Pas op den steenvisch (Synanceia horrida), den adder der zee,
ook wel genaamd zeeduivel om zijn kwaadaardigheid, of wratkop om
zijn afzichtelijkheid, of leeuwvisch wegens zijn gewoonte om zich
in verborgen holen te verschuilen, of zeeschorpioen wegens zijn
giftigheid. Ruw en stekelig van uiterlijk, met bosjes en slierten
zeewier op den rug, nauwelijks te onderscheiden van de rotsen waar
hij tusschen schuilt, is hij bovendien bewapend met stekels, die in
het verschrikkelijkste vergif gedompeld zijn. Er zijn vele visschen
die pijnlijke en zelfs gevaarlijke wonden kunnen veroorzaken, maar
geen wordt meer gevreesd dan de afzichtelijke steenvisch. Gelukkig is
hij betrekkelijk zeldzaam en zelden ook ontsnapt hij aan de scherpe
waarneming der negers als hij zich tusschen het wuivend zeewier
beweegt. Met een grijns van voldoening wordt hij dan gespietst en,
omhoog gestoken op een rots, gesteenigd tot er niets meer van over
blijft. Totale vernietiging is volgens de negers noodzakelijk,
zal een door het beest veroorzaakte wond geen kwade gevolgen
hebben. Bovendien moet een neger, die het ongeluk heeft gehad met den
steenvisch in aanraking te zijn geweest, het gewonde lid een geheelen
dag in stroomend water houden. "Stel," aldus beschrijft een neger de
uitwerking van een verwonding, "stel, dat kerel-stekel ga door je voet,
jij schreeuwen heelen nacht als een stier; been van jou zwellen op,
dan zweeren, zou je doodgaan."
De wratkop heeft in zijn karakter veel van de adder. Hij is niet
heftig en verraadt zich niet door een beweging. Als men hem niet
aanvalt of onverwachts op hem trapt is hij even onschuldig als
een kanarie. Maar waarom dan is hij met zulk een verschrikkelijke
bewapening uitgerust? Een vol dozijn van de scherpste stekels bezet
den rug, elk verborgen in een ruw-kartelig uitsteeksel, dat, als de
visch in zijn natuurlijk element is, haast niet van zeewier valt te
onderscheiden, vooral wanneer de visch--wat hij echter eerst op rijper
leeftijd doet--ook aan echte algen toestaat zich op zijn lichaam vast
te hechten. Elke stekel, van opaal-blauwe kleur, is omgeven door een
zak met een kleurlooze vloeistof, die het vergif heet te bevatten,
en die als de stekel wordt gebruikt, tevens wordt uitgespoten. Aan
de zijden en in geringer aantal ook aan de buik, bevinden zich
onregelmatige rijen van kratertjes, die eveneens over een afstand
van meer dan een voet een melkachtige vloeistof kunnen uitspuiten. Op
de punt van een speer gestoken, schokt het dier krampachtig en spuit
naar alle kanten en over het geheele lichaam dit vocht uit, dat zoo
scherp moet zijn als vitriool.
Met zijn ingedeukten kop, zijn grotachtigen, van binnen afschuwelijk
groenen muil, zijn stekels en tanden, zijn uitbarstingen, zijn groote
waaiervormige borstvinnen, kortom zijn geheele wanstaltigheid, verdient
de steenvisch ten volle den naam "Horrida" (afschrikwekkend). Waarom
en waartoe bestaat zulk een monster in deze "beste van alle
werelden?" Maar voor de Chineezen is hij een lekkernij, zij betalen
er met plezier f1,50 het pond voor; men zegt dat de smaak op dien
van krabben gelijkt.