Volgens de negers heeft bijna iedere berg een geheimzinnig meer dat
wemelt van visch en watervogels. Maar wanneer men hen vraagt naar
de juiste ligging er van is het antwoord onveranderlijk: "Oud man,
hij ben gezien hem," en nooit komt die oude man voor den dag. Zonder
twijfel is de oorsprong van dergelijke beweringen de behoefte om
een verklaring te vinden voor het glinsteren van natte rotsen in de
verte. Een neger gaf mij eens een zeer nauwkeurige beschrijving van een
meer op den top van een der hoogste pieken van Hinchinbrook-eiland,
waarin alle mogelijke soorten van zeevisch zouden voorkomen, maar
zoodra ik hem op het onwaarschijnlijke daarvan wees gaf hij toe:
"Mij denk, dat oud man humbug."
Ook omtrent grotten en holen in rotsen of op bergtoppen zijn
verschillende verhalen in omloop, maar nooit berusten zij op eigen
onderzoek. Aan de noordzijde van Dunk-eiland, waar de zee tegen de
fundamenten der heuvels beukt, bevindt zich een grot, die alleen
per boot te naderen is. De ingang is omhangen met slingerplanten en
varens en tusschen het mos dat den grond bedekt siepelt en kabbelt het
water. Wanneer de brons-orchidee met haar mat-gouden bloemen de rotsen
tooit heeft deze ingang weer een geheel ander karakter dan wanneer de
glanzende bladen van de magnolia de versiering vormen en zijn lange
trossen dofroode, kraalvormige bloemen de schitterende zonnevogels en
de groote blauwe, groene en roode vlinders aanlokken. Zelfs als de zee
fonkelt is de grot zelf, niettegenstaande de weelderige en bevallige
tooi van haar ingang, niets anders dan een zwarte vlek, de toegang tot
iets onbekends en onkenbaars, althans voor de negers. Nooit had iemand
haar betreden en niemand zal het ook ooit doen. Lang, lang geleden,
zoo verhalen zij, plukte een reus, "de duvel-duvel zelf," met zijn
geweldige vingers een stuk uit de rots en zette het neer "op de top
daar bij Hinchinbrook." Nu is de bewuste kegeltop te Hinchinbrook
ten eerste twintig mijl verder en bovendien buiten alle verhouding
tot den omvang der grot; toch denkt niemand er aan de waarheid der
legende te betwijfelen. De grot, zoo heet het verder, loopt diep,
diep onder den berg door. En ze is gevaarlijk, zoo gevaarlijk,
dat er nog nooit een mensch in is geweest. "Als mensch daar ingaan,
dan mensch ziek worden, dan mensch dood."
Al deze tradities trotseerend liet ik mij eens, met een lantaarn bij
mij, naar de grot heen roeien. Mijn roeiers deden al het mogelijke mij
te weerhouden en geen van hen waagde het mee naar binnen te gaan. Een
onderzoek van een minuut toonde aan dat de heele grot niet dieper
was dan dertig voet. Zij was droog en de lucht was er zuiver. Maar
nog altijd gaan de negers haar schuw voorbij. Opmerkelijk is het, dat
de grot den naam draagt van "Coo-bee co-tan-you," hetgeen beteekent
"grot der vallende ster," ofschoon de negers niettemin vasthouden
aan de bovenstaande legende van haren oorsprong.
Van den kegeltop van Hinchinbrook wordt verteld, dat hij een
diepe holte in den berg bedekt, waarin de winden en de regen zijn
opgesloten. Nu en dan tilt een boosaardige duvel-duvel het deksel
op en laat de woedende elementen ontsnappen, die als zij uitgeraasd
hebben van zelf weer naar hun gevangenis terug keeren, waarna het
deksel weer wordt gesloten. Het wordt dan weer helder en de top, die
gedurende den storm in den mist verborgen was, wordt opnieuw zichtbaar.