DE BEDROGEN SLANG.

Niet lang geleden zetten wij een bescheiden hoenderpark op. Het

denkbeeld om door het fokken van kippen zoo niet een rijk, dan toch

een eenigszins comfortabel bestaan te vinden, is volstrekt niet

nieuw en ik zou onze pogingen dan ook niet eens vermelden als er

zich niet een eigenaardige tegenslag bij had voorgedaan. Zoowel de

quantiteit als de qualiteit der eieren was voor ons van belang; de

eerste nu hing geheel van de kippen zelf af, doch de laatste meenden

wij te kunnen beïnvloeden. Om de kippen geen verontschuldiging te

geven voor een mogelijke verflauwing in hun ijver en ontaarding der

eieren, kochten wij een aantal porceleinen nest-eieren van behoorlijke

afmetingen, die hen steeds tot voorbeeld zouden dienen. Wij legden

ze neer op voor de kippen in het oog vallende plaatsen en natuurlijk

begrepen de beesten wat er van hen verwacht werd. Geen kip, die eenige

achting voor zich zelf heeft, wenscht door een nest-ei beschaamd te

worden. En zoo ging het ook hier, de hoenders legden steeds beter

eieren, zonder veel moeite werd het steenen voorbeeld overtroffen en

nu begon een onderlinge record-wedstrijd. De onderneming bloeide en

de kippen kakelden trotsch en voldaan. Maar na twee of drie maanden

begon de grootte der eieren weer langzaam af te nemen. De kippen

maakten evenveel drukte, maar de eieren daalden beneden den door

onze berekeningen vereischten omvang. Een onderzoek werd ingesteld

en nu bleek dat er geen enkel nest-ei meer te vinden was. De kippen

grinnikten, ik kon niet anders aannemen dan dat zij, beu van het

leggen van zulke abnormale eieren, de voorbeelden hadden verstopt en

een dergelijke schandalige ondankbaarheid van welopgevoede kippen,

die nooit in een andermans tuin hadden hoeven pikken en nooit van

het pad der deugd hadden mogen afwijken, griefde mij diep.

Maar op een goeden dag werd er een nest-ei diep in het kreupelhout

gevonden, en een poosje later nog een in een kreek, een kwartmijl

verder, daarna nog een derde in een hollen boom. Ten aanschouwe van

de verzamelde kippen werden zij plechtig weer op hun gewone plaats

neergelegd en na een paar dagen trad reeds een merkbare verandering

ten goede in. Het duurde evenwel niet lang of de nest-eieren waren

opnieuw verdwenen en weer wisten de kippen niet meer waaraan zij zich

hadden te houden.

Eens, onder het voederen, werd ik opgeschrikt door een luiden kreet.

"Sse-lang, sse-lang!"

Ja, er was een slang. Ongeveer de helft--de achterste helft--van

het dier stak uit een knoestgat aan de achterzijde van een

leghokje. Een stevige vuist greep haar en trachtte haar uit het gat

te rukken. Vergeefs, zij scheen niet te willen loslaten, ofschoon men

door den open voorkant van het hokje zien kon dat zij zich vrij benauwd

voelde. Eindelijk brak zij middendoor. In de achterste helft bevond

zich een dikte, een operatie bracht een nest-ei te voorschijn. Maar

waarom had de slang zich zoo heftig verzet? Haar voorste helft werd

naar buiten geharkt en ook deze vertoonde een ovale verdikking.... een

tweede nest-ei! Klaarblijkelijk had de slang ergens een porcelein-ei

verzwolgen, was toen door het knoestgat gekropen en had in het hokje

het tweede te pakken gekregen. Ontsnapping was niet meer mogelijk en

halveering was de eenige oplossing.

Er was geen aanleiding meer de kippen van plichtverzaking

te verdenken. In het vervolg zetten wij steeds vallen uit voor

slangen. Zij bestaan uit een doos, waarin een porcelein-ei op een bosje

gras wordt neergelegd en die van boven met draadgaas bedekt is. De

slang kruipt er door heen, maar kan, wanneer zij het ei verzwolgen

heeft, niet meer terug en moet wachten tot haar noodlot nadert in de

gedaante van een glunderen neger met een langgesteelden schop.

Bekentenissen van een strandvonder: Het leven op mijn tropisch eiland · 第 41 / 97 题