In de onderzeesche koraalgrotten vindt men twee of drie soorten
zee-egels (Echinus), met lange dunne stekels rond hun bolle
lichamen. Een er van (Diadema setosa) is gekenmerkt door wat een
tintelend blauw juweel gelijkt en naar men meent het oog is en dat
zijn glans verliest zoodra het dier uit het water wordt genomen. Een
andere heeft een middelpunt van koraalrood. De zwarte stekels,
ongeveer tien duim lang, zijn buitengewoon scherp en ook buitengewoon
broos. Sommigen beweren dat deze dieren het vermogen bezitten deze
stekels den aanvaller tegemoet te werpen, althans bij het grijpen
worden de vingers reeds gestoken, terwijl de egel schijnbaar nog
buiten hun bereik is. Met eenige voorzichtigheid kan men ze echter
zonder gevaar opnemen.
De zee-egel is een wonderlijk, mooi en interessant dier en bovendien
in het goede seizoen een uitstekend voedsel. Om hem als zoodanig te
waardeeren hale men hem met een visch-spiets uit zijn blauwe koraalgrot
te voorschijn, ontdoe hem, maar zonder de vingers te gebruiken, van
zijn stekels en snijde hem middendoor. Een eenigszins vies uitziend
vleesch komt dan bloot. Maar de smaak, o die smaak! Hij overtreft
dien van de verrukkelijkste oester, heeft veel meer nog het zilte en
piquante van den oceaan.
Men zegt dat de zee-egel alleen van plantaardig voedsel leeft, maar
mijn eigen waarnemingen hebben mij tot de meening gebracht dat hij
toch ook, hetzij voor voeding of voor de opbouw van zijn geraamte,
afhankelijk is van sommige bestanddeelen der koralen. Is hij het
niet die de koraalwallen afbreekt en verpoedert? Hij heeft een paar
wonderbaarlijke kaken, bij de ouden bekend als de "lantaren van
Aristoteles." Zij bestaan uit vijf ribbels van een beenachtige stof
met emaille kanten, die in het midden van een schijfvormigen mond over
elkaar schuiven. Met dit prachtige werktuig breekt en bijt en knaagt
hij de koralen stuk. Andere wetenschappelijke waarnemers verzekeren
dat de Echinus een zuur vocht afscheidt, waarmee hij de rots verwoest
en dat de kaken slechts dienst doen om het puin te verwijderen. Maar
hoe is het dan te verklaren dat de lichaamsholte dikwijls opgevuld
is met kleine schilfers koraal? Misschien dat de wonderlijk zachte en
eigenaardige smaak wel is toe te schrijven aan de assimilatie der kalk.
Zoo zien wij dan de koraalrif-bouwende poliepen rusteloos in de weer
aan hun geweldige bouwwerken, terwijl terzelfder tijd andere wezens
even vlijtig bezig zijn ze weer af te breken om er den vasten grond
der continenten van te vormen.