Inconsequent en vol grillen en tegenstrijdigheden als de Natuur
soms schijnt te zijn, kunnen alleen zij die haar met liefdevolle
aandacht bestudeeren, erkennen hoe oprecht en eenvoudig zij in
werkelijkheid is. Zij is eerlijk in al haar bedoelingen en, hoe
veranderlijk en opzichtig soms in haar verschijning, toch nooit wuft
of lichtzinnig. Een ranke palm die door het dichte loof heenschiet
en een overdaad van vuurroode, opvallende zaden luchtig doet wuiven,
moge het oervoorbeeld van een kokette zijn, maar koketterie die zoozeer
de aandacht trekt, waarschuwt voor zich zelf en is onschadelijk. Er
is geen gekunsteldheid in de natuur, al haar kleuren, hoe gewaagd ook
dikwijls, zijn echt, zuiver, volmaakt. Maar de ware natuurliefhebber
weet dat zij ook in haar minder en minst opvallende uitingen even rijk
en wonderdadig is als wanneer zij geheele vastelanden met bloemen siert
of al de wouden van een land met een gelen mantel overspreidt. Leelijk
is zij nooit, want zelfs nog in haar schijnbaar afstootende gedaanten
glimlacht zij, althans voor hen die dien glimlach zoeken.
Nemen wij een mangrove-moeras als een dier afstootende gedaanten der
natuur en wij zullen ook in dien schijnbaren warboel, in modder,
slijk en stank nog tal van bewijzen vinden van blijmoedigheid,
vriendelijkheid, ordelievendheid en systematische bedoeling.
Aan de mondingen en oevers van alle rivieren en kreken van
Noord-Queensland en ook op de meer beschutte kusten, groeit de mangrove
(Rhizaphora). De manier waarop de mangrove zich verspreidt is zeer
eigenaardig. Terwijl het zaad, een spoelvormige wortel van één tot
vier voet lang, nog aan de peervormige vrucht hangt begint het reeds
te kiemen. Een scherpe punt aan den top bevat de eerste bladeren,
gereed ter ontplooiïng, terwijl uit het tegenovergestelde, zwaardere
einde de wortels ontspringen. Het gewicht van de spoel is zoodanig
verdeeld dat zij, wanneer zij in het water valt, rechtstandig drijft.
Men heeft wel gemeend dat de "levend barende" mangrove de eenige
vertegenwoordigster is van een ver geleden tijdperk, toen de aarde
nog in wolken van warmen, vochtigen mist gehuld was en alle planten
levendbarend waren. Doch er zijn nog meer planten die dezelfde
eigenaardigheid vertoonen, o. a. een hier eveneens voorkomende varen
(Asplenium bulbiferum), die in moederlijke zorg haar kroost bij zich
houdt tot het sterk genoeg is zichzelf te ontwikkelen. Als het loof
afsterft en ter aarde buigt, draagt ieder blad reeds den last van
een nieuwe, krachtige generatie.
In Februari en Maart nu vallen geheele legers van zulke levende
mangrove-wortels in de rivieren. Mijlenver van de kust kan men ze, een
speelbal van wind en golven, tegenkomen. Myriaden gaan te gronde, maar
duizenden blijven leven om tenslotte een rustplaats te vinden en als
pioniers nieuw land voor het plantaardig leven te veroveren. Want de
mangrove zegt niet alleen tot den oceaan: "Tot hiertoe en niet verder",
maar neemt voortdurend nieuwe brokken van zijn gebied in bezit. Zoodra
de spoel in ondiep water komt, boort zich het spitse uiteinde in
de modder; de ranke, maar taaie wortels loopen straalsgewijs uit
en de bladeren aan het andere einde ontplooien zich. Na een paar
maanden schiet ook de stam boogvormige wortels, die zich met sterke,
vingervormige haken in de modder vastgrijpen. Deze wortels vertakken
zich op hun beurt en zoo gaat het door tot dat de boom ten laatste
gedragen wordt door een ingewikkeld wortelsysteem, dat, wijl de
zee er tusschen door spoelt, een veel beter steun vormt dan een
enkele, nog zoo dikke en zware stam zou doen. Sommige wortels maken
uitloopers die tot boomen worden, even groot als de moederboom. De
zware, overhangende takken zenden luchtwortels naar omlaag, die zich
eveneens in de modder vasthechten en hen steunen. Enkele zaden vallen
onder den boom en groeien er tot zelfstandige boomen op. En zoo is
eindelijk de oorspronkelijke stam niet meer te herkennen tusschen
het labyrinth van zijn eigen wortels en die van zijn uitloopers en
zaailingen. En tusschen al deze dooreengestrengelde wortels, zet zich
zeewier, drijfhout, bladeren en zand af, de bodem van de zee wordt
verhoogd, een nieuw terrein is haar ontnomen.
