Witte mieren, zwarte mieren, roode mieren, bruine mieren, grijze
mieren, groene mieren; groote en kleine mieren; luie en ijverige
mieren; vleesch-etende, planten-etende en honing-zuigende mieren;
mieren die vechten en mieren die wegloopen; mieren die onder de koudste
steenen wonen, of mieren die huizen in boomtoppen; zwijgzame mieren
en mieren die ruzie maken; goede mieren, slechte mieren en mieren die
maar zoo-zoo zijn; wij hebben ze hier allemaal en zouden er geen een
van willen missen, zelfs niet de stekende groene mier, die tot de meest
merkwaardigen van het geslacht behoort; ja, zelfs niet de "witte mier"
(die in het geheel geen mier is), die ons letterlijk uit huis en hof
zou eten als we haar niet streng buitensloten en de indringers met
vergif verdelgden. Want de mieren zijn de groote straatvegers voor
allen afval.
De groene mieren ontsieren sinaasappel- en mangoboomen door hun
nesten en zij zijn ware furies, maar zij voeren krijg tegen tal van
insekten die de planten beschadigden, ruimen hun lijken weg en in
't algemeen alle mogelijke cadavers. Deze mier, die den officieelen
titel draagt van "emerald-kleurige blad-bewoner" construeert een "zak"
uit levende boomblaren (en, ofschoon zelden, uit levend gras) waar
zij in huist en volkrijke kolonies sticht. De koningin of moeder-mier
begint haar nederzetting door een klein blad of een hoekje van een
grooter, om te krullen en de kanten er van met witte, katoenachtige
stof te verbinden. Zij is een plomp schepsel--geheel anders als haar
slanke, half doorschijnende arbeiders en soldaten--en buitengewoon
vruchtbaar, zoodat haar familie verwonderlijk snel toeneemt. Naarmate
zij zich vermenigvuldigt worden er steeds meer levende bladen aan
den zak of beurs toegevoegd, zoodat die tenslotte den omvang krijgt
van een voetbal en millioenen bedrijvige, strijdlustige, brutale en
vraatzuchtige insekten herbergt, wier beet door elk wezen met een
gevoelige huid wordt gevreesd.
Is het niet verwonderlijk dat insekten, die zelfs allen bij elkaar
toch maar een geringe spierkracht bezitten, instaat zijn bladeren van
12 duim lang en 8 breed zóó te doen krullen dat de top precies den
voet raakt, of dat de evenwijdige zijden juist tegen elkaar gebracht
worden? En die verwondering neemt nog toe, wanneer men ziet dat zulk
een kolonie door samenwerking van slechts heel enkelen wordt gesticht.
De kleine rups van een zekeren vlinder graaft gangen in de blaren
en dwingt hen, door de cellen weg te vreten, zich onregelmatig te
kronkelen, waarop zij zich eindelijk in zulk een plooi in een groen
zijden cocon verpopt. Een andere rups verandert de taaie harde bladeren
van een vijgenboom (Ficus fasciculata) in een dichte, volkomen rol,
door op een zeer ingewikkelde wijze de kanten met een zijden spinsel
te verbinden, nadat zij eerst het blad buigzamer heeft gemaakt door
een gedeelte van de middennerf weg te vreten. In deze rol verpopt
zij zich en komt te harer tijd als een schoone, doch kort-levende
vlinder er uit te voorschijn.
Doch de groene boom-mier brengt, voor zoover ik heb kunnen nagaan,
geenerlei verandering aan het oppervlak der bladeren te weeg. Evenmin
vernietigt zij het celweefsel of wendt zij physieke kracht aan. Het
krullen van een blad is een werk dat dagenlang duurt, ongeveer een
half dozijn mieren zijn er voortdurend mee bezig. Het begint met een
blijkbaar uiterst nauwkeurig en kritisch onderzoek naar den toestand
van midden- en zijnerven. Een paar dagen loopen de mieren op het blad
heen en weer en houden onderling overleg als zij elkaar tegenkomen. Dan
begint, haast onmerkbaar, het blad te krullen, terwijl de mieren steeds
voortgaan met hun wuivende voelsprieten mesmerieke gebaren boven de
nerven uit te voeren. Geheel volgens wil en bedoeling der architekten
naderen de bladkanten elkaar of krult de top naar den voet of naar
een der kanten, om zoodoende een kleinen tunnel te vormen. Wanneer de
uiteinden zoo dicht bij elkaar zijn gekomen dat de tusschenruimte kan
worden overspannen, worden zij met witte herfstdraden aaneen geregen,
die langzaam worden aangehaald en na een paar dagen is een gezellig
zakje, met nauw sluitende naden, gereed.
