Giarre.—Aci-Reale.—De zuilengrot.—Het Cyclopen-eiland.—De reus
Polyphemus.
Ten zuiden van kaap Schisò steekt men het riviertje Cantara over door
middel van een echte brug, die zeker geen wonder van bouwkunst is, maar
waarop de Sicilianen toch niet weinig trotsch zijn; vervolgens trekt
men in de schuinte de eerste hoogten van den voet des Etna’s over. De
grond van den weg is ijzerkleurig, en het stof, dat door de wielen
wordt opgejaagd, gelijkt op het vijlsel der fabrieken; ter rechter en
ter linkerzijde rijzen muren omhoog, die men wanen zou dat uit blokken
metaal waren opgetrokken; maar in tegenstelling met dezen verzengden
weg, leveren de velden waar men door komt, een prachtigen plantengroei
op, veel weelderiger dan die der andere gedeelten van Sicilië. De
boschjes van olijf-, oranje-, citroen- en andere vruchtboomen, hier en
daar door palmboomen afgewisseld, maken de geheele tusschen de zee en
den voet van den berg gelegen vlakte tot een grooten boomgaard;
tallooze villa’s, kerk- en kloosterkoepels stijgen aan alle kanten
boven het dicht ineen gewassen groen op. De grond is zoo vruchtbaar,
dat zijne voortbrengselen voldoende zijn om eene in verhouding drie- of
viermaal sterkere bevolking dan die der overige streken van Sicilië en
Italië te voeden. De steden grenzen aan elkander. Riposto’s voorstad
strekt zich zoover in het land uit, dat zij tot aan een wijk van Giarre
reikt, en deze stad loopt weer aan een anderen kant in Mascali uit; de
rondom den voet des bergs gelegen dorpen sluiten als paarlen van een
halssnoer aan elkander. Boven deze lagere, zoo ongemeen vruchtbare
hellingen rijzen de eigenlijke wanden van den Etna op, welks grond
allergeschiktst is voor den groei der bosschen, zooals blijkt uit den
kastanjeboom van „honderd paarden” en andere reuzen des plantenrijks.
De aanblik van de boven dien gordel van groen oprijzende rookende massa
van den Etna, met zijne beide besneeuwde neventoppen het zwarte circus
van den Val del Bove omringende, is onvergelijkelijk en onvergetelijk.
De indrukwekkende gestalte van den Etna staat altoos hem voor oogen,
wien het geluk beschoren was daarop eens den blik te mogen slaan.
Het gebied van den Etna neemt aan den voet der rots van Taormina een
aanvang, want daar ontmoet men den eersten lavastroom. Deze steenen
vloed, een der opmerkelijkste dien de grond van Sicilië ooit heeft
uitgebraakt, is niet minder dan vijf-en-twintig kilometers lang en
verlengt zich tot een afstand van verscheidene honderde meters in zee.
Op dat uit lava gevormde voorgebergte, in onze dagen onder den naam van
kaap Schisò bekend, stichtten de Ioniers, voor 2600 jaren, de eerste
grieksche volkplanting van Sicilië. Even als de duitsche en iersche, in
de Nieuwe Wereld gevestigde, landverhuizers de smart over het verlies
van hun vaderland trachten te verzachten door aan hunne
verblijfplaatsen in Amerika een naam te geven, die hun verlaten erfgoed
herinnert, zoo noemden ook de grieksche kolonisten de door hen op
vreemden bodem gestichte stad: Naxos, en richtten op het naburige
zeestrand het standbeeld van Apollo, hun beschermer, op. De jeugdige
stad nam spoedig in bevolking en aanzien toe; daarop volgden de
oorlogen, de verre tochten, de tirannieën: en Dionysius van Syracuse
kwam op zekeren dag de stad slechten en de inwoners in slavernij
wegvoeren. In onzen tijd herinnert geen enkel spoor aan het voormalige
bestaan der grieksche volkplanting.
Aci-Reale, ten zuiden van Giarre gelegen, is, na Catania, de
belangrijkste stad uit den omtrek van den Etna en, volgens het aantal
harer bewoners, de vierde stad van Sicilië. Als koopstad geniet zij
zeer veel voorspoed, zoo door de vruchtbaarheid der haar omringende
velden, als door het groot aantal zeer goed bevolkte dorpen, die men in
hare nabijheid aantreft. Daarenboven zijn de burgers van Aci-Reale
betrekkelijk zeer beschaafd; zij beroemen er zich op, dat zij veel
beter onderwezen zijn dan de Sicilianen van Messina en Palermo. Waar is
het, dat in het geheele district veertien van de vijftien inwoners niet
lezen en nog minder schrijven kunnen. Aci-Reale is daarenboven de zetel
van twee akademies, en schoon weinig buiten de provincie bekend, worden
door deze toch zeer degelijke werken uitgegeven; daarbij bezit de stad
een massa paleizen, groote gemeentegebouwen, kerken en kloosters,
ofschoon de meesten het bezichtigen niet waard zijn. Hare grootste
vermaardheid is de stad verschuldigd aan het onvergelijkelijke
uitzicht, dat men van haar op de zee en den Etna heeft. Het plateau,
waarop de huizen gelegen zijn, bestaat uit zeven lagen lava,
achtereenvolgens door den vulkaan, op onbekende tijden, uitgeworpen en
aan de zee in een steile helling eindigende van meer dan honderd ellen
hoog, waar men duidelijk de verschillende op elkander volgende
uitbarstingen kan onderscheiden. De kaap is zoo steil dat men zich over
het terras, dat terecht den naam van Belvedère draagt, of over den aan
den rand des afgronds aangelegden spoorweg moet buigen, zoo men, dwars
door de ineengekronkelde takken van den barbarijschen vijgeboom, de
roode daken der visschershutten en de lange lijn der schuimende
branding ontwaren wil.
Ten noorden van het visschersgehucht staat de moedige voetganger, die
er niet tegen opziet over de scherpe rotspunten heen en de geweldige
brokken, die boven van de steilte zijn neergetuimeld, op te klauteren,
eensklaps tegenover een fraaie grot, die zich als een voorportaal aan
den voet eens bijna loodrechten wands opent. Deze grot, waarin de
golven binnendringen en waaruit onophoudelijk een dof gesteun en
gekreun u in de ooren dringt, door de persing der saamgedrukte lucht te
weeg gebracht, heeft, ten minste wat hare vorming aangaat, veel
overeenkomst met de bekende Fingalsgrot op het eiland Staffa. Aan
weerszijden van de opening zijn de massa’s lava in onregelmatige zuilen
ter hoogte van vier tot vijf ellen gerangschikt, en wel sommigen
volmaakt rechtstaand, de anderen half doorgebogen onder de zwaarte van
overhangende rotsen. Boven deze benedenste zuilenrij verheft zich een
tweede reeks kolommen, wier kruisbogen, op die van een gothisch gewelf
gelijkende, het dak der grot vormen. Hooger op nemen de meer
saamgedrongen rotsen nog eenigermate den vorm van reusachtige pijlers
aan; het is duidelijk dat de drukking der geweldige daarboven liggende
lavamassa’s niet voldoende is geweest om de zuilenformatie in de
geheele grot te voltooien.
