DE HEDENDAAGSCHE MEERMIN.

De Dugong (Halicore australis) bezoekt nog steeds deze wateren,

ofschoon de roofzucht der negers hen sterk in aantal heeft doen

verminderen. Het komen en gaan der stoombooten heeft, tegen de

verwachting, de weinige overgeblevene toch niet verjaagd. Misschien

dat de wateren van het Groote Barrier-rif voor langen tijd een der

laatste wijkplaatsen zullen zijn voor dit wonderlijke, paradoxale

zoogdier. Half nijlpaard, half zeehond, maar toch aan geen van

beide verwant, iets tusschen een dikhuid en een walvisch, wordt dit

plantenetende zee-zoogdier gewoonlijk "zeekoe" genoemd wegens zijn

gelijkenis in sommige opzichten met het bekende huisdier. Het weidt het

zeegras (Posidonia australis) en sommige gedeelten van zijn vleesch

doen sterk aan biefstuk denken, terwijl de inwendige organen tot in

details op die van zijn naamgenoot gelijken. In tegenstelling echter

met de koe heeft de dugong borsttepels in plaats van een uier. Evenals

de walvisch is zij niet instaat den kop te draaien.

Zij heeft de gedaante van een zeehond. De vinnen of pooten zijn, even

als bij den walvisch, van geringe beteekenis voor de voortbeweging,

maar worden, tenminste door het wijfje, gebruikt om de jongen vast

te houden. Als het wijfje haar jong aan haar borst voedt zorgt zij er

steeds voor dat het als zij boven komt ook tegelijk met haar frissche

lucht kan happen en die twee tezamen opduikende koppen zien er vreemd

menschelijk uit. Sporen van achterpooten zijn nog aan het geraamte

te vinden. De schedel is zonderling gevormd, de bovenkaak is over de

benedenkaak heengebogen. De groote, kwabbige onderlip is met ruwe,

scherpe borstels bezet, een volmaakt instrument om er het slijmerige

gras mee bijeen te vegen. Tot de verdere paradoxen van de dugong

behooren dat sommige harer tanden op die van den olifant gelijken;

de slagtanden en de beenderen der mannetjes zijn van ivoor. Het

vleesch smaakt gedeeltelijk naar kalfs-, gedeeltelijk naar jong

varkensvleesch. De versch afgetrokken huid is meer dan een halve duim

dik; geprepareerd en gedroogd is zij zoo hard als hoorn.

Roodachtig-grijs, soms olijfgroen van kleur, met witte vlekken en

kale, ruwe borstels, heeft de zeekoe geenerlei aantrekkelijkheid en

toch is het een zeldzaam-mooi schouwspel wanneer een geheele school

in het water dartelt en telkens met bevallig-golvende beweging

opduikt om lucht te scheppen, terwijl de zon schittert op de natte

ruggen. Stoeiend en wentelend als vroolijke kinderen, nu en dan

met hun machtige staarten het water hoog doende opspatten, zwemt

de school van de eene weideplaats naar de andere. En de bewondering

voor die groote, argelooze en speelsche waterkinderen neemt nog toe,

wanneer men de liefde ziet die de dugong voor haar jong of haar

kameraden koestert. Als er van een paar één gedood wordt, blijft de

ander dagenlang op de plek en haar ademhaling gelijkt dan op een diep

zuchten. Een poosje na de geboorte draagt de moeder haar jong nog onder

de voorvin, waarmede zij het hartstochtelijk aan de borst drukt. Maar

als het kalf wat grooter is laat zij het los. Het blijft dan vlak

naast haar zwemmen en volgt met automatische nauwkeurigheid iedere

buiging of zwenking van haar lichaam, in een instinktief vertrouwen

op de wijsheid en doelmatigheid van al wat zijn moeder doet.

De negers harpoeneeren de dugong evenals de schildpad, maar de vangst

vereischt grooter geduld en handigheid, want de dugong is strijdbaarder

en bovendien zoo schuw, dat zij slechts met de grootste voorzichtigheid

is te naderen. Eén onverwachte plons met een roeispaan en het dier

schiet weg als een torpedo. Om met vrucht op de dugongvangst uit te

gaan behoort de neger tot op zekere hoogte de levensgeschiedenis van

zijn slachtoffer te kennen, zeker haar geliefkoosde weideplaatsen

en de snelheid en kracht van de stroomingen. Soms duiden slierten

drijvend gras de plaats aan waar zij weidt en een olie-achtige glans

aan de oppervlakte geeft de richting van haar koers aan. Voorzichtig en

onder volkomen zwijgen volgt de neger haar in zijn kano, om haar met

zijn harpoen te treffen zoodra zij boven komt. Een wild spartelen en

rukken volgt en de kano danst als krankzinnig over de golven. Maar de

stuurman weet haar voor omslaan te behoeden en wacht tot zijn prooi

zoo uitgeput is dat hij opnieuw kan naderen. Soms ook wordt het einde

der harpoenlijn bevestigd aan een blok hout.

De huid is zoo taai en samentrekbaar dat, als de harpoen er

eenmaal doorheen is gedrongen, slechts een harde ruk er hem weer

uit kan krijgen. Wij hadden eens een kalf van ongeveer anderhalf

jaar geharpoeneerd en toen het boven water kwam schoot ik het met

een Winchester-repeteergeweer (23-35) een kogel in het lijf. Den

tweeden keer trof ik het dier in den kop, wat zijn onmiddellijken

dood veroorzaakte. Bij het stroopen van het doode dier bleek nu dat

de eerste kogel dwars door het lichaam gegaan was, maar dat de huid

zich onmiddellijk over de wond had gesloten. De tweede kogel had den

schedel geheel en al versplinterd.

De dugong komt met geregelde tusschenpoozen naar boven om lucht

te scheppen en de fantasie der ouden zag in de ronde koppen eene

menschelijke gelijkenis en droomde van wezens die de argelooze

reizigers in hun geheimzinnige diepten wilden lokken. Vandaar de naam

Sirenia voor de geheele familie waartoe de dugong behoort. Maar thans

maken wij prozaisch spek uit de lillende zijden der meermin. En die

lange haren die zij placht te kammen, terwijl zij haar lieftalligheden

spiegelde en haar zoete betooverende liederen zong, die vochte,

verwarde haren, waar zijn zij nu? Het haar van de hedendaagsche

meermin is leelijk, kort en stekelig, met een paar duim tusschen

ieder uitspruitsel.

Voor kam gebruikt zij een getande rots of koraal, voor haar ijdelheid

bestaat geen spoor van verontschuldiging, en haar verleidelijke klacht

is ontaard in een onwelluidend klokken en zuchten als zij haar groote

longen met lucht vult.

Bekentenissen van een strandvonder: Het leven op mijn tropisch eiland · 第 37 / 97 题