SCHILDPADVANGST.

In het algemeen traag en weinig vindingrijk, maken de inboorlingen

van de kust van Noord-Queensland voor het verkrijgen van hun voedsel

gebruik van een eigenaardigheid van een zekeren visch, den schildvisch

(Remora). Zij beschouwen den schildvisch niet als een interessante

visch, die voor zijn verplaatsing in hooge mate afhankelijk is van

schildpadden, dugong's, haaien en bruinvisschen, maar als een welkom

middel om de twee eerstgenoemde dieren, die om hun vleesch zeer gewild

zijn, machtig te worden.

In vroeger tijden geloofde men dat deze wonderlijke visch, door zich

aan de kiel vast te hechten, een schip, al had het alle zeilen bij,

kon laten stil staan. Zoo zegt de overlevering dat in den vermaarden

zeeslag bij Actium het schip van Marcus Antonius door een remora werd

vastgehouden, trots de wanhopige pogingen van honderden galeislaven

om het van zijn plaats te brengen. Shakespeare en andere dichters

mogen de schuld op Cleopatra schuiven, algemeen geloofde men aan

de tusschenkomst der remora en dit geloof werd graag ondersteund

door andere groote mannen, die achter bleven op oogenblikken waarin

zij stoutmoedig op de overwinning of op hun ondergang hadden moeten

afzeilen.

De schildvisch (Echeniis remora en Echeniis naucrates), door de negers

"Cum-mai" genoemd, is gekenmerkt door een schild of schijf, die van de

punt der bovenkaak tot achter de schouders doorloopt en naar men zegt

een wijziging is van de rugvin. Deze schijf bestaat uit een middennerf

en een aantal overdwarse, vlakke vinnen, die opgezet kunnen worden;

zij heeft een doorloopenden, vliesachtigen zoom. Drukt de visch

dezen zoom tegen een gladde oppervlakte en zet hij dan de vinnen

op, zoo ontstaat er een luchtledig, waardoor hij met groote kracht

wordt vastgezogen [28]. Deze eigenschap nu wordt door de Australiërs

praktisch uitgebuit. Men kan niet zeggen dat zij het dier temmen, maar

toch gebruiken zij het als een valk of een havik, met dat verschil,

dat aan den schildvisch een touw wordt bevestigd eer men hem loslaat.

Een enkelen keer vangt men bij het harpoeneeren van een schildpad of

dugong tegelijkertijd een schildvisch, maar gewoonlijk vereischt de

vangst van den schuwen visch groote handigheid en veel geduld. "Goed

voeren" is hierbij de hoofdregel. Zoodra er een tusschen de rotsen

gezien wordt, voorziet men hem rijkelijk van stukken verschen visch,

totdat hij zijn gewone voorzichtigheid vergeet en, als hij nog niet

overvoerd is, tenslotte toehapt in een bijzonder aanlokkelijk, maar

met een angel voorzien brokje. Hebben zij hem binnen, zoo binden de

negers hem een lijn boven den gevorkten staart, zoodat hij er niet uit

kan glippen en laten hem los in laag water, waarop hij zich meestal

aan den bodem van de kano vast zuigt. Wanneer door herhaald gebruik of

hard trekken de staart te diep is ingesneden en er gevaar bestaat dat

hij zou worden afgescheurd, boort men een gat onder den ruggegraat,

dwars door het lichaam, en haalt daar de lijn voor alle zekerheid

nog eens doorheen.

Voor de schildpadjacht nu trekken de negers elk in hun eigen

schorskano van 8 voet lang, 2 voet breed en 1 voet diep midscheeps er

op uit. Deze kano's bestaan uit niets anders dan uit één stuk schors,

bij voorkeur van een "Gulgong" (Eucalyptus robusta), van den "Carrlee"

(Acacia aulacocarpa) of van den "Wee-ree" (Calophyllum inophyllum)

dat aan de einden bijeen wordt gebonden. Soms hebben zij een geraamte

van riet of buigzame twijgen. Pas gebouwd, behooren deze bootjes met

hun geel-rieten binten en die drijven als een eend, tot de aardigste

van de weinige technische voortbrengselen der negers. Zij worden

voortbewogen door schepvormige stukken schors van 5 bij 3,5 duim,

waarvan ieder man er twee heeft.

Wanneer het wild in zicht komt wordt de schildvisch van den bodem der

kano losgemaakt en in de richting er van uitgeworpen. Van te voren

echter worden schijf en schouders krachtig met droog zand of met den

handpalm gewreven, om slijm te verwijderen en het instinkt van den

visch te prikkelen, die onmiddellijk tracht een beter kameraad dan

een stompzinnige kano te bereiken. De lijn waaraan hij bevestigd

is, bestaat uit twee strengen van den bast der "Boo-bah" (Ficus

fasciculata) en is zoo licht dat zij den zuiger niet merkbaar hindert,

terwijl zij toch sterk genoeg is om een flinken weerstand te kunnen

bieden. Twee knoopen, op een afstand van twee vadem van den zuiger,

dienen als dobber.