Andere groepen van bazaltzuilen verheffen zich in de nabijheid van
Aci-Reale. Het zijn de beroemde eilanden der Cyclopen, die, naar men
wil, door Polyphemus op Ulysses en zijne reisgenooten zouden geworpen
zijn. Deze eilanden, ook Faraglioni geheeten, liggen op eenige honderde
ellen van den oever, waarlangs op deze plek de weg van Catania loopt.
Het merkwaardigste dezer zwartachtige eilanden is een soort van
pyramide, ter hoogte van zestig ellen en geheel en al omringd met
klokjes, gevormd door bundels prisma’s rondom een middenzuil gegroept;
men zou meenen het reusachtige dak eener indische pagode te zien.
Daarnaast verrijst een andere obelisk, die, hoewel kleiner van omvang,
er overigens geheel mede overeenkomt. Het landschap, door de
Cyclopen-eilanden met het voorgebergte en den ouden toren van
Aci-Castello gevormd, is een der gezichten van Sicilië door de
graveerkunst het meest bekend gemaakt, maar toch lang niet een der
schoonsten. Het ontbreekt dit gedeelte van het kustland ten eenemale
aan boomen; de huizen der aan den oever gelegen dorpen zien er armelijk
uit, een wolk van stof drijft bijna onophoudelijk boven den weg, en de
hooge rotsachtige steilten langs de baai belemmeren het uitzicht op de
groenende velden, waarmede de voet van den Etna omgeven is.
Toch, zoo men de legende gelooven mag, werd daar eertijds het
bevalligste dal van geheel Sicilië gevonden. Beneden aan den weg ziet
men, onder een opeenstapeling van rotsen, een kleine bron ontspringen,
wier wateren zich gedeeltelijk in een moerassige weide verliezen,
terwijl het overige gedeelte in een onreinen drinkbak op de plaats van
een stal stroomt: het is de rivier Acis, in oude tijden door de nymphen
aangebeden. Reusachtige boomen baadden hunne wortels in het heldere
water, de hier en daar in de weiden grazende kudden scheerden den
geurigen klaver af, en de reus Polyphemus, op een rots gezeten, liet
zijn groot oog in zijn breed voorhoofd over zijne schapen en de golven
waren. Wie was nu voor de Hellenen, die de kusten van Sicilië aandeden,
deze groote Cycloop, ons door Homerus geschilderd? Was het niet de Etna
zelve, welks krater gedurende de uitbarstingen schittert als een
geweldig groot oog op den top van den berg ontsloten? Wanneer het
monster „met zijne tallooze stemmen” de lava langs zijne zijde doet
stroomen, bedelft hij de beken onder een stortvloed van steenen, zooals
hij het eertijds de Acis deed; als hij zijn reuzenlichaam schudt, laat
hij van zijne steile toppen steenklompen en rotsblokken naar beneden
vallen, die, even als de Faraglioni eilanden en klippen worden; in
zijne aanvallen van gramschap verplettert en verslindt hij bij
duizenden de vreemdelingen, die zijne gastvrijheid kwamen inroepen en
zich met het vleesch zijner kudden voedden. Hij is verschrikkelijk om
aan te zien, en toch gaat de wijze Ulysses hem tot in zijn hol
trotseeren; gedurende den slaap van den Cycloop vreest de held, de type
van den rustigen landman, geenszins hem van zijne rijkdommen te
berooven; vervolgens, als het monster ontwaakt, weet de prooi waarnaar
hij zoekt aan zijne blinde woede te ontsnappen, en laat hem alleen met
zijne teleurstelling, terwijl deze zich vroolijk maakt over een even
schitterende als weldadige overwinning.
In plaats van een grooten omweg door Catania te maken, viel het mij
gemakkelijk den Etna te bestijgen uitgaande van Aci-Reale. De weg, die
van deze stad naar Nicolosi loopt, is veel rijker in schilderachtige
gezichtspunten dan die, welke gewoonlijk door de vreemde reizigers
wordt beklommen. Terwijl ik in de herberg te Aci-Reale al mijn
noodelooze bagage achterliet, wierp ik mijn ransel op den rug, en
vroolijk en onbezorgd als een duitsch student, ving ik mijn voetreis
aan, zonder mij de verveling op te leggen van een gids, een armzaligen
makker, die maar zelden de indrukken deelt van hem, dien hij geleidt.
Wel is waar stelde ik mij dus, als een vrij man reizende, aan een
buitengewone nieuwsgierigheid van den kant der gendarmes bloot. In dit
land, even als in alle landen waar de bevolking nog half in slavernij
verkeert, staan de voetreizigers niet hoog aangeschreven. Bovendien was
ik alleen, en de Sicilianen, die een bij uitstek gezellig volk zijn,
konden maar niet begrijpen dat het iemand in het hoofd kon komen,
zonder makker te gaan wandelen op een goede vijf honderd mijlen van
zijn woning. Ook moest ik meer dan eens mijne papieren voor den dag
halen en mijn identiteit bewijzen.
Boven het fraaie dorp Via-Grande verheft zich de dichtst bij de zee en
het verst van den eigenlijken Etna gelegen krater. Aan den voet van
dezen kegel, wiens roode en zwarte zijden met wijngaarden beplant zijn,
begint men den berg eerst te beklimmen, welks top ten noordwesten op
een lijnrechten afstand van achttien kilometers verrijst. Voorbij een
oude met olijfboomen bewassen lavalaag, verandert het voorkomen van de
streek eensklaps. Men ziet niet een zee van groen om zich, maar slechts
rijen van lage wijnstokken en graanvelden door muren van roodachtige
ijzerslakken omringd; men bevindt zich reeds in de vuurstreek.
Na achtereenvolgens een aantal lava-cheires te hebben bestegen,
ontwaart men ter zijde van den weg eenige lage woningen, die er uitzien
alsof ze uit ijzerslakken waren opgetrokken, en die van verre met het
haar omringende terrein schijnen samen te smelten. Deze huizen maken
een wijk uit van het groote dorp Nicolosi, dat zich over een
oppervlakte van meer dan een kilometer tusschen twee groote
lavastroomen uitstrekt, en wel in het midden van een soort van circus,
dat ten westen en ten noorden door de kraters, de Monpilieri, de
Monti-Rossi en de Serra-Pizzuta wordt beheerscht. Bij het zien van deze
zwartachtige, met steenen omringde huizen, zou men wanen in een
ellendig gehucht en niet in een groot dorp van drie duizend inwoners te
zijn. Nicolosi telt niet minder dan zes kerken, ongerekend een aantal
kapellen en het belangrijke klooster van San Nicolo d’Arena, hetwelk
het lusthuis der Benedictijner monniken van Catania geworden is.
