TROPISCHE BEDRIJVEN.

Het leven van den kolonist in tropisch Queensland verschilt niet

veel van dat van anderen die van hun grond moeten bestaan en zelfs

de wensch om het wat beter te hebben is geen monopolie van hem. Toch

trachten slechts weinigen, die dit leven eenmaal begonnen, er weer aan

te ontkomen. Want het bevredigt zin en neiging van zoowel gevoelige

als ongevoelige karakters. Het zich voegen naar het stadsleven en de

zondige jacht naar onbereikbaren rijkdom zijn vreemd aan de vrije,

lieflijke lucht die door de myriaden bladeren van het gebergte werd

gezuiverd. Soms tracht de kolonist de eentonigheid van zijn arbeid

te breken door studie of liefhebberijen. Ik kende er een, die nooit

naar zijn maïsveld ging zonder een vlindernet. Zijn nederig huisje

schitterde als een museum van natuurlijke historie. En bovendien

was hij nog begunstigd door de aanwezigheid van een lieflijken

waterval op zijn terrein. Dit juweel van schoonheid vooral was het

dat het doodskleed van zijn doffen geest ophief en kleur gaf aan zijn

leven en doen. Een ander verzamelde vogeleieren, een derde studeerde

plantkunde, een vierde beoefende de photografie. Elk vlocht op zijn

manier een keten van bloemen, die hem met de aarde verbond en ontdekte

dat zelfs het leven van een kolonist vol kan zijn van zoete droomen,

gezondheid en vrede. Maar de groote meerderheid schijnt zich toch met

zulk een ijver op den knipselberg der federale politiek geworpen te

hebben dat zij hoogstens nog maar de rafels van het gewaad der poëzie

kunnen grijpen. Anderen weer lezen veel en worden menschen van kennis

en kunde.

Zij, die het landleven vaarwel zeggen, doen het meestal om goud en

edelsteenen te gaan zoeken en komen, als zij hun brandenden hartstocht

daarvoor hebben bevredigd, weer kalm terug.

Zelden vindt men een verlaten huis. Zelfs de eerste ruwe woning van

den armoedigsten kolonist wordt met teedere toewijding ingericht. Het

is zijn "tehuis," armelijk misschien, maar toch zijn eigen, waarin en

waaromheen hij aantrekkelijkheden en schoonheden ziet, al ontwaren

anderen er niets dan eentonige, trieste hopeloosheid. Zijn klein

lapje grond mag ver en afgezonderd liggen, de Natuur koestert het

en schenkt haar gaven zoo rijkelijk dat er geen tijd voor tobben

overblijft. Zij weet niet wat luieren en tobben is. Verbrandt en

verwoest haar oorspronkelijke wildernis, onmiddellijk herbegint zij

den arbeid en als door tooverslag wordt het veld opnieuw met een

even rijken en weelderigen plantengroei overdekt. De kolonist heeft

haar slechts te leiden om voortdurend en overvloedig door haar van

voedsel te worden voorzien, al is er geen enkele tak van landbouw die

geheel zonder inspanning kan worden bedreven, behalve dan misschien

de vanille-kultuur, het oudste en meest poëtische bedrijf, waarbij

de mensch zelf een rol speelt bij liefde en huwelijk der bloemen.

Of de kolonist maïs, vruchten of koffie kweekt, dan wel als bijbedrijf

nog hout zaagt of varkens en kippen fokt, zijn leven heeft nooit groote

afwisseling. Wanneer hij, binnen den kring eener suikerfabriek wonend,

suikerriet verbouwt, behoort hij tot een andere soort van menschen,

waarover ik niet wensch te spreken. Ik wil het alleen hebben over

menschen die geen arbeid van anderen exploiteeren en geheel en al

zijn aangewezen op hun eigen geharde handen. De voorwaarden waarop

men land kan verkrijgen zijn een vijfjarig onafgebroken verblijf en

het aanbrengen van bepaalde verbeteringen. De verwerver, die meestal

niet in staat is loon te betalen, moet heel den ontginningsarbeid

alleen verrichten en juist daardoor groeit zijn liefde voor het land

dat langzamerhand zijn eigendom wordt, voortdurend. Beter dan wie ook

kent hij den arbeid, de toewijding, het leven, die er aan dien grond

werden besteed. In die eerste moeitevolle tijden wordt het land een

deel van hem zelf, en al laat hij misschien veel later het werk over

aan Chineesche arbeiders, zoo wordt hij toch nooit een in de stad

wonend landheer.

