Toen hij eenmaal in San Francisco was, begonnen de moeilijkheden voor
Sam Stubener. Niet dat jonge Pat een lastig humeur had of dwars was,
zooals zijn vader had gevreesd. Integendeel, hij was verwonderlijk
zacht en vriendelijk. Maar hij had heimwee naar zijn geliefde
bergen. Daarbij was hij innerlijk ontsteld door de stad, ofschoon hij
schijnbaar onbewogen door de drukke straten liep als een roode Indiaan.
"Ik ben hier gekomen om te boksen," begon hij toen de eerste week om
was. Waar is Jim Hanford?" Stubener floot.
"Een eerste kampioen als hij, zou je niet aankijken," antwoordde
hij. "Ga eerst naam maken," zou hij zeggen.
"Ik kan hem kloppen."
"Maar dat weet het publiek niet. Als je hem klopte zou je
wereldkampioen zijn en niemand werd kampioen in zijn eersten strijd.
"Ik wèl."
"Maar het publiek weet dat niet, Pat. Ze zouden niet naar je komen
kijken. En 't is de menigte, die het geld binnen brengt en de gevulde
beurzen. Daarom zou Jim Hanford jou niet als tegenstander willen
hebben. Er zou niets aan zitten voor hem. Bovendien krijgt hij nu juist
drieduizend dollar per week in de vaudeville, met een contract voor
vijf en twintig weken. Denk je dat hij dat op zal geven om met een man
aan den gang te gaan van wien niemand ooit gehoord heeft? Eerst moet
je iets doen, een record maken. Je moet beginnen tegen de plaatselijke
boksertjes, waar niemand ooit van gehoord heeft--schooiertjes als
Chub Collins, Rough-House Kelly, en de Vliegende Hollander. Als je
die geklopt hebt, dan ben je nog maar één sport van de ladder op. Maar
daarna vlieg je de lucht in als een ballon."
"Ik zal met de drie, die u opnoemt, allemaal achter elkaar in
denzelfden ring vechten," was Pat's besluit. "Maak de overeenkomst
op die manier."
Stubener lachte.
"Is dat niet goed? Denkt u dat ik ze niet kloppen kan?"
"Ik weet dat je 't kunt," verzekerde Stubener. "Maar op die manier
kan geen overeenkomst gemaakt worden. Je moet tegen ieder op een
anderen tijd uitkomen. Bovendien, bedenk, dat ik alles weet van de
wedstrijden en dat ik je uitbreng. We moeten je er in werken en ik
ben mans genoeg om te weten hoe. Als wij geluk hebben, kan je in een
paar jaar bovenaan staan en kampioen zijn met een schep duiten."
Pat zuchtte bij het vooruitzicht; toen leefde hij weer op. "En dan kan
ik mij terugtrekken en naar huis gaan naar den ouden man," zeide hij.
Stubener was op het punt te antwoorden, maar hield zich in. Al was
dit kampioenmateriaal wat vreemd, hij vertrouwde dat het, als de top
bereikt was, in allen deele zou gelijken op al de anderen, die hem
vóór waren gegaan. Bovendien, twee jaar was nog een heel eind en er
was veel te doen in dien tusschentijd.
Toen Pat de gewoonte begon aan te nemen, in zijn kamers op en neer
te loopen, terwijl hij eindelooze rijen boeken en romans uit de
bibliotheek las, zond Stubener hem naar buiten om in een boerderij
aan de Baai te wonen onder het waakzame oog van Spider Walsh. Na een
week fluisterde Spider, dat het karweitje dreigde te mislukken. Zijn
beschermeling was van tot het licht werd tot aan het duister weg over
de heuvels; hij zocht de stroomen af naar snoek, schoot kwartels en
konijnen, en vervolgde den éénen eenzamen, slimmen reebok, beroemd
omdat hij aan tien jagers had weten te ontsnappen, en de Spin werd
vadsig en lui terwijl zijn beschermeling in conditie bleef.