Gedurende een gedeelte der voorgaande eeuw hadden de roovers, zoo als
men zegt, zich in de zalen van het klooster gevestigd. De schaarsche
bezoekers van den Etna konden toen den berg niet bestijgen zonder met
de bandieten tot een schikking te komen.
De meeste vreemdelingen bepalen zich tot het beklimmen van een der
tweelingbergen die zich ten noordwesten van het dorp verheffen, en die
men met den naam van Monti-Rossi aanduidt, wegens de roodachtige kleur
hunner hellingen. Deze geweldige aschhoopen, meer dan twee honderd
ellen hooger dan de omringende grond gelegen, zijn uit de zijden van
den Etna, tijdens de beroemde uitbarsting van 1669, voortgekomen, en
uit hun voet vloeide naar Catania die verschrikkelijke lavastroom,
waardoor veertien steden en dorpen, door meer dan vijf-en-twintig
duizend zielen bewoond, werden vernield. Uit geweldig groote bron
gevloeid, verspreidde zich de lavastroom in de breedte over een
oppervlakte van verscheidene kilometers, en daalde langzaam en
majestueus bergafwaarts, de velden en huizen onder zijne vurige golven
bedelvende. De boschrijke kegel van den Monpilieri, die zich ten zuiden
van de Monti-Rossi verheft, werd zelf als een eiland door deze
brandende zee omspoeld: en zijn gedeeltelijk gesmolten, gedeeltelijk
onder het gewicht der opeengehoopte lava verpletterde rotsen waren
genoodzaakt der vloeibare massa een doortocht te verschaffen. Na dezen
heuvel te hebben doorboord, verdeelde de stroom zich in drie
hoofdarmen, waarvan de een, terwijl hij zich naar het zuid-oosten
wendde, naar Catania afliep, een gedeelte van de stad sloopte en in zee
een voorgebergte ter lengte van ongeveer een kilometer, op de plek van
de oude haven, uitwierp. In minder dan twee maanden was een hoeveelheid
van een milliard kubieke ellen lava uit het hart van den berg
voortgekomen, om de vruchtbaarste velden in een vreeselijke woestenij
te herscheppen. Nog in onze dagen kan men, bij het beklimmen van een
der beide Monti-Rossi, met het oog over zijne geheele uitgestrektheid,
den stroom van gesmolten steen volgen, die zich in de vlakte ontlastte;
intusschen dringen reeds de plantengroei en akkerbouw weer over de
boorden van den grooten stroom lava heen. Wat den krater betreft, die
tusschen de beide heuvelen zich opent en die gedurende de uitbarsting
een verschrikkelijke hoeveelheid asch over de geheele streek
uitstortte, deze is heden ten dage in een dal veranderd, welks bevallig
gebogen hellingen een klein braamboschje omsluit.
Onmiddellijk voor de groote uitbarsting was de zijde van den Etna over
een lengte van bij de twintig kilometers gespleten, en wel van het
bovenste bergplat tot beneden Nicolosi toe. Deze spleet is bijna over
hare geheele oppervlakte gevuld; nochtans ontwaart men een vijftiental
min of meer diepe gaten, die nog duidelijk de richting van de groote
spleet van 1669 aanwijzen. Het grootste dezer gaten, fossa della
Palomba geheeten, is niet ver van den noordelijken voet der Monti-Rossi
verwijderd. Het is een twintig meters diepe trechter, die door een
nauwen gang met een soort van put in verband staat, op wiens bodem zich
een galerij opent, die tot op eenige honderden ellen afstands in den
berg voortloopt. Door een straatjongen van Nicolosi vergezeld, daalde
ik in den eersten put af, maar daar voelde ik mij alles behalve
opgewekt mijn ontdekkingstocht in de ingewanden van den vulkaan voort
te zetten. Ontsnapt aan de kille vochtigheid, die door de lavawanden
heen boorde, steeg ik met vreugde weder op waar het licht der zon mij
weldadig koesterde en verwarmde.
Den volgenden nacht moest ik met mijne bestijging van den Etna een
aanvang maken; maar de man, die zich had aangeboden mij tot gids te
verstrekken, beviel mij geen zier, en aan den anderen kant verboden mij
mijn zware bagage en de onmisbare voorraad leeftocht de reis alleen te
ondernemen. Wij waren toen in het begin van de lente, het saizoen,
waarin de bewoners van Nicolosi er volstrekt niet opgesteld zijn den
berg te beklimmen, wegens de in de hoogere streken heerschende koude,
en vooral wegens de lange sneeuwhellingen, die zij dan verplicht zijn
te voet over te trekken. Bijna al de beklimmingen van den berg hebben
in den zomer plaats, wanneer reizigers en gidsen te paard den voet van
den grooten kegel kunnen bereiken, om in het zoogenoemde „engelsche
huis”, geheel vrij van sneeuw, een vroolijken maaltijd te komen houden
en, na een stevigen slaap genoten te hebben, zich de weelde te
verschaffen het opgaan der zon van den rand des kraters te bewonderen.
Toch moeten de ware vrienden der natuur den berg des te fraaier vinden,
dien zij bij een langeren tocht door de sneeuw te bestijgen hebben,
waarmede het prachtige groen der vlakte zulk een schitterende
tegenstelling oplevert.
In mijne verlegenheid wendde ik mij dus tot den heer Giuseppe
Gemellaro, broeder van den beroemden geoloog van Catania en zelf een
gelukkig beoefenaar der mineralogie. Hij bezorgde mij den knapsten en
veiligsten gids van Nicolosi, een man die, schoon „de sneeuwvlok hem
reeds door de haren snuift” en hij een weinig kreupel is aan zijn
rechterbeen, nochtans een onvermoeide wandelaar is, zooals ik den
volgenden dag herhaaldelijk gelegenheid had op te merken.
Het was nacht toen wij Nicolosi verlieten; nauwelijks kon ik mijn gids
zien, en ik liet mij vooral door het gekraak der metaalslakken onder
zijne voeten leiden. Weldra hadden wij die streek bereikt, welke men,
uit gewoonte, nog altijd de houtstreek noemt, maar waar men nog
slechts, op groote afstanden van elkander, eenige eiken met geweldig
zware stammen en bijna geheel zonder takken aantreft.