De nog niet tot volle ontwikkeling gekomen landbouwbedrijven in

noordelijk Queensland bevinden zich in een bijzonderen, onzekeren

overgangstoestand. Overal is men in hooge mate afhankelijk van

"gekleurden arbeid." Zelfs de armste kolonist gebruikt de hulp van

inboorlingen. Maar met het uitsterven van deze en de belemmering van

den invoer van gekleurde arbeiders komt de vraag aan de orde of de

kultuur van tropische producten nog winstgevend kan zijn, zonder dat

het publiek bereid is een prijs te betalen die beantwoordt aan het

gemiddelde loon van een blanken arbeider in Australië.

Tal van vruchten kunnen met betrekkelijk weinig arbeid in onmetelijke

hoeveelheden worden voortgebracht. Koffie is wel een der meest

vruchtbare kulturen. Van verschillende soorten van prachtig timmerhout

is de voorraad onuitputtelijk. Hoenders en varkens vermenigvuldigen

zich buitengewoon sterk. De handel in vruchten echter, behalve die in

bananen, is veranderlijk en onveilig. De markten zijn ver en onzeker,

de middelen van verkeer nog onvolmaakt. Velen verzekeren dat nog niet

de helft van de ananassen en sinaasappelen en nog geen honderdste

gedeelte van de mango's van Noord-Queensland geconsumeerd worden.

Voor de koffiekultuur is goedkoope arbeid een wezenlijk vereischte en

zij die de inboorlingen op oordeelkundige wijze weten te gebruiken

maken goede winst. Een koffieplantage, met haar ordelijke rijen

planten, wier glanzig groen gedurende een korten tijd getooid

is met teerwitte, zoetgeurende bloemen en wier takken beladen

zijn met groene, bruine en roode boonen, biedt een aangenamen,

schilderachtigen aanblik. In vergelijking met de wildernis ziet een

koffieplantage er uit als een tuin. Maar het plukken der boonen is

een langzaam en eentonig werk en ook onaangenaam voor hen wier huid

gevoelig is voor de aanvallen van groene mieren. Daarop volgen de

verschillende bewerkingen: de verwijdering van het vruchtvleesch,

eerst machinaal en tenslotte door het laten gisten van de nog aan

de boon hangende slijmerige stof; het drogen in de zon in houten

bakken of op kleeden; het verwijderen van de omhullende huid;

het ziften en eindelijk het polijsten. Weten de drinkers van het

geurige en opwekkende vocht wel hoeveel arbeid en zorg er aan de

koffie wordt besteed? Een paar boonen, tijdens het langzame proces

van het drogen door honingdauw aangetast, kunnen het fijne aroma van

een geheele partij bederven. Bij de koffiekultuur gaat het als bij

zoo menigen anderen tak van landbouw in Australië: de menschen die

er zich mee bezig houden hebben voor het meerendeel hun kennis door

persoonlijke ervaring ter plaatse opgedaan. Lezen en de raadgevingen

van deskundigen, gepromoveerd in landen, waar het klimaat geheel

anders en de arbeid goedkoop is, zijn niet voldoende; in de harde

school der eigen ervaring moet de planter alle moeilijkheden leeren

overwinnen. En dan, als hij eindelijk de geheele kultuur beheerscht

en, trots op zijn zelfverworven bekwaamheden, zijn goed en zuiver

product op de markt aanbiedt, komt hij tot de ontdekking, dat de

verbruikers zijn artikel met wantrouwen en zelfs met afkeer beschouwen

en verwachten dat hij het eerst behoorlijk zal vervalschen. De geur

van goede koffie is den gewonen koffiedrinker volkomen onbekend en

alleen de vervalschte waar houdt hij voor echt. Het is hetzelfde

geval als bij de goede druivenbrandewijn, die men in Victoria bereid

en dien de drinkers van een geïmporteerde vloeistof, die uit één deel

cognac en drie deelen spiritus bestaat, weigeren als echten brandewijn

te erkennen. Wanneer koffie niet modderig is en niet een eenigszins

walgelijken smaak heeft, wordt zij dadelijk verdacht en vandaar dat de

fijne aromatische smaak en geur van het zuivere product slechts aan

zeer enkelen bekend is. Trouwens, koffie en evenzoo de Australische

wijnen en spiritualiën, zijn in Australië dan ook in het geheel geen

eigenlijke volksdranken en zullen het ook nooit worden, zoolang het

publiek de voorkeur geeft aan uitheemsche twijfelachtige producten

en de fabrikanten en handelaars de eigen inlandsche vervalschen.

Doch er zijn nog talrijke andere takken van tropischen landbouw waarop

de kolonist zich kan toeleggen. De kultuur van rubber, katoen, rijst,

tabak en vezelplanten bloeit en ook met gember, sommige specerijen

en geneeskrachtige planten kan winst worden behaald. Ook boter, die

volkomen geschikt zou zijn voor uitvoer, wordt in tropisch Queensland

geproduceerd.