Hoe gaat dit krullen in zijn werk? Een theorie die voor de hand ligt is
deze, dat de mieren sommige cellen inspuiten met een of andere chemisch
werkende stof en dat die prikkel van cel tot cel wordt overgebracht
en zoodoende een algemeene samentrekking veroorzaakt, zonder dat
overigens de levenskracht van het blad vernietigd wordt. Verder,
dat de mieren door slechts bepaalde cellen in te spuiten het blad
naar willekeur in iedere richting kunnen doen krullen. Het vergif
dat één enkele mier spuit in den hals van een krachtigen kerel, werkt
zoodanig op diens zenuwen, dat hij vloekt en raast en stampvoet met
een kracht, voldoende om millioenen mieren te verpletteren. Het kan
dus niet verwonderen, als ook een blad op zijn manier op deze of een
dergelijke stof reageert. Deze theorie is alleen toepasselijk op het
krullen van een enkel blad van aanmerkelijke grootte. Maar toch huist
het mierenvolkje voornamelijk in boomen met kleine bladeren waarvan
er dozijnen noodig zijn om één woning te maken. Zware en ingespannen
arbeid is er toe noodig om ver-verwijderde takjes en blaadjes bij
elkaar te brengen, maar de koortsachtig haastende dieren volbrengen
hun schijnbaar onmogelijke taak door een streng georganiseerde
samenwerking. Afstanden van vier of vijf duim tusschen bladeren en
takken worden door levende ketens van mieren overbrugd, waarbij elk
met haar kaken zich vasthaakt aan het achterste lid van het lichaam
van haar voorgangster, of soms ook aan haar achterpooten. De overige
mieren loopen nu aan de uiteinden van de ketens te hoop om ze steeds
sterker aan te halen. Steeds zijn er verscheidene ketens evenwijdig
naast elkaar, die behalve als spantouwen, tevens als brug dienst doen
voor ontelbare andere arbeiders en opzichters. En zoo wordt ten slotte
de meest weerspannige tak tegenover de woning gebracht en de kanten
der bladeren weer met de witte draden verbonden. Deze draden schijnen
grootendeels afkomstig te zijn uit de pupuae, die de arbeiders in
hun kaken dragen en die als weverspoelen heen en weer schieten.
Meestal zijn insekten die in bladeren huizen, vegetarisch, maar de
groene mier is zeer beslist vleesch-etend en gebruikt de bladeren
uitsluitend als woning.
Zooals ik hierboven reeds opmerkte, beschouwt de inboorling alle
aardsche zaken onder het gezichtspunt der eetbaarheid. Natuurlijk
ook de mier. Hij weet precies wanneer het zakje volgepakt is met
witte larven en hulpelooze jonge miertjes of even hulpelooze oude
met gezwollen achterlijf. Hij snijdt den tak die het nest draagt af,
schudt de verwoede bevolking er uit, of verjaagt haar door den rook
van schorsfakkels, of werpt den zak in het water, zoodat de volwassen
mieren kunnen wegzwemmen.
Rauw gegeten vormen de larven een scherp gerecht, geweekt in water een
likeur dat gehemelte en keel doet samentrekken, maar dat aangenaam
schijnt te zijn voor de maag van negers, die zoo dikwijls zich met
niets anders als koud en flauw voedsel vullen.
De groene mier is prikkelbaar en twistziek; nooit heeft een groene
mier geaarzeld om zelfs den sterksten kerel aan te vallen. Zij is even
moedig als de bij, maar veel lichtgeraakter. Bij het bijten begraaft
zij de kaken in de huid en gaat op haar kop staan om met haar volle
gewicht mee te werken.
Een prachtige zwarte mier bootst haar groene soortgenoote na in het
bouwen van een bladwoning op ietwat kleiner schaal. Zij heeft geen
bijzonder middel ter verdediging, behalve haar reuk en heeft daarom een
nieuwe methode uitgedacht om zich tegen aanvallen te beschermen. Bij
de minste aanraking van het blad-huis komen de bewoners in hevige
opschudding en de vereenigde pogingen van honderden brengen een
geluid voort dat voldoende is om indringers, die aan de stilte der
wildernis gewoon zijn, te verschrikken. Het geluid lijkt op dat wat
ruw zand maakt bij het schudden in een papieren enveloppe en schijnt
te worden veroorzaakt door schoppen of kloppen tegen de zijwanden
van het huis, die van een lichtbruin, stijf, taai en weerklinkend
materiaal zijn gemaakt.