STRANDVONDERIJ.

Ter rechtvaardiging van den titel van dit boek diene dat ik, zoodra

voldoende voorraad voor het natte seizoen (dat in den regel tegen

Kerstmis intreedt) verzameld is; het grootste deel der week pleeg te

besteden met het brengen van vriendschappelijke en intieme bezoeken

aan de naburige kust en eilanden. Plicht en neiging drongen mij er toe

aard en karakter van alle baaien en grotten der eilanden, ligging en

gedaante van rotsen en riffen, het karakter van boomen en struiken, de

natuur van de wildbegroeide heuveltoppen en steilten te onderzoeken;

leven en taal van onbekende vogels te verstaan; de verzamelplaatsen

der schildpadden en de geliefkoosde schuilhoeken der visschen te

ontdekken. Ik hunkerde naar de vrijheid van onbewoonde eilanden en

onbetreden stranden, begeerig de natuur te leeren kennen zooals zij

is, niet onder den microscoop, maar in haar maagdelijke droomen. En

veertien, dikwijls zestien uur van de vierentwintig bracht ik dan in

de open lucht, aan het strand of op het water door.

Volgens de gangbare meening omtrent het klimaat van den regengordel van

noordelijk Queensland, zou de malaria aan mij een gemakkelijke prooi

moeten gehad hebben. De koorts had mij moeten grijpen en schudden

tot mijn tanden klapperden en ik, met de schrikgestalten van den

waanzin nog gillend in mijn ooren, naar mijn verre vaderland terug

vluchtte. Maar er zijn nog andere streken dan Judea, waar men niet

alles weet en nog vóór de eerste regens op het ijzeren dak van ons

hutje neerkletterden was de verslapte stadsmensch, die op den eersten

avond van zijn nieuwe loopbaan al zoo ontmoedigd was, al niet meer te

herkennen, dank zij den sterkenden, heilzamen invloed van een vrij

en gezond leven. Binnen drie maanden was zelfs de bittere nasmaak

der ongezonde beschaving verdwenen en bovendien kende ik nu mijn

eiland en was ik op voet van vriendschappelijke bewondering met al

de andere. Ik was een burger van het heelal geworden.

Gedurende deze eerste periode van volkomen minachting van tijd en

bezigheid kwam ik tot de overtuiging dat het beroep van strandvonder,

de verst mogelijke "terugkeer tot de natuur," een bekoring heeft als

geen ander. Ongehinderd door de wetten der maatschappij, terwijl de

weinige benoodigdheden des levens hem door de natuur zelf edelmoedig

worden toegeworpen, kan een rechtschapen strandvonder een gelukkig

leven leiden. Behoort hij evenwel tot dat type dat om de maand een

wrak noodig heeft om zijn voorraad rum, jenever of andere voorwerpen

van zijn waren godsdienst aan te vullen en is hij zelfs bereid om,

wanneer de schipbreuken niet regelmatig genoeg plaats grijpen, de

nalatige natuur door middel van valsche kustlichten wat te helpen,

zoo zal hij op deze vreedzame eilanden geen bestaan kunnen vinden.

De strandvonder van beroep loopt barvoets zijn koraaleiland af om de

argelooze inboorlingen hun copra [18], kokos-olie en parelmoerschelpen

af te troggelen; zijn voedsel bestaat hoofdzakelijk uit schildpad,

schildpadden-eieren en visch, zijn drank is rum of kokosmelk--de

laatste alleen wanneer de eerste ontbreekt. Heeft er een schipbreuk

plaats dan wordt hij een machtig potentaat in pyjamas en zwelgt met

zijn smerige vrouwen, schitterend uitgedost, in overvloed. Een slag

op zijn harden kop met den knuppel van een naijverigen inboorling is

het gewone einde van den typischen strandjutter.

Bij sommigen wordt door de strandvonderij het speelinstinkt

ontwikkeld. Is er wel één menschelijk wezen dat deelneemt aan het

gekrieuw en tumult der wereld, dat in oprechtheid kan zeggen dat hij

al die instinkten van den wilde: de speelzucht, het verlangen naar

opwinding en zich verbazen, de brute zelfzucht, de vreugde van iets

"voor niets" te krijgen, heeft overwonnen? Mondaine tijdschriften

weten te berichten, hoe aanzienlijke dames lange, vervelende avonden

zitten te wachten op 't armzalig cadeautje in een cotillon. En

als de zee haar gaven aan deze blinkende stranden spoelt, geef ik

vrij- en blijmoedig toe aan mijn strandjutters-instinkt en kies naar

hartelust. Nog nooit heb ik iets van wezenlijke waarde gevonden, maar

wordt ik niet voortdurend door vrome wenschen en vurige verwachtingen

geprikkeld? En is dit spel niet even boeiend en even onschuldig als

menig ander dat veel meer kost? Bovendien is het een spel waarop men

geen invloed kan oefenen, dat niet gedwongen kan worden en daarom

nooit demoraliseerend is.

