaat niet, Miss Sangster, ik verzeker het u. En
laat mij u nu eens vertellen, hoe ik Mr. Glendon ontdekt heb. 't Kwam
door een brief, dien ik van zijn vader kreeg--."
Maar Maud Sangster weigerde, zich te laten afleiden en wendde zich
tot Pat.
"Luister. Ik herinner mij één geval in 't bijzonder. 't Was bij een
match, die eenige maanden geleden plaats vond--ik ben de deelnemers
vergeten. Eén van de redacteuren van de Courier Journal zei aan me,
dat hij een aardig winstje zou maken. Hij _hoopte_ 't niet: hij zei,
dat hij 't _zou_ maken. Hij beweerde, dat hij op de hoogte was en
wedden zou op het aantal ronden. Hij vertelde, dat de partij bij de
negentiende zou eindigen. Dit was de avond tevoren. En den volgenden
dag riep hij triomfantelijk mijn aandacht in voor het feit, dat
de partij werkelijk bij die ronde was geëindigd. Ik dacht er toen
niets bij. Ik stelde geen belang in prijsgevechten. Maar nu doe
ik dat wel. Toentertijd scheen het precies in overeenstemming te
zijn met de vage denkbeelden, die ik over boksen had. Dus u ziet,
't zijn toch niet allemaal sprookjes, nietwaar?"
"Ik weet welke partij het was," zeide Glendon. "Owen en Murgweather. En
die eindigde met de negentiende ronde, Sam. En zij zegt, dat zij die
ronde den dag tevoren heeft hooren noemen. Hoe verklaar je dat, Sam?
"Hoe verklaar je 't als een man een gelukkig lot uit de loterij
trekt?" luidde de wedervraag van den manager, terwijl hij zijn
brein scherpte om een antwoord te vinden. "Dat is juist het punt van
belang. Mannen, die training en conditie en secondanten en regels en
zulke dingen bestudeeren, raden dikwijls het aantal ronden, net zooals
er menschen zijn, die bij de wedrennen honderd tegen één zetten en
winnen. En vergeet één ding niet: tegenover elken man die wint, staat
een ander die verliest, een ander die verkeerd heeft geraden. Maud
Sangster, ik verzeker u, op mijn eer, dat bedriegen en knoeien bij
de bokssport iets is dat niet bestaat."
"Wat denkt u er van, Mr. Glendon?" vroeg zij.
"Net als ik," sneed Stubener het antwoord af.
"Hij weet, dat alles wat ik zeg waar is, elk woord. Hij heeft nooit
in zijn leven anders dan een eerlijke partij gebokst. Nietwaar Pat?"
"Ja, 't is waar," stemde Pat toe en het vreemdste scheen Maud Sangster
haar eigen overtuiging, dat hij waarheid sprak.
Zij streek met haar hand langs haar voorhoofd alsof zij zich wilde
bevrijden van de verbijstering, die over haar denken nevelde.
"Luister," zeide zij. "Gisterenavond vertelde dezelfde redacteur mij,
dat van een aanstaande partij alles vooruit bepaald was en precies
de ronde, waarin ze zou eindigen."
Stubener verwachtte een uitbarsting, maar Pat's woorden maakten zijn
antwoord onnoodig.
"Dan liegt die redacteur." Pat's stem was voor 't eerst toornig.
"Hij loog den vorigen keer niet over die andere partij," daagde
zij uit.
"In welke ronde zeide hij dat mijn partij met Nat Powers zou eindigen?"
Eer zij antwoorden kon, was de manager er midden in.
"Nonsens Pat!" riep hij. "Schei uit. Zulke praatjes loopen er
altijd. Laat het interview voortgaan."
Glendon luisterde niet; zijn oogen, strak in die van Maud, waren niet
langer zacht blauw, maar hard en bevelend. Zij was er nu zeker van,
dat zij aan iets ontzettends had geraakt, dat alles zou verklaren,
waarover zij zich verwonderd had. Tegelijk beefde zij voor het
bevelende in zijn stem en blik. Hier was een mannelijke man, die het
leven grijpen zou en er uit zou schudden, wat hij noodig had.
"Welke ronde noemde die redacteur?" herhaalde Glendon zijn vraag.
