Hoe krachtig de vleugelslag van de witte muskaatduif ook is, toch
vinden velen een ellendigen dood, tengevolge van een bijzondere
eigenaardigheid van een der boomen in de wildernis. Lang en slank, met
mooie glimmende bladeren, ziet de boom er volstrekt niet gevaarlijk
uit, en toch is het geen overdrijving wanneer men hem moorddadig
noemt. Doornen noch vergif vormen zijn verdelgingsmiddelen, maar
niettemin is zijn methode doeltreffend en meedoogenloos en eischt
ieder seizoen duizenden slachtoffers.
De zaadhulsen van de "Ahm-moo", zooals de negers hem noemen (Pisonia
brunoniana), scheiden een buitengewoon kleverige stof af, die op
vogellijm gelijkt en dezelfde noodlottige eigenschap bezit. Wee
den vogel, die in zijn vlucht onvoorzichtiglijk langs een der vele
vallen strijkt die overal in den boom hangen. Het zaad blijft aan
zijn veeren kleven, de vleugels worden aan de zijden vastgeplakt,
de hulpelooze vogel valt op den grond, in zijn worsteling komt hij
met nog meer zaden in aanraking, bladeren en twijgen blijven aan hem
hangen, en tenslotte is hij als een mummie opgerold in een dichte
massa plantaardigen afval. Kleine vogels, zoowel als duiven, verder
spinnen en allerlei andere insecten als vliegen, bijen, vlinders,
worden buitgemaakt en evenzoo zaden van andere boomen.
Insekten-etende planten zijn in Australië vrij algemeen, maar de
"Ahm-moo" schijnt zijn slachtoffers nergens toe te gebruiken, ofschoon
hij er buitengewoon veel maakt.
Op sommige eilanden, waar de boom talrijk is, ondergaan ieder seizoen
massa's duiven dit droevig lot. Het rijp worden der zaden valt juist
samen met het uitkomen der jongen en vele moeten dan hun onervarenheid
duur boeten. De natuurlijke lijm wordt voortgebracht als de duimlange
zaden nog groen zijn, maar zij blijft lang goed, zelfs nog nadat
de geheele tros verwelkt en afgevallen is. Zelfs honden ondervinden
nog veel hinder van de zaden. Wanneer een hond ze met zijn bek van
zijn pooten of zijden tracht te verwijderen en zijn snuit met de lijm
besmeerd raakt, wordt hij angstig, rolt over den grond om zich verder
te bevrijden, maar wikkelt zich daardoor juist nog meer in.
Wat is de bedoeling en rechtvaardiging van deze inrichting? Waarom
worden argelooze insekten, aangelokt door den zoeten geur der lijm,
zoo listig gevangen? Hebben de zaden dierlijke stof noodig om in
te kunnen kiemen? In dit geval zou de boom indirekt vleeschetend
zijn. Wordt de lijm afgescheiden om de zaden een wijde verspreiding
te verzekeren? Maar zij is daartoe evengoed een belemmering, want
honderden zaden blijven bij het vallen in de takken van den boom zelf
of van de struiken er onder hangen. Zeker zal wel een gedeelte dat den
grond bereikt door toedoen van dien eeuwigen krabber, het loophoen,
worden verplaatst. Maar zelfs een vogel van naar verhouding zoo groote
kracht kan eerder zelf door de zaden worden vastgehouden. Heeft de
lijm tot taak te verhoeden dat de vogels de zaden opeten, zoo wordt het
doel volkomen bereikt. Een andere eenigszins bevredigende reden waarom
deze boom zooveel onschuldig leven moet vermoorden, kan ik niet vinden.