Terwijl de vogels er talrijk en in groote verscheidenheid voorkomen,
zijn er slechts enkele zoogdieren. De mierenegel (Echidna), twee
soorten van ratten, een vliegende hond (Pteropus funereus) en twee
vleermuizen maken de geheele lijst uit. Ofschoon aan de overzijde
buideldieren zeer gewoon zijn, is deze typisch Australische orde
op Dunk-eiland niet vertegenwoordigd en de negers weten zich
niets van een vroeger bestaan van kangoeroe's, wallaby's [21],
buidelratten of bandikoets [22] (Perameles) te herinneren. Ook onder
de muurschilderingen die in enkele grotten op Dunk-eiland worden
aangetroffen (zie deel II) vindt men wel hagedissen, echidna's,
schildpadden en menschen, maar geen enkel buideldier.
Er zijn evenwel aanduidingen, dat de wallaby tot nog voor kort op het
eiland Timana voorkwam. Een vrouw (de laatste vrouwelijke inboorling
van Dunk-eiland) die in 1900 stierf, placht dikwijls een verhaal te
doen van een slachting onder deze dieren aangericht op Timana, die zij
als klein kind bijwoonde. Alle bewoners van de naburige eilanden en van
het vasteland waren er toen samengekomen en hadden op het acht bunder
groote eiland een klopjacht gehouden. Mannen, vrouwen en kinderen
hadden, in één lange rij optrekkend, door schreeuwen en geklepper
met hun nulla-nulla's [23], de angstige wallaby's opgejaagd, totdat
zij van een steilte af in zee sprongen of op de klippen te pletter
vielen. Ik deel dit verhaal mede, omdat het eenig licht kan werpen op
de wijze waarop sommige diersoorten uit bepaalde geïsoleerde streken
kunnen verdwijnen zonder sporen van hun bestaan achter te laten.
Het grootste viervoetige dier dat thans nog op Dunk-eiland voorkomt is
het zoogenaamde stekelvarken, de mierenegel of echidna. Dit beest,
dat in sommige opzichten op een egel gelijkt, maar in andere op
dien echt Australischen paradox, het vogelbekdier (Platypus),
heeft een mond dien het niet kan opendoen--niets dan een buis
waardoor de tong gestoken wordt--legt eieren en broedt als een
vogel, voedt echter zijn jongen als een zoogdier en bezit bovendien
eenige kenmerkende eigenschappen der reptielen. Als men de echidna
verschrikt rolt zij zich op tot een kogel, waarbij zij de lange
snuit tusschen de voorpooten en de staart tusschen de achterpooten
steekt, terwijl haar stekels overeind staan. In deze houding graaft
zij met haar korte, sterke pooten en klauwen, tusschen wortels door
en de steenen terzijde werpend, een hol in den grond, waarin zij met
een verwonderlijke vlugheid verdwijnt. De kracht, waarmede zij zich
aan den grond vasthoudt, heeft aanleiding gegeven tot de meening,
dat geen hond ooit een echidna kan dooden. Een gewone hond kan dit
ook niet, hij moet er bijzonderen slag van hebben. Maar heeft hij
dien eenmaal, dan kost het steeds moeite hem van zijn onschuldigen,
nuttigen vijand af te houden, want er schijnt een erfelijke veete
tusschen hen te bestaan. Geen hond met een gezond instinkt kan een
echidna tegenkomen zonder een aanslag op zijn leven te wagen. De
lange, buisvormige snuit van de echidna is de doodelijke plek, die
dan ook met uiterste zorg wordt verborgen gehouden. Maar een hond,
die de juiste taktiek kent, wacht geduldig af tot op een gegeven
oogenblik een der achterpooten even zichtbaar wordt, waarop hij deze
grijpt en het dier kan omkeeren. Voor de negers is de mierenegel een
van die lekkernijen die de ouderen, met behulp van verschrikkelijke
strafbedreigingen, voor zich zelf alleen weten te houden.
Na de echidna komt als volgende in grootte de witstaart-rat (Uromys
hirsutus). Zij houdt van water en vertoont zich des nachts. Ik kwam
haar bestaan door een toeval te weten. Op een morgen vond ik, terwijl
ik in het bosch aan het houthakken was, een slang van twaalf voet lang,
die in de zon lag te slapen. Ongeveer in het midden van haar lichaam
bevond zich een veelbeteekenende verdikking die scheen te bewijzen
dat de slang juist een of anderen vogel had verslonden. Nadat ik het
dier den kop had afgehakt bracht een onderzoek echter aan het licht
dat de slang een witstaart-rat verorberd had--het eenige exemplaar
dat ik ooit op het eiland heb gezien.
Hierop volgt een kleine, vruchten etende rosbruine rat, met een
goudachtigen glans aan het uiteinde van zijn haren. Een fijn, gracelijk
diertje met aardige manieren en een klagelijken roep als het piepen van
een kuiken. Het eet bij voorkeur rijpe bananen en ananas, maar knaagt
ook wel aan andere vruchten en aan koren. De moeder draagt haar jongen
onder aan den buik, waar zij zich klaarblijkelijk met hun tanden en
nagels vasthouden, en niettegenstaande deze belemmering weet zij nog
vlug genoeg vooruit te komen. Ik meen dat geen enkel ander knaagdier
op deze wijze voor kinderwagen speelt. Misschien werd deze gewoonte
verkregen als een gevolg van bijzondere levensomstandigheden op het
eiland en heeft het dier, niet meer wetend hoe haar soortgenooten op
het vasteland hun jongen wegslepen, een eigen methode uitgevonden.
De heer C. W. de Vis, van het Queensland-museum, heeft verscheidene
exemplaren van deze rat nauwkeurig onderzocht en verklaart dat zij
de kenmerken van drie verschillende geslachten vertoont: de tanden
van de muis, de borsten van de mastacomys en de staartschubben van
het geslacht Uromys. Bij het toekennen van een naam heeft hij het
laatstgenoemde geslacht begunstigd en het dier in de wetenschappelijke
wereld geïntroduceerd onder den naam Uromys banfieldi.
De jongen blijven op de bovenbeschreven wijze aan hun moeder hangen
tot zij reeds half volwassen zijn en nog lang na den leeftijd waarop
andere soorten van ratten zich reeds zelfstandig een weg door het
leven knagen.