En wat voor wonderlijke dingen vindt men al niet! Eens kwam een kist

met pekelvleesch, een gruwel voor alle zintuigen, langs ons vee-beroofd

maar geurenrijk eiland drijven, 't Zou me niet verwonderen als het

schip dat haar had uitgeworpen, bij de matrozen in een kwaden reuk

stond. Zij liet een vettige, stinkende streep op het water achter

en zal op haar verderfelijken tocht zonder twijfel tallooze visschen

hebber vergiftigd.

Nu en dan spoelt er een kist met vruchten aan; een er van stelde

ons in staat de vruchtenteelt op het eiland op waardevolle wijze

uit te breiden. Dit feit liet weer eens zien hoe de mensch, zonder

het te weten en zelfs tegen zijn bedoeling, er toe kan bijdragen de

zegeningen van een lachend eiland te vermeerderen, zegeningen, die

voor altijd zullen blijven en misschien eens een geheele ontluikende

natie ten goede zullen komen.

Jaren geleden, in 1878, leed een Amerikaansch schip, de Merchant, in

een cycloon, die nog thans alle oude kustbewoners heugt, schipbreuk

op een rif ten zuiden van de Palm-eilanden. Het verging met man en

muis en de geheele lading, uit cederstammen bestaande, werd overal

heen verspreid. Het grootste deel dreef aan in Ramsaybaai op het

Hinchinbrook-eiland; de spiegel met den Amerikaanschen adelaar werd,

met nog een zeemanskoffer, gevonden op de Brook-eilanden; een windas,

met een kinderslabbetje er in verward, op de Zuid-Franklands-eilanden,

40 mijl noordelijker, en een groot brok van het versplinterde wrak

op een rif oostelijk van Fitzroy-eiland, nog 25 mijl verder. Enkele

balken dreven onze kalme inhammen binnen en liggen er nog heden. Een

die makkelijk te bereiken was, namen wij in bezit. Hij voorzag ons van

planken voor een platboomde schuit en verschillende meubelen en gaf mij

bovendien een praktische leering. Ik kwam er door tot het inzicht dat

spanzagen een ontmoedigend werk is. Het ziet er makkelijk genoeg uit,

als anderen er mee bezig zijn. En snuift men met het roode stof, dat

de gepolijste staaltanden uit het hart der zware balken halen niet "het

balsamiek aroom op van nardus en cassia, dien de muskusgeurende wieken

der zephiers verspreiden door de cederboschjes der Hesperiden?" Maar

die zelfde lange zaag rukt u de leden haast uit elkaar en ge komt

al heel gauw tot het besef dat men vroeg moet beginnen, wil men het

beroep van zager anders dan op een afstand waardeeren.

De grootste weldaad die mij als strandjutter te beurt viel was de

schipbreuk van een Duitsche bark, 200 mijlen zuidelijk, waardoor de

geheele kust en ook Dunk-eiland bezaaid werd met wrakhout. Lange,

zware hoekijzers, vastgeklonken aan brokstukken van het dek en

allerlei houtsoorten waren voor de meest verschillende doeleinden

te gebruiken. Moest ik soms, uit overmaat van eerlijkheid en

bescheidenheid, dit alles op het strand laten liggen om het door de

witte mieren te laten doorzeven? Neen, zonder aanstellerij en zonder

mij te verontschuldigen, beken ik eerlijk dat mijn zondig instinkt

door dezen schipbreuk een alleraangenaamsten prikkel kreeg en dat ik

een tijdlang zwelgde in de vreugde der strandvonderij.