Zoolang de banaan blijft groeien als thans behoeft geen sterveling

gebrek aan gezond en krachtig voedsel te lijden. En toch, zoo algemeen

de banaan ook is, is zij toch een curiositeit in de plantenwereld. Een

schrijver zegt: Zij is geen boom, geen palm, geen struik, geen kruid,

maar alleen een overblijvende plant in de gedaante van een boom. In

Queensland komen drie, misschien meer, soorten voor. Een er van schiet

met een opmerkelijke snelheid een roodachtigen stam tot een hoogte

van 20 à 30 voet op, draagt bladen van 15 voet lang en 2 voet breed,

kleine bloemen en bundels van dwergvruchten met weinig zaden. De kracht

van deze plant schijnt te worden verbruikt tot het voortbrengen van

haar rijzige, trotsche gedaante, die dan ook zoo schoon is, dat men

haar het ontbreken van eetbare vruchten gaarne vergeeft.

De meest verspreide van de gekweekte soorten, de vermaarde Musa

Cavendishii, heeft behalve haar breede bruingespikkelde bladen,

weinig gracelijks. Hier wordt alle levenskracht besteed aan een

verbazingwekkende productiviteit. Negen à tien maanden na planting

van den wortelstok draagt de plant onder gunstige voorwaarden een

vruchtbundel van 120 tot 160 pond, omvattende niet minder dan 48

dozijn bananen. Om het afbreken van dezen tros te voorkomen moet

de plant met een stok worden ondersteund. Nog voor de vrucht tot

volkomen ontwikkeling is gekomen verschijnen reeds nieuwe scheuten

uit den wortel. Elke scheut draagt echter slechts eenmaal en wordt na

het plukken der vrucht afgesneden. Vijf tot zeven jaar gaat dit zoo

door; dan is de kracht van den grond, althans voor de bananenkultuur,

uitgeput en moet men elders nieuwe wortelstokken planten. Het land

is dan echter nog uitstekend geschikt voor suikerriet. Het rijpen

der vruchten geschiedt niet aan den boom maar eerst na het plukken

in een koele, schaduwrijke en goed doorluchte ruimte. Eerst daar

krijgt zij haar heerlijk aroma en smaak, aan den boom gerijpt mist

zij deze, tenminste in Noord-Queensland. Het schijnt dat de banaan,

door lang voortgezette kultuur, geheel van den mensch afhankelijk

is geworden. Een verlaten bananenplantage verdwijnt spoedig, want

het weinige zaad dat nog wordt voortgebracht komt zelden op en de

wortelstok, aan zijn lot overgelaten, ontaardt gauw. Jammer dat de

bijzondere geurigheid van deze verrukkelijke vrucht door een zeereis

zoo zeer vermindert.

Van de betrekkelijk schaarsche suikerriet-verbouwers in

Noord-Queensland zijn een belangrijk percentage onafhankelijk en

velen welgesteld, slechts weinigen hebben schipbreuk geleden en

nog steeds worden groote fortuinen op de suikerplantages verdient,

evenals in de bananenkultuur en die van andere tropische vruchten. Een

bewijs hiervoor is zeker wel het feit, dat partikuliere ondernemingen

zooveel kapitaal steken in den aanleg van trams en havens. Als de

kust van Noord-Queensland niet binnen enkele jaren een talrijke,

welvarende en tevreden bevolking telt zal het niet zijn doordat de

voorwaarden er toe ter plaatse ontbreken, maar doordat de bevolking

in andere streken nog te weinig naar de producten van het land vraagt.

Alle bovengenoemde bedrijven (behalve de suikerrietkultuur)

had ik op mijn eiland kunnen beoefenen. Bodem en klimaat zijn er

buitengewoon gunstig, zoo niet volmaakt, terwijl ik nog het voordeel

had kunnen hebben van een directe verbinding met de markten. Maar

mijn karakter, die "aard dien mij mijn moeder gaf", dreef er mij toe

alle verlokkingen der fortuin te minachten en met vreugde te leven in

omstandigheden waaronder maar weinigen tevreden zouden blijven. Toch

werden er nog een paar acres wildernis door mij ontgonnen, werden

verschillende vruchtboomen aangeplant en wordt er koren en aardappelen

verbouwd. Er wordt gewerkt, maar niemand kan bereidwilliger dan ik

de onbeduidendheid van dezen arbeid erkennen in vergelijking met wat

door harder, geoefender handen en vaster voornemens tot stand gebracht

had kunnen worden.

Bekentenissen van een strandvonder: Het leven op mijn tropisch eiland · 第 16 / 97 题