VIERDUIZEND TEGELIJK.

In het heldere water van Brammo-baai dreef eens een groenachtig zwart

voorwerp, van ongeveer een meter breed en anderhalf lang. Het bewoog

zich langzaam maar met vasten koers evenwijdig aan de kust. Wij voeren

er op af en gebruikten, toen wij vlak bij den vreemdsoortigen visch

waren, de bootshaak bij wijze van speer. Maar tot onze verbazing ging

de bootshaak dwars door het vermeende lichaam heen en vier of vijf

doode vischjes van ongeveer acht duim lang, kwamen boven drijven. Wij

begrepen dat, wat wij voor één visch hadden gehouden, een geheele

school van dicht tezamengebalde vischjes was. Maar zóó dicht waren

zij opeen gepakt, dat het zonder scherp toezien niet mogelijk was de

afzonderlijke leden der groep te onderscheiden. En zoo innig was hun

verbinding, zoo overeenstemmend hun instinkt of wil, dat zij als het

ware slechts één geest en één hart schenen te bezitten. Hier waren

niet veertig of vierhonderd, maar minstens vierduizend afzonderlijke

wezens, die zich tezamen als één individu gedroegen. Voor een

oogenblik uiteengedreven door bootshaak of roeispaan, sloot zich

de massa onmiddellijk en automatisch weer aaneen om haar zwaaienden

koers weer te vervolgen.

Bij onderzoek bleek dat de gedoode exemplaren op lampreien geleken,

zij waren olijfgroen met bleekgele strepen en teekens. Elk van de

beide kieuwspleten eindigde in een tweekantige spoor, doorschijnend

als glas en zoo scherp als alleen de Natuur haar wapens weet te

maken. Zonder twijfel hadden wij te doen gehad met een school van

de gestreepte katvisch (Plotosus anguillaris, behoorende tot de

Meervallen, Siluridae).

Bekentenissen van een strandvonder: Het leven op mijn tropisch eiland · 第 33 / 97 题