Op deze helling van den Etna is er geen bosch meer, en de woestenijen
der hoogere streek volgen onmiddellijk op de bebouwde gronden, waarmede
de berg omringd is. In den zomer ziet men hier niets dan hellingen en
dijken van ijzerslakken en asch: in den winter en in de lente niets dan
onafzienbare sneeuwvelden, waaruit hier en daar zwartachtige eilanden
van steile lavabeddingen oprijzen. Overigens is de helling gemakkelijk
te beklauteren. Ongetwijfeld zou men, indien de Etna in Zwitserland
lag, er reeds lang een rijweg hebben aangelegd, om naar den top van den
vulkaan op te stijgen.
De zon begon juist op te komen toen wij op het zachtkens hellende
bergplat kwamen, waaraan men den naam van Piano del Lago geeft,
herinnering aan een lagune van gesmolten sneeuw, door de lavastroomen
in het begin der zeventiende eeuw gevuld. De stralen gleden schuinsch
langs de witte oppervlakte, die als van duizende diamanten schitterde.
Vlak voor ons zagen wij den grooten koepel oprijzen, hier en daar, waar
de asch zich met de sneeuw vermengde, door grijsachtige strepen
afgewisseld. Uit zijn geweldig grooten mond kronkelde een dampkolom,
aan haar voet door een guirlande van doorschijnenden rook omringd, in
breede, met gouden randen omzoomde kringen tot de wolken opdwarrelende.
De vulkaan was zoo stil als het graf; maar deze kalmte maakte de
ontzaggelijke opstijging der dampen nog majestueuzer. Ik naderde met
ontroering, half gelukkig, half bevreesd gelijk een oningewijde, wien
men een geheimenis ontsluiert. Dat was dan de reus van Sicilië,
waarheen, sedert de dagen mijner jeugd, mijne verbeelding zich zoo
dikwijls gewend had! Eindelijk aanschouwde ik dan dien berg, dien de
Ouden, doordrongen van bewondering, eertijds den „spijker der aarde” en
den „pijler des hemels” heetten!
Aan het oostelijk uiteinde van den Piano del Lago duidt een lange
rotsketen den rand van den afgrond van Val del Bove genaamd aan. Om mij
een blik in die kloof, een der wonderen van den Etna, te laten werpen,
deed mijn gids mij rechts afslaan en den voet omtrekken van de
Montagnuola, een grooten kegel dien men, van Catania gezien, voor een
der kruinen van den vulkaan zou houden. Dezen verschrikkelijken afgrond
naderde ik met een zekere ijzing. Weldra breidde de uitgestrekte
lavavlakte, ter diepte van meer dan duizend ellen, zich voor mijne
oogen, als een brokstuk eener andere wereld, uit. Rondom ons was het de
poolstreek met haar sneeuw en haar ijs; in het lagere gedeelte van het
circus, beneden de sneeuwmassa’s, die van het bergplat naar beneden
waren getuimeld, had men het gebied des vuurs met zijne aschkraters,
zijne stroomen van gesmolten stoffen, zijne opeenstapelingen van
metaalslakken. Boven van de steilte slaat men den blik tot in de
ingewanden zelven van den berg, en men kan gemakkelijk de bouworde en
inrichting van den geheelen vulkaan bestudeeren, door met de oogen,
langs de zijden van het amphitheater, de op elkander gestapelde
lavalagen en de trachyt- of basaltmuren te volgen, die tusschen de
spleten zijn opgeworpen. Eertijds stond een deel van dezen afgrond, de
Trafoglietto, een der monden van den Etna, in onmiddellijke verbintenis
met de onderaardsche zee van gesmolten stoffen, maar lang vóór
menschengeheugenis werd dit kanaal verstopt, en de gesloten krater werd
langzamerhand door de wateren der sneeuw uitgehold, en eindigde met in
den loop der eeuwen het ontzaglijke onregelmatige circus van den Val
del Bove te vormen.
De oogen gestadig op den nevens mij gapenden afgrond geslagen, zette ik
mijn tocht naar den uitersten kegel van den Etna voort. Zonder ze te
zien, ging ik langs eenige overblijfselen van een romeinsch gebouw, dat
men den toren der wijsgeeren heette; vervolgens had ik aan mijne
linkerhand het vooruitspringende terrein, dat „het engelsche huis”
draagt. Alleen het dak van dat gastvrije gebouw stak boven de sneeuw
uit. Gedurende de wintermaanden blijft dit huis er onder bedolven; met
eenige aan de Eskimo’s ontleende voorzorgen zou men het gemakkelijk het
geheele jaar door kunnen bewonen, en zelfs heeft men voorgesteld er een
meteorologisch observatorium van te maken, waar men tegelijk den
vulkaan zou kunnen bestudeeren en de stroomingen der lucht waarnemen.
De centrale kegel is ongeveer 300 ellen hoog, en zijne zijden, uit
brokstukken samengesteld, die door hun eigen zwaarte naar beneden
glijden, zijn vrij wat bezwaarlijker te bestijgen dan het overige
gedeelte van den berg, zonder dat de beklimming echter zoo moeielijk is
als men doorgaans zegt. Bij mijn bezoek vond ik alleen aan de
zuidelijke helling een klein aantal rookgaten, maar de temperatuur der
in het binnenste van den krater besloten gassen was voldoende geweest,
om de sneeuwlaag op bijna de geheele helling des kegels te doen
smelten. Een eenigszins zwavelachtige reuk had den dampkring vervuld.
Een zonderlinge slaperigheid had zich van mij meester gemaakt. In
weerwil van de ontroering, die ik bij het naderen van den top gevoelde,
werd ik bij iederen stap dien ik deed in verzoeking gebracht mij op een
bed van metaalslakken uit te strekken, om er in slaap te vallen.
Hetzij de wandeling van den vorigen nacht mijne oogen had vermoeid,
hetzij de aanmerkelijke vermindering in de drukking der lucht haar
invloed op mijne zintuigen gelden deed: zeker is het dat ik mij zelven
geweld moest aandoen, om niet bij de bestijging der helling in slaap te
vallen.
Eindelijk bereikte ik den rand des kraters. Aanstonds verliet de
laatste zweem van slaap mijne oogen, en genoot ik van dit 3300 ellen
hooge observatorium een panorama, waarvan de wereld misschien geen
wedergade kan aantoonen. Hier blijkt beschrijven—onmacht. En hoe
prachtig ook het gezicht van dit verrukkelijk geheel was, hetwelk een
uitgestrektheid van meer dan twee honderd kilometers in de rondte
omvatte, werd nochtans mijn blik altoos weder teruggevoerd naar de
zwarte kloof, die ik een veertig ellen lager in het hart van den krater
zag rooken. Deze punt is op zijn hoogst tien ellen breed, maar het was
voor mij voldoende te weten dat hare loodrechte wanden tot op ongekende
diepten afdalen, tot in de onderaardsche werkplaatsen der lava’s, om de
geheimzinnige kloof niet dan met huiverende bewondering aan te staren.