"In godsnaam, Pat schei uit met die dwaasheden," viel Stubener in.
"Ik wou, dat U mij een kans gaf om te antwoorden," sprak Maud Sangster.
"Ik geloof, dat ik zelf wel in staat ben met Miss Sangster te spreken,"
voegde Glendon er bij. "Ga jij maar weg Sam. Ga weg en kijk eens naar
de photo's."
Gedurende een kort oogenblik van spanning keken zij elkander aan,
toen bewoog de manager langzaam in de richting van de deur, deed deze
open en keerde zijn hoofd om, om te luisteren.
"En welke ronde noemde hij nu?"
"Ik hoop, dat ik niets verkeerds heb gedaan," zeide zij bevend;
"maar ik weet heel zeker, dat hij de zestiende ronde noemde."
Zij zag een trek van verbazing en woede over Glendon's gezicht
glijden en de woede en het verwijt in den blik, dien hij op zijn
manager wierp en zij wist, dat de slag raak was geweest.
En er was reden voor zijn boosheid. Hij wist, dat hij er met Stubener
over gesproken had en dat zij overeen waren gekomen, het publiek een
goede partij voor zijn geld te geven zonder den strijd noodeloos te
verlengen en er daarom in de zestiende ronde een eind aan te maken. En
nu was hier een vrouw, van een courantenbureau, die dezelfde ronde
noemde.
Stubener stond bleek en slap in de deur, blijkbaar had hij moeite
zich op te houden.
"Ik zal later met je spreken," zeide Pat tot hem. "Doe de deur achter
je dicht."
De deur werd gesloten en zij waren alleen met hun beiden. Glendon
sprak niet. Zijn gezicht droeg een sprekende uitdrukking van leed
en verslagenheid.
"Nu?" vroeg zij.
Hij sprong op en stak als een toren boven haar uit; toen ging hij
weer zitten en maakte zijn lippen nat met zijn tong.
"Ik zal u één ding zeggen," sprak hij eindelijk. "De partij zal niet
met de zestiende ronde eindigen."
Zij sprak niet, doch haar ongeloovige, fijn spottende glimlach deed
hem pijn.
"Wacht maar af, dan zult u zien, Miss Sangster, dat die man van de
redactie het mis had."
"U bedoelt, dat het programma veranderd zal worden?" vroeg zij
stout weg.
Hij beefde onder de snerping harer woorden.
"Ik ben niet gewend te liegen," zeide hij stijf, "zelfs niet tegenover
vrouwen."
"Dat heeft u tegenover mij ook niet gedaan en u heeft ook niet
geloochend, dat het programma veranderd zal worden. Misschien ben ik
dom, Mr. Glendon, maar ik kan niet inzien wat voor verschil het maakt,
welke ronde de laatste zal zijn, zoolang dat te voren is vastgesteld
en bekend gemaakt."
"Ik zal de ronde tegen u noemen en anders zal geen ziel ter wereld
het weten."
Zij haalde hare schouders op en glimlachte.
"Het klinkt voor mij precies als bij de races gebeurt. Daar worden
altijd op die manier van te voren afspraken gemaakt, ziet u. Overigens
ben ik niet zoo heel dom en ik begrijp, dat er hier iets niet in den
haak is. Waarom werd u boos toen ik de ronde noemde? Waarom was u
boos op uw manager? Waarom stuurde u hem de kamer uit?"
Tot antwoord liep Glendon naar het raam, alsof hij naar buiten wilde
kijken, waar hij van idee veranderde en zich halverwege omkeerde; en
zij wist, zonder het te zien, dat hij haar gezicht bestudeerde. Hij
kwam terug en ging zitten.
"U heeft gezegd, dat ik niet tegenover u gelogen heb, Miss Sangster,
en daar had u gelijk aan. Ik heb niet gelogen."
"Hij zweeg met pijnlijk tasten naar een juiste bepaling van de
situatie. "Denkt u, dat u kunt gelooven wat ik u zeggen ga? Wilt u
het woord gelooven van een ... prijsbokser?"
Zij knikte ernstig, keek hem recht in de oogen en was er zeker van,
dat, wat hij zou vertellen, de waarheid was.