Zooals Stubener verwacht had, werd zijn onbekende uitgelachen door
de managers van de boks-club. Waren de wouden niet vol onbekenden,
die altijd uitkwamen met 't idee dadelijk kampioen te worden? Een
inleidend partijtje, van vier ronden bijvoorbeeld--ja, daar wilden ze
wel op ingaan. Maar een ernstige match nooit. Stubener had besloten,
dat jonge Pat zijn debuut zou hebben in niets minder dan een ernstige
match, en door het prestige van zijn eigen naam kreeg hij het ten
laatste gedaan. Na lang aarzelen stemde de "Missionclub" er in toe dat
Pat Glendon vijftien ronden zou boksen met Rough-House Kelly voor een
beurs van één honderd dollars. Het was de gewoonte, dat jonge boksers
den naam aannamen van oude ring-helden, dus vermoedde niemand, dat
hij de zoon was van den grooten Pat Glendon en Stubener hield zijn
mond. Dat was een goede verrassingsbom om later te doen springen.
Na een maand wachten kwam de avond van het gevecht.
Stubener's angst was hevig. Zijn naam als manager stond er bij op het
spel, dat de jonge man een goed figuur zou maken en hij ontstelde,
toen hij zag hoe Pat, die vijf minuten stilletjes in een hoek zat,
zijn gezonden kleur verloor, terwijl zijn wangen ziekelijk geel-bleek
werden.
"Moed houden jongen," zeide Stubener, hem op den schouder kloppend. "De
eerste keer in den ring is altijd vreemd en Kelly heeft er een handje
van, zijn tegenstander op hem te laten wachten, in de hoop dat hij
plankenkoorts zal krijgen."
"Dat is 't niet," antwoordde Pat. "'t Is de tabaksrook. Daar ben ik
niet aan gewend en ik word er gewoon misselijk van."
Zijn manager voelde een schok van verlichting. Een man, die misselijk
werd uit zenuwachtigheid, zou nooit overwinnen in 't prijs-gevecht,
al was hij ook zoo sterk als Simson. Maar tabaksrook ... daar moest
de jongen aan wennen, dat was al.
Het binnenkomen van Jonge Pat in den ring werd in stilte aangezien,
maar toen Rough-House Kelly onder het touw doorkroop, werd hij met
luid gejuich begroet. Hij deed zijn naam geen oneer aan.
Hij was een man met woest uitzicht, donker en harig met kolossale,
knoestige spieren, en volle tweehonderd pond gewicht. Pat keek
nieuwsgierig naar hem en werd beantwoord met een norschen blik. Nadat
beiden aan het publiek waren voorgesteld, drukten zij elkaar de
hand. En toen hunne handschoenen elkaar aanraakten, gromde Kelly iets
tusschen zijn tanden, zijn gezicht werd rood alsof hij woedend was
en hij mompelde:
"Je hebt je zenuwen meegebracht." Hij slingerde Pat's hand ruw van
zich af en siste: "Ik zal je opvreten, schaap dat je bent!"
Het publiek lachte om het gebaar en raadde al lachend naar wat Kelly
gezegd moest hebben.
Toen hij, in zijn eigen hoek terug was en op den gong wachtte, keerde
Pat zich naar Stubener.
"Waarom is hij boos op mij?" vroeg hij.
"Hij is niet boos," antwoordde Stubener. "Zoo doet hij altijd; hij
probeert je bang te maken. Dat is een mondgevecht."
"'t Is geen bokser," vond Pat en Stubener merkte met een snellen blik
op, dat zijne oogen even zacht blauw waren als gewoonlijk.
"Pas op," waarschuwde de manager, toen de gong luidde voor de eerste
ronde en Pat opstond. "Hij is in staat op je af te komen als een
menscheneter."
En als een menscheneter kwam Kelly op hem af, in wilde woede door
den ring stuivend. Pat, die op zijn loome wijze slechts een paar
passen vooruit had gedaan, nam het oogenblik waar dat de ander
aanviel, deed een zijstap en stootte zijn stijf gekromde rechterarm
op zij tegen diens kaak. Toen stond hij stil verbaasd te kijken. Het
gevecht was voorbij. Kelly was als een neergeslagen os op den grond
gevallen, en lag daar onbewegelijk terwijl de scheidsrechter, over
hem heen gebogen hardop de tien seconden telde in zijn oor, dat niet
hoorde. Toen Kelly's helpers naar hem toe kwamen om hem op te beuren,
was Pat hen vóór.
Hij nam de zware onbewegelijke massa in zijn armen, droeg hem naar
zijn hoek en zette hem op den stoel en in de armen van zijn helpers.
Een halve minuut later lichtte Kelly zijn hoofd op en zijne oogen
lodderden open. Hij keek versuft om zich heen en toen naar één van
zijn secondanten.
"Wat is er gebeurd?" vroeg hij heesch.
"Is 't dak op mij gevallen?"