Onder de wonderlijke wezens die het eiland bewonen bevindt zich ook
een geweldige, kannibalistische vlieg. Meer dan een duim lang en
naar verhouding dik, lijkt zij eenigszins op een reusachtig vergroote
huisvlieg, maar zij is glanzend grijs van kleur, heeft lichte oogen en
doorschijnende, koperglimmende vleugels. Het lichaam der vlieg moet
een hoogontwikkeld spierstelsel bezitten, want de toon die door het
vliegen wordt voortgebracht wijst op een buitengewone trillingssnelheid
der vleugels. Ik heb geen bibliotheek bij de hand en weet dus den naam
van het insekt niet op te geven. Misschien heeft het er niet eens een,
in elk geval behoort het tot de familie der Asilidae. De vlieg verraadt
haar aanwezigheid door een onheilspellend, dreunend gebrom. Zij vliegt
zoo snel dat zij zoo goed als onzichtbaar blijft. Men hoort een gonzen
dat eenigszins op fluiten lijkt, ziet een geelachtigen glans en de
rest is ruimte en stilte. Na een oogenblikje komt zij weer terug, haar
gebrom is uitdagend, triomfantelijk, maar zij wil toch geen kwaad,
zij onderzoekt alleen maar of men ook vliegen bij zich heeft. En
wanneer haar vermoedens juist zijn en zij ziet bijvoorbeeld een
argeloos vliegje op uw zonverbranden arm zitten, zoo schiet zij er
onmiddellijk op af, grijpt het met feillooze juistheid en verdwijnt
er mede met de snelheid van een kogel. Zij is inderdaad een gruwelijk
monster. Eens kon ik er een, die een prooi beet had, ongeveer een
minuut lang gadeslaan. Aan een haak van een der achterpooten had zij
zich opgehangen aan een splinter aan de onderzijde der balustrade van
onze waranda. De uitgestrekte poot waaraan zij hing was volle twee
duim lang; met de overige pooten drukte zij een ongelukkig vliegje,
het toonbeeld van hopelooze ellende, tegen zich aan. Voor zoover ik
kon zien was het ondier bezig het bloed van zijn prooi uit te zuigen,
maar voor dat het hiermede klaar was gonsde het weer weg met een
kwaadaardig gebrom, dat in een aanzwellend piepen eindigde.
Het zou interessant zijn te weten hoeveel vliegen deze kannibaal per
dag verslindt. Zij maakt vooral jacht op de glimmende blauwgroene
vlieg, die al bloed zuigt haast op hetzelfde oogenblik waarin zij
zich neerzet en ook op de tragere Maartvlieg. Ik beschouw haar als
een vriendin en weldoenster der menschheid.