De bêche-de-mer, ook genaamd trepang, zee-komkommer, zeeslak of
katoenspinner, waarvan er niet minder dan een twintigtal variëteiten
bestaan, behoort thuis in het geslacht der Holothuridae. Zij is een
enorme slak, varieerend van 6 duim lang en een halve duim breed,
tot 3 voet 6 duim bij 4 duim, die een groot vermogen bezit om zich
samen te trekken; nu eens kan zij een ovalen vorm aannemen, dan weer
zich zoo uittrekken dat zij op een zwarte Duitsche worst gelijkt.
De "visch" wordt door de negers op de koraalriffen gevangen, hetzij
door er naar te duiken, of door ze met de spiets op te prikken,
in ondiep water pakt men ze met de hand.
In de drooginrichting--dikwijls aan boord van den schoener zelf--worden
de zeeslakken eerst gekookt, waarbij zij zelf bijna al het benoodigde
water leveren. Vervolgens worden zij met een scherp mes over de
geheele lengte opengesneden, op dunne houten pennen gespalkt en over
een draadgaas uitgerookt of in een fornuis gedroogd, dat bij voorkeur
met zwart of rood mangrovehout wordt gestookt. Tenslotte worden zij nog
aan de zon blootgesteld om den rooksmaak te verdrijven. Zij gelijken
nu op gekrulde en verschrompelde stukjes buffelhuid en worden als
delikatesse naar China gezonden, waar men er tot 160 pond sterling
(1920 fl.) per ton voor betaalt. Ook Australische lekkerbekken beginnen
de zeeslak, die ook zeer voedzaam en versterkend moet zijn, meer en
meer te waardeeren.
Eén soort is er, die zich onderscheidt als een wonderlijk voorbeeld van
"vermomming." Men zou de zeeslak zoo in het algemeen niet tot eenig
bedrog in staat achten. Weliswaar trekt de "zwartvisch" een mantel
van zand aan, die hem aan de waarneming min of meer onttrekt en neemt
een ander soort de gelijkenis aan van een stuk verweerd, gebroken
koraal, maar de soort die ik bedoel tracht niet minder dan zich uit
te geven voor een van de vlugste en gevaarlijkste bewoners der zee:
de gestreepte slang. Ineengekronkeld ligt zij tusschen de steenen
en koraalbrokken, gedeeltelijk door het bruine zeewier verborgen,
wat de uitwerking op de zenuwen van den barvoetschen strandvonder
nog versterkt. Zij is vier à vijf voet lang en ongeveer 3 duim dik,
haar kleur is roodachtig bruin met donkere strepen en vlekken. Maar het
bedrog is slechts schijnbaar, zoodra men haar aanraakt, blijkt zij een
verachtelijke, volkomen hulpelooze slak. Tilt men haar in het midden
met een stok op, dan loopen onmiddellijk haar opgevulde waterzakken
leeg en er blijft niets over als een leege, slappe, schrompelige huid.
Waarom is het leven van een zoo nederig organisme met zoo geringe
behoeften zoo veel waard? En met welk recht sluipt het rond tusschen
de koralen en wieren om een godvruchtig mensch den schrik aan te
jagen in de gedaante van zijn erfvijand?