"Ik heb altijd eerlijk gebokst. Ik heb nooit in mijn leven een vuil
stuk geld aangeraakt of een smerige streek toegepast.
"U heeft mij een leelijken schok gegeven met wat u vertelde. Ik weet
niet wat ik ervan denken moet. Ik heb er niet dadelijk een oordeel
over. Ik weet 't niet. Maar het ziet er leelijk uit. Dat hindert
me. Want, ziet u, Stubener en ik hebben over deze match gesproken en
tusschen ons was het uitgemaakt, dat ik de partij in de zestiende ronde
zou doen eindigen. Nu brengt u hetzelfde woord. Hoe wist de redacteur
dat? Niet van mij. Stubener moet het losgelaten hebben..., of..."
Hij zweeg om het raadsel te overdenken. "Of die redacteur is een
gelukkige rader. Ik kan 't niet begrijpen. Ik zal mijn oogen moeten
openhouden en opletten en leeren. Elk woord, dat ik u gezegd heb,
is de waarheid en hier is mijn hand er op."
Weer rees hij hoog op uit zijn stoel en kwam naar haar toe. Haar
kleine hand werd in zijn groote gegrepen toen zij opstond en hem
tegemoet kwam en na een eerlijken, open blik in elkanders oogen,
keken beiden onbewust naar de ineengeklemde handen. Zij voelde,
nooit zoo volkomen beseft te hebben, dat zij een vrouw was.
Het sexe-verschil in die twee handen--de zachte en tengere vrouwenhand
en de zware gespierde van den man--was verbazend. Glendon was de
eerste die sprak.
"Uw handje zou licht bezeerd kunnen worden," zeide hij en op hetzelfde
oogenblik voelde zij de vastheid van zijn greep bijna liefkozend
losser worden.
Zij dacht aan de voorliefde voor reuzen van den ouden Pruisischen
koning en lachte om de ongerijmdheid van die gedachte-associatie
terwijl zij haar hand terugtrok.
"Ik ben blij, dat u vandaag hier bent gekomen," zeide hij en sprak toen
onhandig vlug door om er een verklaring aan toe te voegen, die door
den warmen glans in zijn oogen werd weersproken. "Ik bedoel, omdat u
mij misschien de oogen hebt geopend voor het geknoei, dat er gebeurt."
"U heeft mij verbaasd," zeide zij. "Ik dacht 't zoo algemeen bekend,
dat bij prijsboksen allerlei geknoei voorkomt, dat ik niet kan
begrijpen, hoe u, één van de voornaamste vertegenwoordigers uit die
wereld, er onkundig van kunt zijn. Ik dacht het vanzelf sprekend dat
u er alles van wist en nu heeft u mij doen gelooven, dat u er zelfs
niet van droomde. U moet anders zijn dan andere boksers."
Hij knikte met het hoofd.
"Dat verklaart het, denk ik. En dat komt daarvan dat ik mij apart houd
van de anderen, van de andere boksers en de managers en de sportlui. 't
Was gemakkelijk, mij een rad voor de oogen te draaien. Toch staat
't nog aan mij, te zien of mij werkelijk een rad voor de oogen is
gedraaid of niet. Ziet u, dat moet ik zelf uitvinden."
"En er dan verandering in brengen?"
"Neen; dan ga ik er uit," was zijn antwoord. "Als 't niet eerlijk is,
wil ik er niets meer mee te maken hebben. En één ding is zeker: deze
aanstaande partij met Nat Powers zal niet bij de zestiende ronde uit
zijn. Als er iets waars is in die voorwetenschap van den redacteur,
komen zij allemaal bedrogen uit. Inplaats van hem in de zestiende
buiten gevecht te stellen, zal ik het gevecht door laten gaan tot in
de twintigste. U zult 't zien."
"En mag ik het den redacteur niet vertellen?"
Zij stond nu klaar om heen te gaan.
"Stellig niet. Als hij er alleen naar raadt, heeft hij dezelfde
kans. Als er geknoei bij is, verdient hij zijn heele inzet te
verliezen. Dit moet een klein geheim blijven tusschen u en mij. Ik
zal u vertellen, wat ik doen zal. Ik zal u de ronde zeggen. Ik ga niet
door tot de twintigste. Ik zal Nat Powers in de achttiende neerslaan."