Bijna doorschijnend aan den rand van den krater, ten gevolge der hooge
temperatuur daar binnen, verdikken zich de rookwolken zeer spoedig in
de koude lucht, en, terwijl zij uit den krater als groote zuilen van
damp opstegen, namen zij dadelijk den vorm eener groote wolk aan. Deze
rees als een zuil in den stillen dampkring tot op een hoogte, door mij
van beneden op 2000 ellen geschat; vervolgens in aanraking komende met
een luchtstroom, die naar het zuiden zich richtte, boog de kolom zich
bevallig over en ontplooide zich als een lichte sluier over den
geheelen hemel, om met de nevelen samen te smelten, die in de verte
over de zee van Afrika vlotten. En deze ontzaglijke wolk ontrolde zich
in de ruimte als een boog tusschen twee werelddeelen; bijna onder mijne
oogen zag ik haar van den grond zich verheffen, gelijk een snuivend
monster; nu en dan was zij rosachtig getint, het gevolg van de
weerkaatsing der lava, die in de diepte kookte!
Meer dan anderhalf uur had ik noodig om mijn tocht rondom den krater te
volbrengen, die evenwel slechts een kilometer in omvang bedraagt; maar
ik kon mij niet verzadigen aan het gezicht van de kloof, en aan het
verbazende contrast dat de steile, rood en goudgeel gestreepte wanden
van den krater met de groenende rondom den berg gelegen vlakten
opleverden. Overigens was er geen zweem van gevaar bij dezen
ontdekkingstocht. Het moeielijkste punt was de noordelijke hoorn, waar
talrijke rookgaten van hooge temperatuur den grond hadden afgebroken en
de ijzerslakken in een soort van warme, glibberige pap veranderd
hadden.
Het hooger stijgen van de zon waarschuwde ons dat wij spoedig aan onzen
terugtocht moesten denken. Door mijn kreupelen gids gevolgd, daalde ik
op een draf den hoogsten kegel van den vulkaan af; maar aan den voet
van dezen kegel werd onze tocht weldra vertraagd, want wij waren
verplicht door de sneeuw te waden, die door de zonnestralen ontdooid
werd. Boven het engelsche huis werden wij door den mist overvallen, en
ik moest bescheiden achter mijn gids loopen, wien ik had aanbevolen mij
naar een der steden te brengen, die ten westen aan den voet van den
berg gelegen zijn. Toen wij eindelijk uit de langs de hellingen
voortwentelende wolk te voorschijn kwamen, hadden wij reeds de
sneeuwvelden verlaten en doorkruisten wij in schuinsche richting banken
van ijzerslakken en zwarte zandbedden, waarin zich droppelsgewijs de
aan de bovenste sneeuwlagen ontsproten waterstraaltjes verloren. Het
dal van den Simeto, dat ik boven van den berg had aanschouwd, was
duidelijk zichtbaar, en ik kon er al de steden, al de gehuchten, al de
op zich zelf gelegen huizen onderscheiden. De rivier, in schijn
onbewegelijk, slingerde hare blauwe wateren rondom de schiereilanden
der vlakte voort.
Links ontwaarde ik die fraaie, gedeeltelijk met hout begroeide kegels,
den Minardo, den Peluso, die ter halverhoogte van den Etna oprijzen, en
door hunne stoute lijnen de eentonige helling van den berg zoo gelukkig
afwisselen.
Ongelukkig zijn de houthakkers op dezen bergwand aan den arbeid, en
binnen weinige jaren zullen de tegen het westen gekeerde hellingen die
van de zuidzijden niets in naaktheid toegeven.
Gaarne had ik het pad ingeslagen, dat regelrecht naar Aderno afdaalt,
maar de gids had waarschijnlijk zijne redenen dat hij mij een anderen
weg deed nemen, en vijf of zes mijlen meer zuidwaarts bracht hij mij op
den grooten weg. Daar ik hem nu verder kon missen, gaf ik hem zijn
afscheid, en terwijl hij in de een of andere schuur ging uitrusten,
vervolgde ik mijn weg naar de belangrijke stad Aderno.
Den volgenden dag zette ik mijn tocht om den Etna voort, maar in plaats
van den grooten weg te nemen, die langs de hellingen van den berg
verscheidene honderde ellen boven den Simeto kronkelt, daalde ik in het
dal af, ten einde den loop na te gaan, dien de rivier door de nieuwe
lava genomen heeft. Terwijl ik een bevallig voetpaadje volgde, dat aan
de andere zijde van het dal oploopt, stond ik weldra voor een der
grootste gedenkteekenen van Sicilië. Het is een waterleiding die, met
vrij wat meer recht dan de brug van San Leonardo, de ponte bij
uitnemendheid verdiende genoemd te worden. Voor meer dan een eeuw
doorsneed deze aquaduc, door reusachtige bogen van dezelfde hoogte
gedragen, het geheele dal, maar hij was tegen de stormen en
aardbevingen niet bestand. De prins, die toen eigenaar was der naburige
vlakte, veranderde haar in een duiker. Het aan den voet van den Etna
opgevangen water daalt van de oostelijke zijde des dals langs een
sterke helling, loopt vervolgens, boven de rivier, over een
horizontalen aquaduc van een dertig bogen en stijgt vervolgens, ten
gevolge der persing, de tegenoverliggende helling weder op. Met dat
groote werk is een brug van pyramidalen vorm, even als al de oude
bruggen van Sicilië, verbonden.
Boven deze waterleiding, ponte di Carcacci of van Aragona geheeten,
naderen de lavabanken, die de breede hellingen van het dal vormen,
elkander trapsgewijs, en het bed van den Simeto vernauwt zich hoe
langer hoe meer in den engen doortocht, dien de wateren zich zelven
gegraven hebben. Toch hebben zij hun uitgraving nog niet geheel
voltooid, daar zij op twee plaatsen watervallen vormen, een op Sicilië
zeer ongemeen schouwspel. Bij haar lageren val verdeelt de rivier zich
in verscheidene beken, die van een tamelijke hoogte naar beneden
storten, maar zoo smal, dat, zoo als men zegt, een vloo die met eenen
sprong zou kunnen overhippen: van daar den naam Salte del Palivallo of
„sprong van de vloo”. Nog hooger op, boven een oude,
allerschilderachtigste brug, heeft de stroom in 1610, door een van den
Etna dalenden lavadamp tegengehouden, zich een inham gegraven, aan
welks einden men het water in een aantal kaskaden naar beneden ziet
storten. Daar heeft men den Salto del Pecoraro of „sprong des herders”,
aldus volgens de overlevering genoemd, omdat hier een herder, om zijne
geliefde spoediger te ontmoeten, gewoon zou geweest zijn van den eenen
op den anderen oever over te springen. Overigens kwam deze daad mij
niet zoo hoogst opmerkelijk voor, en ik zou misschien gepoogd hebben
den stortvloed op dezelfde wijze over te springen, ware ik niet
bevreesd geweest op de gladde rotsen uit te glijden.
