Hij zei dat hij Mickie heette, en dat hij een Ier was, en dat hij
geboren was op het groote Palm-eiland veertig mijl zuidelijker. Hij
heeft geen uiterlijke bekoorlijkheden, zijn gelaat is zijn
ongeluk. Ofschoon hij zich met trots op zijn Iersche nationaliteit
beroept, geeft hij toe dat zijn moeder "daar, aan de overkant" woonde
en zijn geheele persoonlijkheid, of wat er onder de kunstlooze laag
houtskool en vet nog van te herkennen valt, vertoont geen enkel kenmerk
van het Celtische ras. Maar hij heeft gevoel voor humor en is, naar
hij zelf zegt, niet afkeerig van ruzie, zoodat zijn aangenomen naam
en natie toch niet zoo heel ongepast lijken. Een laag, overstekend
voorhoofd, scherpe zwarte oogen, een breede platte neus, een zeer
groote mond, dunne en ongekamde baard, een fiere snor en een kop met
haar die in vroeger dagen misschien uit een massa kroesende krullen
bestond, maar nu niets meer vertoonde dan wat uitgeplozen kwasten
en onregelmatige pluimpjes. Alles bij elkaar een zeer afstootend
uiterlijk. Maar toch een rechtgeaarde inboorling in alle opzichten, een
die altijd de lichte zijde van het leven ziet, behalve wanneer hij een
aanval heeft van neuralgie en hij door aangezichtspijn gekweld wordt.
Mickie is erg trotsch op zijn welgeconditioneerde eega "Jinny" of
"Missus Michael," zooals hij haar in een dartele bui pleegt te noemen
en Jinny beantwoordt zijn eerbiedige genegenheid door er voor te zorgen
dat de dilly-zak die voor provisiekamer dient, steeds goed gevuld is
met yamwortel, noten, en oesters, terwijl Mickie zelf verantwoordelijk
is voor de visch--in zee bij laag water gespietst--de loophoen-eieren
en de ivoorwitte insektenpoppen, waarvan de negers leven als er geen
blanke in de buurt is. Als de Voorzienigheid hen echter een blanke
zendt, weten zij meel, thee, suiker, aardappelen, vleesch en allerlei
wild, van kakatoe's tot vliegende honden, te waardeeren.
Eens werd Mickie gevraagd hoe hij toch aan zulk een juweel van een
vrouw gekomen was en het antwoord luidde: "Oom hebben hem gegeven." Er
had geen huwelijksplechtigheid plaats gehad. Er was haar geen tand
uitgeslagen, noch een bedwelmende slag op het hoofd toegediend met
een nulla-nulla. Zij hadden geen mais-pudding gegeten van één bord,
noch samen brandy gedronken. De ooren der bruid waren niet door den
bruidegom doorboord, noch haar handen door hem samen gebonden. Ook
hadden zij elkaar niet wederkeerig met bloed besmeerd en werden zij
niet met grastouwen aan elkaar geketend. "Oom hebben hem gegeven,"
doodeenvoudig. Maar toen zij eenmaal in zijn bezit was had Mickie er
toch prijs op gesteld haar tot zijn welbewezen eigendom te stempelen,
opdat er nooit eenigen twijfel aan zijn goed recht kon ontstaan. En
hij merkte haar met een fraaien stralenkrans van litteekens, elk drie
duim lang en een halve duim breed, over haar armen en schouders. Het
paar heeft een meisje dat eerst onlangs, na een lang verblijf onder
de blanken, in den boezem van het gezin is teruggekeerd. Het is een
beetje lastig, dat "Minnie" haar moedertaal bijna geheel vergeten
is en met haar eigen ouders Engelsch moet brabbelen. Volgens Mickie
zal het wel een jaar duren eer zij weer spreken kan. Ondertusschen
wordt er zorgvuldig aan haar opvoeding gewerkt. Zij zal leeren op het
eerste gezicht de bijzondere soort van rottend hout te onderscheiden,
waarin de verrukkelijke witte poppen zitten, zij zal leeren dat de
noot van de Sucade-palm in stroomend water gelegd moet worden eer zij
"goed-kerel" wordt; hoe zij den kern tot meel moet stampen en hoe
zij het deeg tot een worstvormige koek moet bakken. Zij zal leeren
op de klippen naar zwartlippige oesters en mossels te zoeken, zonder
haar voetzolen te verwonden. Zij zal dilly-manden leeren vlechten en
tenslotte zal zij leeren rooken.
Mickie is bijgeloovig. Na donker zal hij zich geen voet buiten het kamp
wagen zonder een brandende toorts van boomschors mee te nemen om den
duvel-duvel te verschrikken. Hij weet wel niet wat de duvel-duvel is
of hoe deze mystieke booze geest er zou kunnen uitzien, maar hij weet
toch wel dat "dat kerel zitten tusschen struiken" en dat hij heeft
"lange kerel-nagel aan zijn hand." En daarom neemt hij maar liever
zijn schorsfakkel mee.
Mickie's voorstellingen van het hiernamaals zijn niet erg
duidelijk. "Stel mij gaan dood, mij gaan naar hemel. Later springen
in ander kerel." Hij is er niet zeker van of hij ooit in een blanke
zal varen, maar dat laat hem eigenlijk koud. Een anderen keer is hij
minder fantastisch. "Stel mij gaan dood; goeien dag, uit, niet komen
terug. Massa kerel op Palm-eiland dood gaan. Hij nooit komen terug."
Bij daglicht kent hij geen vrees. Hij heeft ook niets te vreezen;
zijn vijanden zijn dood en vergiftige slangen of gevaarlijke dieren
komen op het eiland niet voor.
Hij zal nooit verzuimen waar hij maar kan poppen in te zamelen die,
evenals de volwassen kevers worden verslonden, na in de heete asch
te zijn gebakken. Als bij het uithakken van een pop er een beschadigd
wordt, verslindt hij het kronkelend insekt rauw, met de huichelachtige
uitvlucht: "Mij ben snijden dat kerel." In de asch gebakken hebben de
poppen den smaak van kokosnoot en de "blanke" kwam dikwijls mee eten.
Mickie's kennis van het leven en de gewoonten van vogels, insekten
en visschen is werkelijk benijdbaar. Teekens en geluiden, die door
blanken in het geheel niet worden waargenomen, zijn vol beteekenis voor
hem. Natuurlijk zal hij, zoolang hij dit scherpe waarnemingsvermogen
nog niet bezat, wel dikwijls honger hebben geleden. Hij hoort het
krabben van een loophoen in de wildernis tusschen dorre blaren op
grooten afstand, en een rimpeling aan het einde van een rif waarschuwt
hem dat een haai of koningsvisch bezig is een baardvisch de baai in
te jagen, waar hij hem gemakkelijk zal kunnen spietsen. Hij hoort
het ritselen van een iguana [33] in het gras, als de blanke niets
hoegenaamd verneemt en hij weet wanneer de reuzenkrabben onder de
mangroven wandelen.
Hij is betrouwbaar en gedienstig, verder een bekwaam boomerangwerper,
een scherpschutter met de nulla-nulla en hij eet al wat maar binnen
zijn bereik komt. Ik heb hem lang gekend en hoop van harte dat het
hem nooit moge ontbreken aan tabak en rum.