Bij kalm nadenken kan ik niet zeggen dat ik het geheel eens ben

met dien pastoor op de Shetland-eilanden, die in zijn lange gebeden

nooit verzuimde te smeeken: "Heer, als het dan toch uw heilige wil

is schipbreuken te zenden, vergeet dan onze eilanden niet." Ook niet

met de Bretonsche visschers, die schipbreuken als een bijzondere gave

Gods beschouwen en met een dankbaar gemoed alles, kisten wijn of balen

koopwaar, aanvaarden. Maar toch, wie ben ik, dat ik er een beter soort

moraliteit op na zou houden dan die menschen met hun zegenende gebaren

of die stoere visschers? Mijn weerstandsvermogen tegen de verleidingen,

waarin wind en getij mij zouden kunnen brengen, is nooit op de proef

gesteld. Maar het eerstbeste vaatje port of Rijnwijn, of de eerstbeste

baal zijde die aan komt spoelen zou mijn moraliteit zoodanig aan

het wankelen kunnen brengen, dat zij voor langen tijd of misschien

wel voorgoed niet meer te gebruiken ware. Als een waarheidlievend

geschiedschrijver moet ik tenminste al reeds bekennen dat ik altijd

iets als teleurstelling voel wanneer ik de witstralende stranden leeg

zie van iedere verleiding.

Latwerk van de uiteengeslagen bark, waarop menig doorweekte en moede

stuurman zal hebben gestaan, vervult nu de vredige taak van een

tuinhek. Niet meer betreden door rappe, glibberige voeten, niet meer

geschrobd en geboend met zand en puimsteen, maar netjes wit geverfd,

een symbool van veiligheid en huiselijkheid, piept het dankbaar elken

keer dat het opendraait.

Wanneer men op één achtermiddag-zeiltocht een mijlenlange kuststrook en

acht à tien eilanden kan bezoeken, moet het leven van den strandvonder

wel de bekoring der afwisseling hebben. Wanneer hij landt in een

weinig bezochten inham weet hij nooit wat de zee weer voor hem kan

hebben gereed gelegd. Misschien is het alleen een oude kokosnoot van

de Salomons-eilanden, de bolster aangevreten door een brilslang en

omhangen met mosselen. De kiem van het leven kan er nog in zijn en

dan is het een aangewezen plicht den noot boven de hoogwatergrens te

planten. Misschien ligt er een roeispaan van de Nieuwe Hebriden met

ruwe versiering op het handvat; misschien een brok van een Fidji-kano

die tegen den Barrier werd verpletterd, een houten lepel zooals de

Kanakas' gebruiken of de peer van een lamp die eens brandde in den

salon van een oceaanstoomer; of een bezem van Japansch maaksel, een

kolenemmer, een wrijfhout, een nautilus-schelp, een riem of een roer,

een weggeworpen flesch, een boegspriet van een jacht of kotter. Eens

vond ik een uitstekenden hamer, recht overeind, met den kop in een

rotsspleet; een andermaal het onderstuk van een slijpsteen en een

schraag. Doozen, onveranderlijk van een teleurstellende leegte, komen

en gaan, evenals planken en balken. Een groote zwarte baak dobberde

voorbij, een weerstrevende ijzermassa meeslepend aan het einde van

zijn kabel; een ruwgetimmerd vlot en een blok hout volgden. Een mooie

roode boei, losgebroken van een zandbank, danste in de extase harer

vrijheid over de branding, rolde het strand op, woelde een gezellig

bed in het zachte, warme zand en bleef daar sindsdien sluimeren

onder den sussenden zang der winden, onverschillig voor de verbazing

der zeelieden en het lot der schepen. De vergulde mastpunt van een

sierlijk jacht en een van zijn hutbedden verhaalden van een nieuwe

en nog onbekende ramp.

Het meest welsprekende geschenk der zee werd vlak bij ons aangespoeld

op den sneeuwwitten koraalzoom van een kleinen inham, waar het

onmiddellijk de aandacht trok. Het was niets dan een ongeveer dertig

voet lange bamboestok, waaraan een lange wimpel van een baan wit

katoen tusschen twee strooken roode Turksche keper. Gescheurd en

gerafeld scheen deze vlag te verhalen van den wanhopigen hulproep

van een of anderen verloren verworpeling, van een menschelijk wezen

op een eenzame zandbank van den Barrier aan zijn lot overgelaten,

zonder dak, zonder voedsel of water, maar nog niet geheel zonder hoop,

zooals er in vroeger tijd wel eens Bêche-de-mer-visschers [19] door

de verraderlijke negers op het rif werden afgezet om er langzaam van

honger te sterven of door den onverbiddelijken maar toch genadigen

vloed te worden verdronken.

Zelden zeilen wij uit zonder de hoop iets voor niets te zullen

krijgen. Nog altijd hebben wij den zeemanskoffer, met koper beslagen

en met zijn geheime afdeelingen vol "schoone rozenobels en moidores"

[20] niet gevonden. Maar wie weet? Misschien is hij juist na een reeks

van doellooze omzwervingen aangespoeld en wacht hij ons ergens in

een kalmen inham op. De kist van den rampspoedigen Merchant kwam hier

jaren voor mijn tijd aan en was buitengewoon onromantisch van inhoud.