Van den Salto del Pecoraro naar de stad Bronte moet men een woestijn
van lava, gedeeltelijk oud, gedeeltelijk nieuw, maar overal toch
ongeschikt voor den akkerbouw, doortrekken; ter nauwernood ziet men
zelfs op de lagen, waarvan de oppervlakte reeds door den invloed van
lucht en weder is afgesleten, eenige geelachtige mossen, dotjes gras en
cactussen. Het algemeen voorkomen van het landschap is niet minder
woest dan de Val del Bove aan den anderen kant des Etna’s, maar het is
op verre na niet zoo grootsch: want om de gestolde zee van
metaalslakken verheffen zich hier niet zooals daar de reusachtige muren
van een onmetelijk amphitheater, en zelfs is de rookende kruin van den
vulkaan bijna overal voor het oog bedekt door uitstekende rotsen,
groote aschhoopen of op elkander gestapelde puinbergen. Al deze lagen
van zwarte of rosachtige lava, die elkander op de hellingen van den
berg als zoovele parallelloopende wallen opvolgen, zetten de omringende
streek een allerdroevigst en ernstig voorkomen bij.
Bronte, waar men eindelijk, na een allervermoeiendsten tocht over de
metaalslakken, aankomt, draagt nog terecht den naam van een Cycloop,
zoon der Titanen, die den donder smeedde. Aan alle kanten hangen
lavabrokken boven de huizen, talrijke kraters verheffen zich in de
nabijheid, en op de helling van den Etna gaapt een lange geul, die een
bed schijnt te zijn, bij voorraad gereed gemaakt om den vloed van
gesmolten stoffen te ontvangen, die zich op Bronte zoude ontlasten.
In weerwil van dit onophoudelijk haar dreigende gevaar, is Bronte toch
een zeer belangrijke stad; zij heeft een groot collegie, koepelkerken,
entrepôts, waar uitstekende wijn wordt opgeslagen, die later aan den
engelschen handel onder den naam van Marsala wordt afgeleverd. Nochtans
is het haast overbodig te zeggen, dat Bronte den reiziger slechts zeer
ellendige logementen aanbiedt. Terwijl ik aarzelde twee in smerigheid
met elkander wedijverende herbergen binnen te gaan, eindigde ik met
mijn intrek in het „logement de Wolf” te nemen, en wel naar aanleiding
van dit op het uithangbord geschilderde tweeregelige versje:
„Ospite, non temer di lupo il tetto;
Trovi senza periglio agio e ricetto.” [2]
Ongelukkig bemerkte ik te laat dat deze verzen een verschrikkelijke
spotternij waren; ik werd in alle opzichten als een schaap behandeld.
De zich beneden Bronte uitstrekkende vlakte maakt met de naburige
valleien een groot leen uit, door Ferdinand van Napels aan Nelson
geschonken ter belooning voor diens behulpzaamheid in het vermoorden
van zijn volk.
De weg, die van den Etna loopt, verheft zich langs een steile helling
boven deze bebouwde gronden en bereikt weldra de alpenstreken, waar men
noch olijfboomen, noch wijngaarden, maar alleen korenvelden en
woudboomen vindt. De pas, door welken men den noordwestelijken hoek van
den Etna omtrekt, heeft een hoogte van niet minder dan duizend ellen.
Van daar gezien, gelijkt de kolossus het meest op sommige bergen in
Midden-Europa. Indien ik op den top van den hoofdkrater de golvende
rookkolom niet had gezien, zou ik in den waan hebben kunnen geraken,
dat deze bevallige, met eiken en kastanjeboomen beschaduwde valleien,
deze zacht afgeronde hoogten, waarop de blanke sneeuw zich aan het
groen der pijnboomen paart, tot een of anderen berg der Alpen of
Pyrenaeën behoorde. Het stadje Randazzo, welks hooge muren en
vestingwerken in de middeleeuwen dat gedeelte van den Etna verdedigden,
schijnt eveneens uit een of ander noordelijk land naar Sicilië’s bodem
te zijn overgebracht. Het voorkomen van het stadje is somber en
ernstig, als in de dagen der normandische koningen.
Mijn laatste pleisterplaats op den grooten weg, die van Catania naar
Taormina en den Etna loopt, was de stad Linguagrossa. Ik voelde mijn
hart in mij bonzen toen ik die binnentrad, niet omdat ik er
kunststukken zou vinden, of een vriend ontmoeten, maar daar moest ik de
hellingen van den vulkaan gaan beklimmen, om den lavastroom en de
aschwolken te gaan bezichtigen, die nog uit het hart van den berg
opstegen. Reeds van Taormina uit had ik den rooden gloed der
uitbarsting kunnen onderscheiden; nu ging ik die van naderbij
bestudeeren; voor het eerst van mijn leven zou ik de boorden volgen van
een nog in beweging zijnden lavastroom; voor de eerste maal de
brandende vloeistoffen haar korst van slakken zien opheffen en zich
naar buiten verspreiden; voor het eerst de kolom van damp en asch
aanschouwen, die met donderend gefluit uit de onderaardsche kolken
opstijgt.
De eerste hellingen van den berg, aan den kant van Linguagrossa,
leveren niets dan oude lavalagen en graanvelden op, maar wanneer men de
hoogst gelegen pachterswoningen voorbij is, bereikt men het bevallige
plateau van Donnavita, waar het pad nu eens door grasrijke weiden,
straks onder groote pijnboomen en eiken voortslingert. Ongelukkig
ontmoet men van afstand tot afstand de houten hutten der kolenbranders
en houthakkers, die nu aan het werk zijn om het bosch te vernietigen en
alzoo den zuidelijken wand van den Etna onvruchtbaar te maken. Weldra,
wanneer de boomen zullen geveld en het gras zelf door den regen zal
vernield zijn, zullen er diepe kloven in de hellingen ontstaan en zal
de streek het voorkomen aannemen van een woestijn. Toen ik voorbijging
hadden de speculanten, die zich tot taak gesteld hadden den Etna van
zijne eeuwenheugende bosschen te berooven, hun goddeloos werk pas
aangevangen; de boomen met hunne breed uitgespreide twijgen stonden nog
overeind, terwijl de vogels, nog niet door den bijl verjaagd, lustig en
wel in het gebladerte kwinkeleerden. Zoodra de eerste stralen van den
dageraad, als zoovele pijlen door het netwerk der ontelbare takken
heendringende, geheel het gewiekte vogelenkoor hadden gewekt, was het
overal feest; en als ware het bosch niet veroordeeld geweest om weldra
te verdwijnen, begroette een concert van allerhande gekweel den
ontwakenden dag.
