Geen vogel, die hier meer de aandacht trekt dan de witte muskaatduif
of Torres-straat-duif (Myristicivora spilorrhoa), die in den broedtijd
het eiland bezoekt. De aardige, sterke vogels zijn wit, een gedeelte
der vlerken is zwart en hun dons bleekgeel. Bij duizenden komen zij
in de eerste week van September uit het Noorden om in Maart weer te
vertrekken. Zij komen op het eiland om er te rusten en te broeden,
maar overdag zoeken zij op het vastland hun voedsel. In groepjes
van vier of vijf, soms wel tot honderd toe, maar meestal van dertig
à veertig, vliegen zij tusschen het vastland en de eilanden heen en
weer. Tegen het einde van den broedtijd, wanneer hun aantal verdubbeld
is, ziet men een uur voor zonsondergang en een paar minuten er na een
eindeloozen trek van ontelbare vogels over zee naar hun woonplaatsen
op de eilanden vliegen. De boomtoppen zwiepen onder hun gewicht
en men hoort niets dan een onafgebroken geruisch van suizende of
klapperende wieken, van het koe-hoe-oe der mannetjes en het kraken
en breken der twijgen wanneer een vlucht neerstrijkt of plotseling
weer opvliegt. Maar zoodra de duisternis valt verbergen zij zich in
het dicht gebladerte der wildernis, langzamerhand bedaard hun druk
gekoer, tot men ten slotte niets meer hoort dan het eentonig ruischen
der zee. Ik schat het aantal der zoo dagelijks heen en weer vliegende
duiven op minstens 100000, maar hoe groot dit cijfer ook lijkt, het
is gering vergeleken bij de myriaden vogels die in vroeger tijden
de eilanden bezochten. Pioniers weten te vertellen van de dagen
toen de negers nog geregelde strooptochten uitrustten en met kano's
vol vogels en eieren terugkeerden, die dan door de oudere bevolking
werden verslonden, terwijl de jongeren zich van de begeerde lekkernij
moesten onthouden, omdat, volgens het zeggen, anders de duiven allen
zouden wegvliegen om nooit meer terug te komen. Toch schijnen deze
meedoogenlooze jachten het aantal vogels niet merkbaar te hebben
doen afnemen, maar het was de komst van de blanken met hun wel minder
moorddadige, maar meer zenuwschokkende geweren, die de vogels verdreef.
Men moet uit het bovenstaande niet de gevolgtrekking maken dat de
duiven in Noord-Queensland talrijker zijn vertegenwoordigd dan andere
vogelsoorten. Integendeel, vele soorten zouden, als zij de gewoonte
aannamen om zich evenals de duif tot zwermen te vereenigen, minstens
even talrijk blijken, zoo bijvoorbeeld de geelgekamde kakatoe, de
kalkoen, het loophoen, welke vogels, doordat zij zich over een groot
oppervlak verspreiden, veel minder de aandacht trekken.
In populaire werken over natuurlijke historie worden omtrent de witte
muskaatduif de meest tegenstrijdige dingen verteld en ik wil daarom
ook de resultaten van mijn eigen jarenlang voortgezette waarneming
meedeelen.
Het voedsel van de witte muskaatduif is zeer verschillend en bestaat
volstrekt niet uitsluitend uit nootmuskaat. Alle mogelijke noten
en zaden en zelfs geheele vruchten worden verorberd en men verbaast
zich over het gemak waarmede pitten van betrekkelijk enormen omvang
worden ingezwolgen en, nadat het vruchtvleesch verteerd is, weer
worden uitgescheiden. Wanneer de vogels, van het vastland komend,
op het eiland neerstrijken klettert een hagelbui van noten en zaden
door het gebladerte heen op den grond onder iederen boom waar zich
een zwerm neerzet. Het schijnt dat dan een deel van den vollen krop
wordt geledigd, terwijl de rest het gewone verteringsproces volgt. Op
deze wijze heeft er dus door tusschenkomst der duiven een voortdurende
uitwisseling van zaden plaats tusschen het vastland en de eilanden.
De witte muskaatduif bouwt een ruw, plat nest van twijgen, soms ook van
blaren, op allerlei soorten van boomen en op alle mogelijke plaatsen
en niet uitsluitend in den nootmuskaatboom (Myristica). Gewoonlijk
broedt een paar twee, soms ook drie jongen, telkens een te gelijk
en voor elk ei wordt een nieuw nest gemaakt. Sommige duiven broeden
op den grond en hebben dan in het geheel geen nest, wel vormen zij
langzamerhand een walletje van uitgeworpen zaden, vooral nootmuskaat,
om zich heen. Persoonlijke proefnemingen hier ter plaatse hebben mij
tot de overtuiging gebracht dat de uitgescheiden nootmuskaten veel
minder kiemkracht bezitten dan de versch van den boom geplukte. De
zoo dikwijls herhaalde theorie, dat nootmuskaat, om goed te kunnen
kiemen, eerst een chemisch proces in de maag van de duif moet hebben
doorgemaakt, mist dus allen feitelijken grond. Het aandeel dat de
duif heeft in de voortplanting van den boom bepaalt zich alleen tot
het verplaatsen der zaden naar geschikten bodem.