HET LOOPHOEN.

Het gekakel van het loophoen (Megapodius duperreyi) hoort men den

geheelen dag en bij tusschenpoozen ook des nachts. Daar het hoen zelden

uit de schaduw der wildernis komt, is zijn gezicht geheel en al gewend

aan het getemperde licht en de duisternis die daar heerscht en kan

het er de insekten, die zich onder de bladeren, in rottend hout of

in den vochtigen grond verbergen, gemakkelijk vinden. Wanneer men

ziet met welk een volharding de grond door dezen sterken en steeds

bezigen vogel wordt omgeharkt, verbaast men er zich over dat er

eigenlijk nog larven en kevers, duizendpooten, wormen, schorpioenen

en spinnen overblijven, om hun soort in stand te houden. Overdag houdt

het loophoen zich dikwijls stil, maar maakt toch af en toe een geluid

dat wij met eenige welwillendheid kraaien zouden kunnen noemen.

Het hoen geeft blijken van een verwonderlijk verstand door de wijze

waarop het partij trekt van de warmte, ontstaande door het rotten

en broeien van doode planten en bladeren. Lang voor de scherpzinnige

Chineezen kippen- en eendeneieren in kunstmoeders uitbroedden, waren

deze inrichtingen al bij de struikhoenders bekend. Een aantal vogels

stapelen te samen een hoop op van verscheidene wagenvrachten van

het rottend materiaal, maar elk schijnt toch in deze coöperatieve

broedmachine een afzonderlijk gedeelte voor haar eigen eieren te

bezitten. De kuikens komen geheel beveerd uit den hoop te voorschijn

en zijn dan onmiddellijk in staat in hun eigen onderhoud te voorzien;

soms vindt men pas uitgekomen kuikens op grooten afstand van de

naastbijzijnde broedplaats druk aan het krabben en bij nadering ziet

men ze met een merkwaardige snelheid en kracht vluchten. Ook de wijze

waarop de bergen worden opgestapeld getuigt van veel overleg. Op een

bijzonder wilde plek van het eiland bevindt zich zulk een stapel

geheel tusschen geweldige rotsblokken besloten. Het is onmogelijk

dat de vogels hier den hoop bijeen konden krijgen door krabben

en voortschoppen op het terrein zelf en daar zij het materiaal

ook nooit in den bek dragen scheen het bestaan van den hoop mij

onverklaarbaar. Maar eindelijk ontdekte ik dat twee der rotsblokken,

die naar elkaar toe helden, een natuurlijke geul vormden, waardoor het

meerendeel van het materiaal naar beneden gezonden was. Als de regen

en het gebruik den hoop weer hebben doen slinken wordt er telkens

weer nieuwe voorraad naar de geul gebracht.

Het loophoen schijnt er plezier in te hebben uitzonderingen te maken

op de wetten waaraan andere vogels gehoorzamen. Niet alleen dat het

zijn eieren kunstmatig laat uitbroeien, zij zijn bovendien buiten

alle verhouding tot den omvang van den vogel. Ofschoon het loophoen

kleiner is dan het gewone huishoen, legt het eieren, die ongeveer

drie maal zoo groot zijn. Terwijl het gewicht van een casuaris-ei 1%

bedraagt van het gewicht van den volwassen vogel, is deze verhouding

bij het huishoen 3,5% en bij het loophoen niet minder dan 11,5%. Is

het dan te verwonderen dat de groote casuaris den hoornachtigen kop

zoo laag draagt en op zoo nederigen toon spreekt en dat het loophoen

zoo schreeuwerig en met zoo volmaakte onverschilligheid voor het

muzikaal gevoel van alle andere vogels optreedt?

Het loophoen vliegt slecht, ofschoon het toch voorkomt op eilanden

die drie, vier mijlen ver in zee liggen. Onlangs zagen een paar negers

aan de kust van het vastland een vogel op een afstand van twee en een

halve mijl laag boven het water vliegen, blijkbaar van Dunk-eiland

komend. Dicht bij land stortte het dier uitgeput in zee. Toen het

aanspoelde--een godsgave voor de negers--bleek het een loophoen te

zijn. Het feit werd in het kamp druk besproken, want niemand kon

gelooven dat een "kee-rowan" zoo ver kon vliegen.

Bekentenissen van een strandvonder: Het leven op mijn tropisch eiland · 第 21 / 97 题