De bijzondere soort vijgenboom, die de steilten van Dunk-eiland
helpt versieren (Ficus cunninghamii), begint zijn leven als een
woekerplant. Een dunne, ranke loot, teer en bevend, leunt tegen den
voet van een of anderen grooten boom en klampt zich er aan vast. Een
onschuldig, zwak, hulpeloos plantje, dat alleen niet zou kunnen
bestaan. Maar al spoedig verschijnt een tweede loot, even rank en teer,
bij den wortel, andere volgen en tenslotte is de stam van den gastheer
met een netwerk van naakte, grauwgroene stengels overdekt. Waar de
loten elkaar raken groeien zij samen en steeds steviger en knellerder
wordt hun omarming die den stam verstikt, terwijl de eerste scheuten
reeds tot hoog in de takken zijn opgeklommen, hun bladeren uitspreiden
en aan alle kanten de levenssappen van den boom uitzuigen. En ten
laatste bloeit de vijgenboom rond en op den dooden of stervenden
vriend, die hem in zijn eerste jeugd tot steun was.
Deze plantaardige sluipmoordenaar brengt onmetelijke hoeveelheden
kleine purperen vijgen voort, die een geliefkoosd voedsel zijn van
vele vogels. Zoo overvloedig en zoo gewaardeerd zijn de vruchten,
dat hun funktie in de harmonie der natuur voor de hand ligt. Dikwijls
wetten vogels hun snavel, na het eten van een vijg, aan den stam van
een naburigen boom, waarbij een zaadje er aan blijft zitten. Ontkiemt
het, dan zendt het wortels naar omlaag om den grond te zoeken en
tegelijk uitloopers naar omhoog tusschen de takken.
Een verrukkelijke vrucht wordt door een verwante vijgensoort
(Validinervis) voortgebracht, die eveneens parasitische neigingen,
schoon minder wreede, vertoont. De vrucht, die van groen overgaat
in oranje, met donkerroode en purpere vlekken en die ongeveer de
grootte heeft van een middelmatige druif, kondigt haar rijpheid
aan door de uitscheiding van een druppel kristalhelderen nektar,
die gedeeltelijk vast wordt. Hangend aan de gepolijste vrucht, is
deze geurende schitterende druppel, teeken van rijke volkomenheid,
een aantrekking voor allerlei vogels. Het is een likeur dat geen
kan weerstaan en dat, te oordeelen naar hun luidruchtigheid, een
buitengewoon vervroolijkenden invloed op hen schijnt te hebben. Vogels,
die gewoonlijk stom zijn, beginnen te zingen en de rumoerigen, zooals
de verschillende honingzuigers bijvoorbeeld, verliezen alle macht
over hun tong en roepen en fluiten als in extase.