Maar de zege wordt niet door één plant alleen behaald. Evenals er in
het leger verschillende takken van dienst zijn, zoo hebben ook in
den eeuwigen strijd tusschen land en zee verschillende planten elk
hun eigen taak. Zelfs in een mangrove-moeras komen nog andere planten
voor naast de verschillende soorten van eigenlijke mangroven. In de
eerste plaats de z.g. rivier-mangrove (Aegiceras majus), die zich
echter volstrekt niet tot de rivieren beperkt. Haar taak is het de
vunze uitwasemingen van de modder te verzoeten en met haar overvloed
van witte, geurende bloesems de bijen en vlinders aan te lokken. De
Heritiera littoralis (Indisch: Samandura) met zijn groote ovale,
glimmende en aan den achterkant zilveren bladeren en zijn bootvormige
vruchten staat, met de riviermangrove, het verst van de zee af. Niet
om de achterhoede te dekken, maar om de plaats geschikter te maken
voor de komst van planten, die zoete en zuivere lucht behoeven. Een
ander bewoner van het nieuw veroverde gebied is de "melk-mangrove"
of gewone blindboom (Excaecaria agallocha), die een melkachtig sap
afscheidt dat uiterst vluchtig is en door de Indiërs tijgermelk
genoemd wordt. Het veroorzaakt een scherp, brandend gevoel in de
keel, oogontsteking, en hoofdpijn, terwijl een enkele druppel in
het oog, naar men gelooft, blindheid te weeg brengt. Door de negers
van Queensland en Nieuw-Zuid-Wales wordt het als geneesmiddel tegen
zweren aangewend. Ook wordt er een zeer goede caoutchouc van bereid.
Het is een langzaam maar wonderbaarlijk proces, deze verovering
op den oceaan, die tot een wijziging van de oppervlakte der aarde
leidt. In een mangrove-woud kan men den groei van het land waarnemen,
kan men het langzaam, maar onweerstaanbaar zien voortkruipen, met een
snelheid, die nauwkeurig zou kunnen worden berekend. Maar de pionier,
de mangrove, ondergaat, zoodra zij haar taak vervuld heeft, het lot
van alle pionieren. Heerschzuchtige boomen met overschaduwende toppen,
die aanvankelijk aarzelend de gastvrijheid der mangroven aanvaardden,
groeien op, belemmeren en verstikken hen, dringen hen steeds weer
terug naar de zee om opnieuw veld te winnen voor de wildernis in
de achterhoede.
Men meene ook niet dat een mangrove-woud onproduktief is. Verschillende
visschen huizen tusschen de wortels en eetbare krabben graven kuilen
in de modder. Een dezer met één, onmogelijk groote schaar, de roepkrab
(Engelsch: viool- of soldatenkrab; Gelasimus vocans) maakt onder het
loopen een uitdagend kletterend geluid. Oesters hechten zich aan de
wortels en tal van schelpdieren vindt men er bijeen, waarvan sommige op
de bladeren en de schors der mangrove schijnen te grazen. De arglistige
cobra heeft, behalve de beide brooze schelpjes die den kop beschutten,
geenerlei kalkbedekking, maar bekleedt haar tunnels toch met het
gladde, wit-porceleinen materiaal waaruit schelpen bestaan. Hoe deze
teere, half-doorschijnende worm door het hardste hout, zelfs tegen
den draad in, heenboort en daarbij nooit de gangen van zijn buurman
raakt ofschoon de geheele stam doorzeefd is, lijkt een raadsel.
De opmerkelijkste en wonderlijkste bewoners zijn echter de grootoogige
slijkspringers (Engelsch: wandel- en klimvisch; Periophthalmus
koelreuteri en P. australis), die met behulp van hun buik- en
borstvinnen tegen de wortels der mangroven opklauteren, over de
modder springen en met de vlugheid van een konijn in hun holen
wippen. Zij houden er van in nattige schuilhoeken, onder steenen
en in holle stammen te vertoeven. Onderzoekend en waakzaam lijken
zij op miniatuur-robben, zooals zij, in een heele rij, op een half
ondergedompelden wortel zitten en u aanstaren, gereed om bij de minste
beweging weg te schieten. Hun oogen--schitterende edelsteenen--zijn
zoo geplaatst dat zij een geheelen cirkel beheerschen, zoodat niets
hen ontgaat. Men moet zich niet voorstellen dat de slijkspringer ook
in de takken klimt: ongeveer een voet boven de oppervlakte van het
water is wel de hoogste grens die hij bereikt.
En ten slotte wordt het gewoonlijk als ongezond beschouwde,
troostelooze moeras, nog bezocht door tal van blijde en lieflijke
vogels. Verscheidene honing-zuigers, de kleine blauwe tortelduif,
de witte muskaat- en andere duiven, de kleine roerdomp, de ijsvogel,
de blauwe reiger, de ibis, en nog veel meer komen er. En zoo is
een mangrove-woud niet alleen het tooneel van een der krachtigste
en meest besliste natuurprocessen, maar voor hen die goed toezien,
tevens een museum van wonderlijke en belangwekkende wezens.