Zoodra nu de zuiger zich aan de schildpad heeft vastgezet laat men

de lijn vieren en begint er een sport als van een zalmvisscher die

een veertig-ponder heeft aangehaakt. Aanvankelijk gaat de schildpad

waarheen zij wil, maar als zij vermoeid begint te worden, voelt zij

zich meer en meer in haar beweging belemmerd. Na ongeveer tien minuten

komt er een kritiek oogenblik, de schildpad komt dan even boven om

lucht te happen. Wanneer zij haar belagers in de kano ziet duikt zij

met een plotselingen ruk onder en daarbij kan het gebeuren dat zij

zich van den schildvisch losscheurt. Maar de negers blijven geduldig

wachten tot zij opnieuw boven komt, welk oogenblik door telegrammen

van den schildvisch precies wordt aangekondigd. Zij duiken dan neer

in hun booten, zoodat het dier hen niet ziet. Als de schildpad kans

ziet tusschen de rotsen of koralen te komen, tracht zij zich door

wrijven en schuren van den schildvisch te ontdoen. Maar de negers

kennen al deze foefjes en weten ze door doelmatig inhalen en vieren

van de lijn te verijdelen. Uren en uren gaat het zoo door, totdat

eindelijk de schildpad aan haar ballast gewend raakt en het waagt wat

meer boven te komen, om bij een dier gelegenheden door een harpoen

in den schouder te worden getroffen. Een woest geplas, een kleine

kolk van schuim, de lijn loopt af tot haar volle lengte en de kano

wordt in grilligen loop door het gewonde beest meegesleurd. Raakt

het uitgeput door het gewicht van den zwaren harpoen, zoo wordt de

lijn wat ingekort en tracht men het opnieuw te naderen om het een

tweeden harpoen in het vleesch bij den staart te drijven. Lukt dit,

zoo kan het niet meer losbreken en wordt het naar de kust gesleept.

Hoe zij het klaarspelen om op deze wijze, met kano's waarin een blanke

nauwelijks zijn evenwicht kan bewaren, schildpadden van misschien

een paar honderd pond te vangen, is haast onbegrijpelijk. In een

bewogen zee leunen zij achterover in hun bootje om den voorsteven op

te tillen wanneer er een golf aankomt en voorover wanneer hij voorbij

is, intusschen voortdurend roeiend, signalen gevend en manoeuvreerend

met de lijn. En toch zou het roeien alleen reeds boven de krachten

van een gewoon man gaan.

Men moet niet meenen dat de inboorlingen altijd in samenwerking met

een zuiger op schildpadvangst gaan. Hij wordt zelfs betrekkelijk

weinig gebruikt. Meestal worden zoowel schildpadden als dugong's

geharpoeneerd, wanneer zij aan de oppervlakte komen om adem te

scheppen. Zij bespieden de schildpad op den bodem en volgen voorzichtig

haar bewegingen, totdat zij naar boven komt, of zij volgen er een die

haar aanwezigheid reeds had verraden, want door hun ervaring zijn zij

in staat vrij nauwkeurig de plek te berekenen waar zij opnieuw zal

opduiken. Maar geduld, diepe stilte en vermijding van elke plotselinge

beweging zijn de eerste vereischten.

Is de buit eenmaal aan land gebracht en heeft men er zich van overtuigd

of de schildvisch, die zijn gastheer tot den dood toe trouw blijft,

nog eens te gebruiken is of wel zoo beschadigd werd dat men hem met

een: "dat kerel-visch niet goed nu," onmeedoogend op het strand werpt,

dan wordt meestal tot een "Kummaorie" besloten.

Er wordt een groot vuur aangelegd, waarin men een paar dozijn gladde

steenen, ter grootte van een schoteltje rood gloeiend maakt. Intusschen

wordt de schildpad geslacht. Kop, hals en soms ook de voorpooten

worden verwijderd. De ingewanden en de maag worden uitgenomen, ruw

schoongemaakt en weer in de holte gestopt. Daarna graaft men een

kuil in het zand, waarin de schildpad, met den staart naar beneden,

rechtovereind gezet wordt. Hierop worden de roodgloeiende steenen met

stokken opgetild en in de schildpad geworpen, waarna men de sissende,

spetterende massa met een dikken stok omroert. In een anderen kuil,

dien men geheel met steenen bekleed had, brandt een tweede vuur dat

men wegkrabt zoodra de steenen wand gloeiend is. Men legt nu snel de

schildpad, met het schild omlaag in dezen kuil, bedekt het geheel met

bladeren van bananen, gemberplant, palmen enz., waarover men tenslotte

een hoop zand werpt. Den volgenden morgen is het vleesch behoorlijk

gekookt. Het plastron (onderste schild) wordt opgelicht en in het

bovenschild bevindt zich een dikke, zware soep. Geen druppel bloed,

noch iets van den geur van het vleesch is verloren gegaan, het is

het fijnste vleeschextract en geen fijnproever kan zich beroemen ooit

echte schildpadsoep te hebben geproefd zoo hij niet zulk een Kummaorie

heeft meegemaakt. Met pluimpjes gras soppen de negers in de bruine,

olieachtige brei, luid smakkend om hun tevredenheid te uiten. En dan

is er nog het witte vleesch en de glutine, het puik van al vet! En

een dag of wat eten zij, schransen zij tot zij niet meer kunnen,

om dan opeens niet anders dan in kwetsend minachtende termen over

schildpad te spreken.

Bekentenissen van een strandvonder: Het leven op mijn tropisch eiland · 第 57 / 97 题