Een heel andere tragedie speelde zich den volgenden dag af. Een
kleine gele dagvlinder, bekend onder den naam van "de wandelaar",
heeft een voorliefde voor den honing van de boterbloem, even geel als
hijzelf. Het was een morgen vol vlinders. Een wandelaar, zittend op
een gele kelk, zag ik krampachtig fladderen en toen met dichtgeklapte
vleugels blijven zitten. Ik kon hem aanraken zonder dat hij opvloog
en ook door plotselinge bewegingen liet hij zich niet verjagen. Een
nader onderzoek bracht de oorzaak van zijn onbewegelijkheid aan het
licht. Zijn lichaam zat vastgeklemd tusschen de kaken van een spin;
een gele, ronde spin met lange dunne, geelgroene pooten. Verborgen in
de gele bloem had de gele spin den gelen vlinder gegrepen. Een breeder
onderzoek deed mij ontdekken, dat dit treurspel haast even algemeen
was als de bloemen zelf. Er was nauwelijks één bloem waarin niet
een spin verborgen zat en er waren maar weinig spinnen die niet een
vlinder vermoord hadden. De samenzwering tusschen spin en bloem--een
samenzwering waarvan beide voordeel hadden--herhaalde zich op dien
schoonen morgen duizenden malen en leverde een schoon voorbeeld van
den schrikkelijken ernst waarmee de Natuur haar evenwichten tracht
te bewaren.