Een andere vaste bewoner van het eiland is de vlaggen-drongo
(Dicrurus). Hij is glimmend zwart, met een metaalglans op de
schouders, een langen staart en scherpen bek. Brutaal en twistziek,
waarschuwt hij met zijn kijvend geluid zoodra er een havik boven de
Baloghia's zweeft. Hij is de branie der wildernis, die zelfs vogels,
die in kracht en snelheid verre zijn meerdere zijn, overbluft en
zijn wetten voorschrijft aan al wat vliegt. Wanneer zijn nest op
den laagsten tak van den Moretonbaai-esch vol hongerige jongen zit
is zijn drukte belachelijk. In gewone omstandigheden vindt hij het
beetje voedsel dat hij noodig heeft zonder veel moeite, maar wanneer
hij een gezin te verzorgen heeft, moet hij er druk naar zoeken op alle
mogelijke plaatsen. Zich vastklemmend aan de schors van de Baloghia,
den staart als een waaier uitgespreid tot steun, onderzoekt hij
zorgvuldig iedere holte en vliegt ieder oogenblik naar den esch terug
met stukjes gekrulde schors waarin kevers, poppen of spinnen huizen.
Met het losse einde van de schors in den bek, rukkend en fladderend,
zijn staart als hefboom en den stam als steunpunt gebruikend, helpt de
drongo, onder het uiten van onbetamelijke vloeken, den esch zich van
zijn versleten opperhuid te ontdoen en de boom beantwoordt dezen dienst
door hem een veilige nestelplaats te bieden op zijn brooze twijgen.
De drongo is een vogel met stemmingen. Maandenlang zwijgzaam en traag,
wordt hij in den broedtijd rumoerig en levendig, niet alleen de
eerste om voor de aanwezigheid van een valk te waarschuwen, maar ook
de stoutmoedigste bij het verjagen van dien algemeenen vijand. In
dien tijd onderscheidt hij zich ook door het uitvoeren van een
acrobatische toer in de lucht, ongeëvenaard in gratie en handigheid
en kenmerkend voor zijn levensvreugde en vervoerenden hartstocht. In
één machtige stijging verheft hij zich jubelend bijna loodrecht tot
hoog boven de boomen en laat zich dan, met de vleugels boven den rug
stijf saamgeklept, plotseling als een geveerden zwarten klomp naar
omlaag vallen, tot hij, vlak bij den grond, weer opzwaait naar een
rustplaats, waar hij met knikkenden kop en wippenden staart praalt
met zijn volbracht kunststuk.
Ofschoon zijn geluid niet vloeiend is, heeft de drongo toch geen
weerga, wat het bijzondere karakter betreft van de klanken waarover
hij het uitsluitend auteursrecht bezit. De schrille, afgebroken
schreeuw die zijn acrobatische voorstellingen begeleid, de onderdrukte,
tinkelende genotsklanken, zijn kibbel-tonen als van brekend porcelein,
zijn hoog en schel gekijf tegen zijn vijanden en het weeke trillende
tjilpen en fluiten wanneer zijn jongen voor het eerst uitvliegen,
al deze geluiden, eenig en geheel verschillend van die der andere
vogels, wijzen op het bijzondere karakter van dit dartel lid der
kraaienfamilie.