"Ik zal het zelfs niet fluisteren," verzekerde zij.
"Ik zou u graag een gunst willen vragen," zeide hij, haar
polsend. "Misschien is het een groote gunst."
Haar gezicht sprak haar bereidwilligheid uit, alsof de gunst reeds
was toegestaan en hij ging voort:
"Natuurlijk begrijp ik, dat u niet over dit geknoei zoudt schrijven in
het interview. Maar ik verlang meer dan dat. Ik zou willen, dat u in
't geheel niets publiceerde."
Even zagen hare vragende grijze oogen in de zijne; toen verwonderde
zij zich over haar eigen antwoord.
"Goed," zeide zij. "Het zal niet gepubliceerd worden. Ik zal er geen
regel over neerschrijven."
"Dat wist ik," zeide hij eenvoudig.
Het eerste oogenblik was zij teleurgesteld, omdat hij haar niet
bedankte, maar het volgende was zij er blij om. Zij voelde, hoe hij
een anderen grondslag bouwde onder dit samenzijn van een uur en zij
waagde een onderzoek.
"Hoe wist u 't?" vroeg zij.
"Ik weet 't niet." Hij schudde het hoofd. "Ik kan er geen verklaring
van geven. Ik wist het als iets dat vanzelf sprak. 't Is mij of ik
op een of andere wijze heel veel weet omtrent u en mij."
"Maar waarom het interview niet te publiceeren? Zooals uw manager zegt,
't is een goede reclame."
"Dat weet ik," antwoordde hij langzaam. Maar ik wou u niet op
die manier kennen. Ik geloof, dat het pijn zou doen als u het
publiceerde. Ik wou er niet graag aan denken, dat onze kennismaking
zakelijk was; ik zou aan ons gesprek hier willen denken als aan een
gesprek tusschen een man en een vrouw. Ik weet niet of u begrijpt
waar ik heen wil. Maar zóó voel ik het. Ik wou hier aan denken als
aan een man en een vrouw."
Terwijl hij sprak, lag in zijn oogen heel de uitdrukking, waarmede
een man een vrouw aankijkt. Zij voelde zijn kracht en zijn overmacht
en zij voelde zich wonderlijk zwijgzaam en schuw tegenover dezen man,
die bekend stond als zwijgzaam en schuw. Stellig kon hij meer rechtuit
en overtuigender spreken dan de meeste mannen en wat haar 't sterkst
trof, was haar eigen innerlijke zekerheid, dat het van zijn kant niets
was als naïve eenvoudige openhartigheid en geen aangeleerde kunst.
Hij bracht haar naar haar auto en deed haar opnieuw beven, toen hij
afscheid nam. Opnieuw lagen hunne handen in elkaar, terwijl hij sprak:
"Op een of anderen dag zal ik u weerzien. Ik wil u weerzien. Ik heb
een gevoel, dat het laatste woord niet tusschen ons gesproken is."
En terwijl de auto wegrolde, werd zij zich bewust van een vreemde
gewaarwording. Zij had hem niet voor het laatst gezien, dien geweldigen
Pat Glendon, koning der boksers en Ongelikte Beer.
Op den terugweg naar zijn kamers, kwam Glendon zijn vertoornden
manager tegen.
"Waarom joeg je mij de kamer uit?" vroeg Stubener.
"'t Is uit met ons. 'n Helsche rommel heb je ervan gemaakt. Vroeger
wou je nooit een reporter alleen ontvangen en nu zal je eens wat zien
als dat interview voor den dag komt."
Glendon, die hem met een soort koud genoegen had aangehoord, deed alsof
hij om wilde keeren en hem voorbijgaan, maar hij veranderde van idee.
"'t Komt niet voor den dag," zeide hij.
Stubener stond versteld.
"Ik heb 't haar gezegd," legde Glendon uit.
Toen barstte Stubener uit:
"Alsof zij zoo'n sappig ding voor zich zou houden!"
Glendon werd ijskoud en zijn stem was kort en snijdend.
"'t Wordt niet gepubliceerd. Dat heeft zij mij gezegd.