Verschillende ontploffingen hadden mij reeds aangekondigd, dat ik het
tooneel der uitbarsting naderde. Plotseling, bij een kromming van het
pad, zag ik een laag van zwarte en nog rookende lava, die het bosch
omgaf als de bouwval van een reusachtig bolwerk. Het was een arm van
den stroom van gesmolten stoffen, door den Etna uitgeworpen. De
geweldige metaalslakken, door de inwendige kracht der lava gespleten en
verwrongen, verhieven zich boven elkander als ineengekronkelde slangen
ter hoogte van tien en vijftien ellen; boomtronken, sommige half
verkoold, andere nog met hunne takken prijkende, lagen hier en daar op
de oppervlakte verspreid van den stroom die hen had medegesleept. Aan
de boorden van den gestolden vloed rezen op zich zelf staande of in
groepen bijeengevoegde pijnboomen op, die niet door de nabijheid der
gesmolten stoffen schenen geleden te hebben, en bewogen nog hun
gebladerte boven de opeengestapelde rookende massa.
Eenige boomen, om zoo te zeggen met een overtrek van lava bekleed,
vertoonden nog een zweem van leven, hoewel een vurige stroom zich om
hunne wortels gelegerd had. Een kleine heuvel, die op zijne hellingen
een boschje van pijnboomen torschte, verhief zich nog als een eiland
boven deze zee, die het met hare gloeiende golven hield omsloten. Op de
oppervlakte was de lava nog warm, maar toch viel het mij niet moeielijk
den als in een eiland herschapen heuvel te bereiken, terwijl ik over de
gestolde metaalslakken als over de ijsschollen eener rivier heenstapte.
Den oever van de gestolde laag volgende, kwam ik aan den voet van een
steile lavamassa, waar de aandrang der gesmolten stoffen zich nog
krachtig bespeuren deed. De gestolde korst verhief zich hier en daar,
spatte vervolgens met een metaalklank uiteen, terwijl de verblindende
massa naar buiten stroomde als het uit een smeltoven voortkomende
ijzer. Niet ver van daar ontwaarde ik een ouden met hout begroeiden
krater, waar, volgens het zeggen van mijn gids, twee lordi inglesi
eenige weken vroeger hunne tent hadden opgeslagen, om photographische
afbeeldingen van de uitbarsting te maken.
Aan den voet des ouden kraters, Due Monti genaamd, gekomen, zag ik
eindelijk de donderende heuvels, die zich trapsgewijs ter hoogte van
honderd ellen boven de kloof van den vulkaan hadden opgeworpen. De
hoogste kegel, waardoor de uitbarsting plaats heeft, werpt geen
metaalslakken of asch meer uit; de schoorsteen van den krater is met
brokstukken gevuld, en het inwendige woelen en koken blijkt alleen uit
de zwavelachtige of met zwavel en salpeter bezwangerde dampen, die als
rook uit de zijden van den heuvel opstijgen. De tweede kegel, op een
lager gedeelte van de kloof gelegen, staat nog in rechtstreeksche
verbinding met den lavahaard; maar hij brengt op den duur geen
donderend gedruisch voort, en rust als het ware van iedere ontploffing
om adem te halen uit. Een gerommel, aan dat van den donder gelijk,
kondigt de uitbarsting aan; groote grauwe dampwolken, met asch en steen
beladen, stijgen uit den mond van den vulkaan op, verdonkeren een
oogenblik de atmosfeer, laten hunne projectielen binnen een rayon van
verscheidene honderde ellen rondom den kegel vallen, om daarna, door
den wind voortgedreven, in de verte met de wolken van de lucht in een
te smelten. Wat de lagere kegels betreft, die zich onmiddellijk boven
de bron van lava verheffen, deze loeien steeds voort en werpen
onophoudelijk gesmolten stoffen uit hunne kolken op. De uit den
kokenden put opdwarrelende dampen verdringen elkander en verdeelen zich
aan den mond des kraters, de eene zijn rood- of geelachtig door den
weerschijn der gloeiende stoffen, de andere hebben verschillende
kleuren door de mede opgeworpen steenen en rotsblokken, maar zij
ontvluchten zoo snel, dat men hen met den blik niet volgen kan. Een
onbegrijpelijk gerucht van snijdende stemmen en geluiden komt uit den
grond voort: het is als het geraas van zagen, fluiten en tallooze
hamers die telkens op het aambeeld nedervallen. Men zou meenen het
geloei te hooren van de door storm voortgezweepte, op de rotsen
brekende golven, indien de plotselinge ontploffingen niet nu en dan
haar donderend geraas aan al dat woedende geweld der elementen paarden.
Men staat verschrikt, als voor een levend wezen, bij het gezicht van
die groep loeiende en rookende heuvelen, wier kegels steeds grooter
worden door de uit het hart der aarde opgejaagde en uitgedreven puinen.
Terwijl ik mij aan den westelijken voet der steenheuvelen bevond, was
het niet mogelijk de hoogsten hunner te beklimmen, want de wind blies
met vrij wat geweld in de richting van het noordoosten en dreef naar
dien kant de wolken van damp en asch heen. Alleen was ik genoodzaakt
snel te loopen, want de rookende grond bezat nog een hoogen
warmtegraad.
Terwijl ik dus met groote stappen voortschreed, kon ik mij rekenschap
geven van het algemeene voorkomen der heuvels. Hunne zwartachtige
hellingen waren hier en daar met goudgeel of sneeuwwitte lagen bekleed,
die niet anders waren dan daarop uit de dampen neergeplofte zwavel,
ammoniak- en keukenzout.
Rondom de kraters was de grond met asch bedekt, die de wind in den vorm
van duinen had opgewaaid. De dichtst bijstaande boomen schenen zoovele
in het zand geplante palen; het onderste gedeelte van hun stam was
bedolven, hun kruis was ontkroond of zelfs geheel en al gebroken;
eenige, reeds aan den voet verbrand, hingen schuins over de aschvlakten
heen. Ten zuiden toonden een zeer zichtbare uitholling en groote
spleten in den grond, op verschillende plekken van de lange helling van
den Monte Frumento, de kloof, waaruit, in den nacht van den 30sten op
den 31sten Januari 1865, de eerste lavastroom gevloeid was. Deze
overstrooming van gesmolten stoffen, die plotseling het bosch
overweldigden, had duizende boomen weggeraapt, hoewel enkele krachtige
stammen weerstand hadden geboden, en zelfs, ten teeken van hunne
overwinning, gestolde stukken lava op hun schors droegen. Op de plek,
waar de vuurstroom voorbij was gegaan, had een vroeger reiziger een
pijnboom ontdekt, welks stam, bij wijze van overtrek, op een tiental
ellen boven den grond een dikke metaalslak droeg, blijkbaar door den
aan den Frumento ontsnapten stroom aangevoerd. Een lekkerbek zou dit
stuk steen bij een aan ’t spit gestoken schapenbout vergeleken hebben.