Deze bladzijden zijn geen verdediging maar een bekentenis, een vrije

en openhartige erkenning van schatplichtigheid aan den onpartijdigen

Neptunus.--Neptunus, die geeft en neemt, die nu eens heimelijk steelt

met onvermoeide vingers en dan weer openlijk rooft met zulk een

vreeselijk, onverbiddelijk, majesteitelijk geweld, dat het goddeloos

ware te klagen. Wie vond mijn drie roeispanen, de een moeitevol uit

één stuk Eupomatia-hout gesneden, de ander kunstiglijk voorzien met een

verschuifbare vin en de derde van rood cederhout met kostelijk koperen

monteering? Wie bezit het stel balastbakken dat eens mij behoorde? Wie

de boei die ik zoo veilig vastmeerde? Wie de pagaaien, de dolklampen

en signaaltouwen, verloren door Neptunus' gril of geweld? Niet eens,

maar herhaaldelijk heeft hij een schuit of roeiboot geschaakt uit de

Brammobaai om haar, na er een poosje mee te hebben gedarteld, cynisch

op de kust van het vasteland te werpen, en slechts ééns zond hij mij

een boot terug--een armzalige, smerige, met teer bestreken slordige

zwerfster--die nog wel door de politie werd opgeëischt.

Misschien zijn er velen wie dit eenzaam leven vervelend lijkt. Ik

zeg u dat het overrijk is aan belangwekkende emoties. Welke tragedies

worden er niet afgespeeld! Eens zag ik een trotschen valk neerschieten

op een boschzwaluw vlak boven mijn hoofd en hem bloedend meedragen

naar een boomtop, terwijl ik verontwaardigd beneden stond. Een kogel

deed den kannibaal met zijn doode slachtoffer vóór mij in het gras

neerstorten. Maar er zijn ook comedies en men heeft altijd zin er naar

te kijken. En de strooptochten langs het strand houden de verwachting

steeds gespannen.

Eens vond een gelukkige--een doodgewone liefhebber--bij toeval een

zwartlippige parelmoerschelp op een naburig eiland. Zij bevatte een

blauwe parel, waarvan de prijs hem zulk een voorsprong gaf in het

leven dat hij nu eigenaar is van verscheidene schepen. Kan niet een

andere vloed op een andere kust een andere oester aanspoelen die een

ongelukkig leven lijdt tengevolge van de aanwezigheid van parels? De

wetenschap leert ons dat oesters behebt zijn met lintwormen en dat

zij de kiemen daarvan opsluiten in die ontijdige graftomben, die voor

de menschen de lieflijkste en kostbaarste sieraden vormen. Wij moeten

de weinig dichterlijke beweringen der geleerden gelooven, maar ik geef

toch de voorkeur aan de Persische fabel van den zuiveren waterdroppel,

die uit den hemel in zee gevallen, door de oester werd gedronken en

in een heldere parel veranderde.

Ook hier worden parels gevonden. En altijd geniet ik er van, al zijn

zij de bewijzen van het bestaan eener walgelijke ziekte. Elke oester

kan een parel bevatten, een parel van groote waarde, "een ding van

schoonheid, een vreugd voor immer." Elke goud- of zwartlippige oester

is een kans in een loterij. Was er wel ooit een strandvonder zoo

rein van ziel dat hij de kansen die de natuur hem gratis aanbiedt

weigerde? Mijn bescheiden schat bevat parels van allerlei tint:

zwart, bruin en wit. Zij zijn maar kleine prijsjes in die loterij

die geen vaderlijke regeering kan verbieden, alleen geschikt als

medicijn voor een of anderen Chinees, die aan een luxurieuse ziekte

lijdt. Maar toch is er een kans dat ik op een goeden dag het groote lot

trek. En dan? Dan verandert de strandvonder misschien weer in.... nu,

den eerstbeste op de lange lijst.

"Welk een saai leven, welk een hopeloos bestaan! Hij is overal uit"

beklagen mij allen die nog harken naar den mest der straten. Ja,

overal uit, maar met een blijden geest en met alle rumoer zoo niet

vergeten, dan toch gedempt door een muziek, teer als dageraad en diep

als de zee zelf.

Bekentenissen van een strandvonder: Het leven op mijn tropisch eiland · 第 15 / 97 题