De Moretonbaai-esch, waarin een spreeuwenkolonie huist, is tevens
de woonplaats van een paar geelgekuifde kakatoe's en van een paar
roodbruine zee-adelaars (Haliastur). De zee-arend, met zijn scherp
gekromden bek, zijn vreeselijke klauwen en gepantserde pooten, is de
vriend van alle kleinere vogels, die den diepsten eerbied voor hem
koesteren. Nooit tracht een zwerm hem met boos gekijf in vereenigden
aanval te verdrijven zooals den wreeden valk en den koenen havik. De
reden van deze bewondering en vereering bleef mij lang raadselachtig,
tot ik haar toevallig ontdekte. Twee dagen was het ruw weer geweest,
de blauwe baai was troebel van de opgewoelde modder en zelfs het
scherpe gezicht van den arend kon in het slijkerig water de visschen
niet onderscheiden, zoodat hij het visschen blijkbaar er aan gaf. Op
een klein, gedeeltelijk ontgonnen veldje achter ons huis zag ik hem
zwerven en rondscharrelen met meer dan gewone belangstelling voor
wat er op het drooge land te kijk is. In dezen tijd van het jaar nu
zijn de groene slangen, die op kleine vogels en kikkers azen, zeer
talrijk en de arend had klaarblijkelijk zijn gewone jachtterrein
verlaten om de slangen te brandschatten. Na gracelijk te zijn
neergeschoten op een laag boschje zag ik hem heenvliegen naar een
Baloghia, ongeveer 150 meter verder en door mijn telescoop volgde
ik hoe hij een kronkelende slang in stukken hakte en bij brokken van
driekwart meter verzwolg. Dit was de reden van het ontzag der vogels;
de arend verdelgde hun grootsten vijand, den groengelen moordenaar,
wiens kleur en gedaante zoozeer overeenstemt met die van bladeren
en dunne takken, dat hij hen steeds weer weet te verschalken. Maar
de groote, roode detective bespeurt hem op 50 en zelfs 100 meter
afstand. Met opgezette borstveeren zat hij roerloos op de uitkijk tot
na vijf minuten een lichte schok van den hals aanduidde dat hij iets
had gezien. Toen steeg hij op en schoot als een bliksemstraal neer
op het gebladerte van een dichte acacia, om met een tweede slang in
zijn klauwen naar zijn uitkijktoren terug te keeren. Tien minuten
later herhaalde zich het zelfde nog eens, daarna bleef hij nog een
twintig minuten rustig zitten en zeilde toen over de boomen heen weg
in de richting van zijn nest in den boom der socialistische spreeuwen.
Maar hoe scherp hij ook waarneemt en met welk een juistheid hij
zijn prooi pakt, toch onderscheidt hij niet van te voren tusschen
aannemelijk en niet aannemelijk voedsel. Meestal wordt alles wat
hij grijpt zonder nadere bezichtiging meegenomen. Heeft hij een
zee-stekelvarken (Diodon) met zijn korte scherpe pinnen gegrepen, zoo
laat hij het dikwijls reeds in de vlucht weer uit zijn klauwen vallen.
Wanneer er een school visch in onzen kuil in een hoek der baai is
verdwaald, kondigt de zee-arend, gezeten op een der hoogste staken, ons
steeds de vangst aan. Heeft hij zijn plicht als schildwacht vervuld,
zoo vliegt hij onder het uiten van zijn eigenaardigen snerpenden
kreet, naar een naburigen boom en wacht er zijn aandeel in den buit
af. Zoodra wij hem een visch toewerpen in het ondiepe water, zwiert
hij naar omlaag en grijpt haar. Van het vlakke strand evenwel kan hij
ze niet grijpen. Twaalf keer achtereen trachtte hij eens te vergeefs
een op het strand geworpen baardvisch te pakken, eindelijk streek hij
neer en at zijn prooi op de plaats zelf op. Bij volgende proeven bleek
ons dat een prooi zich ongeveer acht duim boven een niet-meegevend
vlak moet bevinden wil de arend hem in volle vlucht kunnen grijpen,
zonder gevaar te loopen zijn vleugeltoppen te beschadigen.