EEN FUGA AAN DEN DAGERAAD.

Nog vóór er iets van den dageraad te zien is, wordt zijn nadering

reeds door het scherper en fijner waarnemingsvermogen van de kleine

pitta (Cephalopterus ornatus) [24] bespeurd. Eer nog de oostelijke

hemel begint te bleeken rept zich het woelig diertje aan den zoom der

wildernis en wekt alle slapers met zijn scherp, vragend fluiten. Het

ruikt de zon, zooals de geest van Hamlet's vader de morgenlucht. Zijn

toonzetting van het "Slapers, ontwaakt" echoot door de stilte in

scherpe, afgebroken klanken. Zelden hoort men hem midden op den

dag, maar 's avonds in de schemering en nog zeer laat doet hij zich

opnieuw hooren.

Als de morgenschemer spreidt zwelt het koor der pitta's aan tot een

zachte fuga van onafgebroken week sjilpen en fluiten. Waar men ook

staat, overal is men omringd door het gekabbel van een zoete melodie,

die uitvloeit in de stilte zoodra de schemer vlucht voor de eerste

schitteringen der koninklijke zon. Deze lieflijke zang is slechts

een algemeene uiting van vreugde over de terugkomst van den dag,

een wederkeerig herkennen en begroeten. Een paar minuten later zijn

de deelnemers er aan misschien de meest naijverige mededingers.

Bekentenissen van een strandvonder: Het leven op mijn tropisch eiland · 第 20 / 97 题