De negers hier kennen geen vrees voor haaien, ofschoon zij wel
alle mogelijke voorzorgen nemen om krokodillen te vermijden,
wanneer zij een inham of kreek oversteken. Hun onverschilligheid
voor haaien berust op het geloof dat een haai nooit een levend
mensch aanvalt. En werkelijk schijnt dit zelden voor te komen,
niettegenstaande de negers bij de bêche-de-mer-vangst soms uren
achtereen te water blijven. Veel grooteren angst hebben zij voor
den monsterlijken Promicrops itaiara (Engelsch: groper; taster),
die, roerloos liggend tusschen de koraalbrokken van het Barrier-rif,
alles bespringt wat in zijn nabijheid komt en ook menschen vervolgt
met een volharding die vreemd is aan den schichtigen, achterdochtigen
haai. Onlangs werd een sterke negerjongen bij het duiken door zulk
een visch aangevallen. Het beest had het hoofd van den jongen in
zijn wijden muil en wondde hem ernstig aan hoofd en schouders, maar
gelukkig wist de jongen zich nog los te worstelen.
De kapitein van een bêche-de-mer-schoener roeide eens in een bootje
langs een rif niet ver van Dunk-eiland, terwijl verscheidene van zijn
zwarte manschappen aan het duiken waren. Plotseling werd een van hen
door een haai aangegrepen en zoo vreeselijk toegetakeld, dat hij binnen
weinige oogenblikken stierf. Ofschoon de kapitein en drie van zijn
kameraden vlak bij hem waren en allen voorzien waren van zwembrillen,
terwijl de zee kalm was en het klare water nauwelijks tien voet
diep, had toch niemand het beest, dat Jimmy's dood veroorzaakt had,
gezien. Nu was jaren geleden een landgenoot van Jimmy eveneens door
een haai gebeten, maar, schoon voor zijn geheele leven verminkt, nog
ontkomen. Door een zonderlinge redeneering kwamen daarom de makkers
van Jimmy tot de overtuiging dat beide ongelukken, ofschoon er een
paar jaren tusschen lagen en de plekken waar zij plaats grepen 200
mijlen van elkaar verwijderd waren, door eenzelfden geheimzinnigen
"duvel-duvel" van de zee veroorzaakt waren. Zoodat ook dit voorval
hun geloof in de onschadelijkheid van haaien in het algemeen in het
minst niet schokte.
De haaien bij onze eilanden zien er overigens niet tegen op om dieren,
grooter dan een mensch, aan te vallen. De eilandjes Mung-ungnackum
en Kumboela zijn slechts door een ondiepe straat van een halve mijl
van Dunk-eiland gescheiden. Bij zeer laag water komen er twee bruggen
bloot, een zandbank en een breed, vlak koraalrif, waartusschen een
lagune, waarin het water niet dieper is dan zes of zeven voet. De
paarden op ons eiland nu hebben de gewoonte bij zulk een gelegenheid
een uitstapje naar Kumboela te maken; soms zelfs is hun zucht naar
een verzetje zoo sterk dat zij zelfs bij vloed overzwemmen. Eens
was er een paard op den terugtocht van zulk een uitstapje; het water
boven de zandbank stond drie voet. Toen het dier het strand naderde
schoot plotseling een haai uit de lagune op hem af en snapte naar
een van zijn voorpooten. Het paard spartelde en sloeg toen met zulk
een kracht uit, dat de haai als een voetbal uit het water vloog. Hij
was vijf à zes voet lang. Het paard droeg nog weken lang den indruk
van een beet in zijn hiel.
Een ander maal, toen een van onze meest geliefkoosde honden in een
over-ijverige maar belachelijke poging om een of anderen visch te
pakken, overboord sprong, zagen wij even achter hem de rugvin van
een haai boven water uitsteken. Blijkbaar wachtte het ondier tot
de onbekende indringer op zijn gebied vermoeid zou worden. Toen wij
echter naderden ging hij een eind verder en na een kogel in den rug
te hebben ontvangen, verdween hij geheel en al.