Drie soorten bewonen onze wateren: de karetschildpad (Thalassochelis
caretta), de echte karetschildpad (Chelone imbricata) en de
soepschildpad (Chelone mydas). De beide laatsten zijn planteneters
en eetbaar, maar het vleesch van de eerste, die zich met visch en
weekdieren voedt, smaakt sterk. Daar bovendien haar schild van weinig
of geen waarde is, wordt er zelden jacht op gemaakt, ofschoon de
negers haar toch niet geheel versmaden. De karetschildpad is sterk
en weert zich flink als zij gevangen wordt. Zij schijnt ook een
grootere levenskracht te bezitten dan de andere soorten en dat zal
misschien diegenen verwonderen, die het hart van een groene schildpad
nog hebben zien kloppen, lang nadat het uit het lichaam was genomen,
en haar ledematen een uur nadat zij waren afgesneden bewegen.
De echte karetschildpad levert het schildpad voor den handel en is
zeer gezocht. Het vleesch bezit in hoogen mate den eigenaardigen
schildpadsmaak en is daarom ongenietbaar, maar de negers
waardeeren het bijzonder. Meer noordelijk gelooft men algemeen
dat het onder omstandigheden zeer vergiftig kan zijn. Men doodt en
slacht haar daarom zeer voorzichtig, want als een zekere klier in
den nek of schouder wordt geopend zou het gif zich in het vleesch
verspreiden. Ofschoon zich hier nooit een geval van vergiftiging
door schildpadvleesch heeft voorgedaan, nemen de negers toch steeds
dezelfde voorzorgsmaatregelen. Ook het vleesch van de lederschildpad
(Dermochelys coriacea), die van visch, weekdieren, schaaldieren
etc. leeft, is giftig, maar deze is in dit gedeelte van den Stillen
Oceaan zeldzaam, ofschoon zij wordt aangetroffen in Torresstraat.
In een standaardwerk over natuurlijke historie wordt verzekerd dat
de inboorlingen de platen schildpad van het schild van de echte
karetschildpad losmaken door op den rug van het dier een vuur
te stoken. "De platen kunnen dan gemakkelijk worden verwijderd,
men laat de schildpad loopen en na een poosje is zij opnieuw er van
voorzien." Dit is zonder eenigen twijfel een fabeltje, want de longen
van de schildpad liggen zoo dicht onder het schild dat zij zeker de
hitte niet zouden kunnen verdragen. Maar misschien vindt het verhaal
zijn oorsprong in het feit, dat het schild, na den dood van het
dier, wel eens boven een zacht vuurtje wordt gehouden, waardoor men
de platen makkelijker met een mes kan losmaken. Deze methode echter
wordt zelden toegepast, de beroepsjagers laten het werk òf aan de zon
over, òf begraven het schild in zuiver zand om de platen los te maken
wanneer verrotting is ingetreden. Het blootstellen aan het vuur toch
verslechtert de kwaliteit van het schildpad.
De soepschildpad, met haar dunne gezwaluwstaarte platen, is het
talrijkst en wordt voornamelijk als voedsel gezocht. Toch is niet
van alle exemplaren het vleesch genietbaar, oude mannetjes rieken zoo
sterk dat het er niet bij is uit te houden. Zelfs het goede vleesch,
hoe zacht en delikaat het ook moge zijn, wordt door vele Europeanen
niet gewaardeerd.
Belangwekkend is de wijze waarop het wijfje van de soep-schildpad
haar eieren legt. Haar "nesten" bestaan uit ondiepe kuiltjes in
het zand. Het merkwaardige is nu, dat zij den dag voor dat zij haar
gewichtige taak vervult, een groot aantal van die kuiltjes graaft. Of
zij dit doet met den bewusten opzet haar op de eieren beluste vijanden
te misleiden, of dat zij handelt uit die grilligheid, die ook andere
vrouwelijke wezens in dienzelfden toestand kenmerkt, weet ik niet. Maar
den volgenden dag graaft zij weer nieuwe kuilen, in enkele waarvan zij
haar eieren legt, waarna zij deze dichtvult en den bodem effent en glad
maakt. Is het nest ver genoeg buiten de hoogwatergrens zoo bedekt zij
het ook wel achteloos met gras en dorre bladeren. De zonnewarmte broedt
nu de eieren uit. Het graven dezer laatste, overbodige nesten heeft dus
blijkbaar een misleidende bedoeling. Toch is de list van de schildpad
niet geheel afdoend. Want hoe kunstig ook het ware nest werd verborgen,
het spoor er heen en er vandaan is even duidelijk als bij de andere,
nagemaakte en de kans om een echt nest te vinden is dus omgekeerd
evenredig met het aantal kuiltjes. Na een paar dagen echter heeft
de wind alle sporen uitgewischt en kan alleen een geoefend oog het
nest ontdekken. De negers onderzoeken alle waarschijnlijke plekken
met hun speer en hebben de ware meestal gauw gevonden.
Op een plaats waar de echte karetschildpad zeer talrijk is wijken
sommige exemplaren op merkwaardige wijze van deze gewoonte af. Op
verscheidene eilanden bestaat de bodem uit een conglomeraat van
koraalpuin, schelpen en zand. Hierin graven nu de schildpadden
cylindervormige schachten van ongeveer 18 duim diep bij een doorsnee
van 6 duim en met gladden loodrechten wand; geen mensch zou dergelijke
kokers zonder behulp van een bijtel kunnen maken. Of de dieren ze
graven met de voorpooten, of boren, of uitbijten weet ik niet. In
elke schacht leggen zij van 120 tot 150 eieren, die zij losjes met
het uitgegraven materiaal bedekken. Wanneer nu de jongen uitkomen
kunnen alleen de bovenste uit den kuil klimmen, de overige, verreweg
het grootste deel, sterft ellendig op de plek hunner geboorte die
tegelijk hun graf is. In de nabijheid zijn ook zandige stranden en
daar kweeken andere schildpadden op de gebruikelijke manier groote
gezinnen. Waarom nu enkele individuen zulk een moeite doen om, tegen
het natuurlijke instinkt in, de vermeerdering en instandhouding van
de soort te belemmeren, is raadselachtig. Bovendien worden honderden
van deze abnormale nesten gegraven op plekken buiten de hoogwatergrens,
waar het gras zoo dicht is dat het een haast ondoordringbaren wal vormt
voor de jongen die het geluk hebben uit den kuil te komen en nu naar
zee willen. Neemt de Natuur zelf hier, bevreesd voor overbevolking
van de "nimmer verzadigde zee" haar toevlucht tot Malthusiaansche
praktijken? Hoe dit zij, niettegenstaande deze positieve beperking,
worden de jongen bij myriaden voortgebracht.
Op ditzelfde eiland kan men de geraamten van 14 groote soepschildpadden
op een rij zien liggen. Een tijdelijk bezoeker had, verbaasd over
het enorme aantal schildpadden en zich van een goeden voorraad
vleesch willende voorzien, er veertien omgekeerd om ze later te gaan
halen. Omstandigheden beletten hem terug te keeren en de beesten,
niet in staat zelf weer op de been te komen, stierven.