Er waren maar drie menschen en een hond in de boot, maar de
boot was overladen. Niet dat de hond zoo groot was, noch zelfs de
menschen. Het was heel en al de schuld van den dag. Het was een dag
waarop men de gansche natuur voor zich zelf alleen zou willen hebben,
zoo vol zonneschijn en fladderende vlinders, zoo stralend vol van
warme groetenissen van den komenden zomer, zoo wonderbaar kalm en
klaar. Zelfzuchtig maakt een zoo groote vreugde, men is er boordevol
van en zou toch steeds nog meer willen hebben. Te schoon leek alles
om het aan zoo velen te verkwisten, en toch, hoe zou één geest de
grootheid er van kunnen omvatten?
De witte boot dreef op een blauwglanzende zee. De reef-ringen
tikten eentonig als de zeilen klapperden bij het zwaaien van den
gaffel. Zorgeloos dreef de boot voort op de nauwlijks merkbare
deining, regelmatig, als de ademhaling van een slapend kind. Geluid en
beweging noodden tot sluimer. De schitterende zee, de groen en purperen
eilanden, de zachte, zoete lucht, de volle glorie van een wonderbaren
dag suste alle zinnen. Ginds, vier mijlen ver, lag het eiland en vlak
bij ons stegen telkens schildpadden, als groote ballons, omhoog uit
de koraaltuinen beneden. Een luchtspiegeling hief de eilandjes in de
verte uit het water, onder hun purper liep de zilveren zee door tot
waar zij in den blauwen hemel scheen te verdwijnen.
Maar nog wonderbaarlijker was de aanblik van myriaden vlinders,
die in een eindeloozen, mijlen breeden stoet over zee vlogen, in de
ademlooze stilte kon men het wieken van hun feeënvleugels hooren, als
een zwak, onafgebroken gegons. Zij kwamen uit de geurende wildernis
van het vastland en fladderden, door welk vreemd instinkt gedreven
weet ik niet, mijlen ver naar hun "gelukzalige eilanden."
Ook hun verscheidenheid was groot. Zeer talrijk was een lieflijke
teere vlinder met doorschijnende en purpergevlekte vleugels. Bij
deze lichtvalling leek het purper zwart en de doorschijnende vlekken
staalblauw. In heele zwermen, zonder begin of einde trokken zij
voorbij, de gansche hemel schitterde van hun dwarrelend mozaiek. Dan
was er een groote, met machtige vlucht, groen, goud en zwart, soms
vergezeld door een minder fraai getinten kameraad; verder een in
koninklijk blauw, die kon vliegen met de snelheid eener zwaluw. Minder
talrijk was die scharlaken en zwarte, die de fonkelende hibiscusbloem
jaloersch maakt op zijn kleur. De kleine geeltjes vlogen druk
klapwiekend, laag over het water, vermoeid door den langen tocht;
soms zetten zij zich, wemelde vlekjes goud, neer op het witte zeil
om te rusten.
Er kwam geen eind aan hun vlucht, de geheele lucht was er van vervuld
en men werd moede van het voortdurend kijken naar die schoone, teere,
als juweelen schitterende vlinders. Zonder gids of leider vlogen
zij voort in den vollen zonneschijn, de gevaren van water en wind
trotseerend, in onverstoorde blijheid.
Van tijd tot tijd kwam een schildpad even boven om, zoodra zij ons zeil
gewaar werd, na een bobbelend gesnuif weer onder te duiken, een reeks
concentrische kringen achterlatend. Traag dreven wij voort, wachtend
op een briesje dat maar niet komen wilde en al maar fladderde de lange
vlinderstoet ons voorbij, mijlen, mijlen breed. De negers begonnen
te klagen, zij zagen er tegen op de boot huiswaarts te moeten roeien
en door roepen en fluiten trachtten zij den wind te lokken. Maar hij
kwam niet. De geheele namiddag verstreek, de avond begon te vallen
en de vlinders wiekten nog steeds voorbij, een dun, teergetint weefsel.
Toen riep plotseling een onverantwoordelijke neger, die bang was dat
hij dien dag zijn avondmaal van gebraden schildpadvleesch er bij in
zou schieten: "Kom op, groote wind en pak kleine boot!" En als om de
uitdaging aan te nemen streek een zachte zephier over den oceaan en
deed de zeilen klapperen. En zoo dreven wij langzaam de kalme baai in.