VLAMMENDE OOGEN.

Misschien de meest belangwekkende en onderhoudende vogel van het

geheele eiland is de wever of zangspreeuw (Calornis metallica), door de

negers "Tee-algon" genoemd. Langs de geheele kust van Noord-Queensland

is hij vrij algemeen, overal sticht hij op afstanden van een paar

mijl zijn socialistische kolonies. Op Dunk-eiland zijn er zelfs vier

en ofschoon de spreeuwen maar iets langer dan een half jaar bij

ons verblijf houden, behooren zij toch tot die weinige vogels die

vaste woonplaatsen hebben. In groepen van twee tot zes bouwen zij

in een hoogen boom ongeveer tweehonderd nesten bijeen. Deze nesten,

vervaardigd uit ranken, slingerplanten en gras, zijn overdekt en hebben

den zooveel mogelijk verborgen ingang terzijde. Elken Augustus komen

de vogels uit het noorden terug en zijn dan tot hun vertrek in het

midden van Maart voortdurend in de weer. Oude nesten moeten worden

hersteld en nieuwe gebouwd met het oog op de toenemende bevolking. Ook

moeten geheele ladingen vruchten, zaden en bessen uit de wildernis

naar de kolonie worden gesleept. De glanzende calornis, zwart met

een purperen en groenen gloed, doet denken aan een zeepbel met zijn

wisselende tinten en weerschijn. Maar bovenal is hij aantrekkelijk

door zijn roode oogen, die gloeien als gepolijste edelsteenen en wier

wonderbare glans aanduidt dat zijn leven een en al gloed en vuur is.

Als zij bij twintig of dertig tegelijk opvliegen van een Baloghia

en suizend op de wildernis neerschieten lijken zij levende

zonneglanzen. Levendig, vurig, altijd onder hoogdruk, zijn

zij voortdurend bezig. Luidruchtig en haastig komen en gaan hun

zwermen. Arbeid, en haastigen arbeid is noodig, want hun verkwisting

is buitengewoon. Wanneer een zwerm weer opvliegt uit de wildernis,

elk met een bes in den snavel en tegelijk schril schreeuwend, gaat

er heel wat van de lading verloren onderweg en ook bij het voeden

der schreeuwende jongen valt er menig zaadje op den grond. En op deze

wijze vervullen zij onbewust de taak het zaad of de bessen van tal van

boomen in goede aarde te brengen. Ook andere vogels hebben deel aan

deze verspreiding, maar geen doet het zoo systematisch en zoo openlijk.

Onder den boom waarin de kolonie verblijf houdt ligt steeds een

tapijt van afval van verscheidene duimen dik. Oude nesten, stukken

ongebruikt bouwmateriaal, de nootmuskaat met zijn koraalroode foelie,

de blauwe quandong, de overblijfselen van vijgen, bessen, peperkorrels

en tomaten, de harde zaadhulsen van de driebladige magnolia, dit alles

vormt een mengsel van plantaardige stoffen als men onder geen anderen

boom zal aantreffen. De Natuur is een wonderlijke huishoudster. Midden

in het bosch doet zij zoodoende een oase van planten ontspruiten die

elk hun oorsprong aan de glanzende calornis te danken hebben.

Men moet niet denken dat elk geluid van deze vogels, in glans en vlucht

symbolen van het licht, schril en doordringend is. Als zij hun jongen

voeden snappen zij voortdurend in verschillende zachter klanken en

soms verdrijft een mannetje wel eens den tijd met zingen. Dan stralen

zijn vlamroode oogen, hij werpt den kop achteruit en om zijn anders

satijngladden hals rijst een schitterende kraag overeind. Zijn zang

gelijkt op dien van een wel-onderwezen kanarie, nog meer fluitend,

maar korter. Doch men moet geduld hebben en lang en stil wachten eer

zij hun schuwheid overwinnen en zich doen hooren.

Bekentenissen van een strandvonder: Het leven op mijn tropisch eiland · 第 23 / 97 题