Een groot gedeelte van den dag bracht ik aan den voet dezer ongenoemde
heuvels door, waaraan men voortaan naar recht en billijkheid de namen
moest geven der geleerden door wie zij zijn bestudeerd, als daar zijn
Fouqué, Silvestri, Viotti, Grassi; daarna daalde ik langzaam naar
beneden, terwijl ik den oostelijken oever van den lavastroom volgde tot
aan den rand van den afgrond van Cola Vecchia, van welks hoogte een
katarakt van steenen en gloeiende stoffen, eenige dagen na het splijten
van de zijden des bergs, was neergetuimeld. Niet ver van daar heeft men
een pachterswoning, waar mijn gids mij een onderkomen verschafte. Het
eenige op dezen tocht geleden verlies was dat van mijn hoed, die door
eenige nog brandende en uit de kraters opgeworpen steentjes doorboord
was.
De weg, dien ik den volgenden dag moest inslaan om den grooten cheire
van Zaffarana, in 1852 uit den Val del Bove voortgekomen, te bezoeken,
loopt op een kleinen afstand van den beroemden kastanjeboom der
Honderd-Paarden. Deze reusachtige boom is niet meer wat hij in de
vorige eeuw was; het is zelfs geen boom meer, maar een groep van drie
stammen, waarvan de twee voornaamsten reeds volkomen in het hart zijn
aangetast. In de dagen van zijn roem bedroeg de omvang van den
kastanjeboom van Honderd-Paarden niet minder dan zestig ellen. De
prachtige kastanjeboom van de Nave, dien men nog op een geringen
afstand in het noorden ziet, heeft slechts achttien ellen omvang; maar
hij is nog niet, als de genoemde, van ouderdom verteerd, en zijne
geweldige takken breiden zich verre uit, om zich te vermengen met de
twijgen van een anderen bijna even reusachtigen boom. Overigens zullen
zij, die niet alleen de boomen om hun kolossalen omvang of hoogen
ouderdom bewonderen, op deze zelfde helling van den Etna duizende
kastanjeboomen, eiken en abeelen aantreffen, die inderdaad prachtig
zijn om hun fraaien stam, hun zuivere schors, de bevalligheid en den
adel van hun voorkomen. Hoewel de boomen schaarsch en weinig
beteekenend zijn, wordt de zwarte mestaarde gestadig vochtig gehouden
door het doorsijpelen van de sneeuw, en kan het hout der boomen de
noodige sappen vinden.
Zaffarana, mijn tweede pleisterplaats op de oostelijke helling van den
Etna, is een groot dorp aan het lagere einde van den lavastroom, die in
1852 uit den Val del Bove vloeide, en die, in de hedendaagsche
geschiedenis van den vulkaan, alleen met de uitbarsting van den Monte
Frumento kan worden vergeleken. Ook kon ik niet nalaten dezen stroom te
onderzoeken, te meer daar het mij de gelegenheid schonk dien afgrond
van den Val del Bove, dien ik reeds van de sneeuwhoogte des bergs
aanschouwd had, weder te zien. Ik was zelfs zoo gelukkig, mijn
geestdrift over te storten in het hart van een eleganten Cataniaschen
burger, die te Zaffarana was om ik weet niet welke belangrijke zaak. De
brave kerel was in de schaduw van den Etna geboren; hij had altoos den
witten rook er van in de lucht zien dwarrelen, en toch was hij nooit op
het denkbeeld gekomen hem te bestijgen, of zelfs maar een der kleine
kraters te bezoeken, die men op de zijden van den berg in menigte
aantreft. Ik verweet hem zijne onverschilligheid, en des avonds, toen
wij elkander wederkeerig goeden nacht wenschten, was mijn kameraad er
vast toe besloten krachten te verzamelen voor den volgenden dag.
Inderdaad waren wij beiden op het bepaalde uur gereed en begaven wij
ons dapper op marsch. Alles ging uitmuntend zoolang wij nog op het
gebied der tuinen van Zaffarana waren; maar voorbij een steenachtig
veld, dat aan de eene zijde door moeielijk te beklimmen steilten en aan
den anderen kant door een muur van metaalslakken, afkomstig van de
groote uitbarsting, ingesloten werd, bemerkte ik dat mijn vriend de
Cataniër den moed liet zakken.
Het was recht warm: geen zuchtje drong door in de soort van put, waarin
wij ons bevonden. Echter deed de toerist-leerling eenige vruchtelooze
pogingen om een eerste helling te bestijgen, door zich aan de struiken
vast te klampen; maar deze eerste proef scheen hem voldoende: hij
overwon het gevoel van schaamte, dat hem nog aan mijne zijde deed
blijven, en terwijl hij mij allen mogelijken zegen op mijn pad
toewenschte, keerde hij naar Zaffarana terug.
De beklimming van het voorgebergte, dat den zuidelijken rand van den
Val del Bove vormt, gaat inderdaad zeer moeielijk; maar hoe ziet men
zijne vermoeidheid beloond, als men den top der steilte bereikt heeft!
De groote kegel van den vulkaan vertoont zich in al zijn luister,
terwijl hij als twee groote armen de wanden van den Val del Bove,
beurtelings wit en zwart gestreept, door de lavamuren en de
sneeuwvallen vooruitsteekt. In de verte ontwaart men het uitgebreide
veld van metaalslakken, welks oppervlakte niet minder dan
vijf-en-twintig vierkante mijlen beslaat; uit het hart dezer zee
verheffen zich hier en daar, als eilandjes, afzonderlijk gelegen rotsen
en de kraters, aan wier voet de uitbarsting van 1852 een begin nam.
Deze groote stroom, die zich van de oudere lava’s door zijn ijzerkleur
zeer duidelijk onderscheidt, verspreidt zich eerst in het veld,
vervolgens splitst hij zich in drie afzonderlijke armen, waarvan de
twee voornaamste verder zich op nieuw in de velden van Milo en
Zaffarana vereenigen. De zuidelijke arm werpt zich met een grooten val
in het kleine gesloten bekken van den Val van Colonna, waar men enkele
brokken weiden aantreft. In de streek van den Etna wordt het oog door
weinig verrassender tooneelen aangedaan dan die van dezen zwartachtigen
lavaval, welke van een hoogte van 120 ellen naar beneden stort en door
een groote rots wordt gekroond, in het midden van den stroom als de
rots van den Niagara oprijzende.
De lavastroom van 1852, een der aanmerkelijkste die in de nieuwere
tijden uit de zijden van den Etna is voortgevloeid, is ook een van die,
welke de meeste schade heeft aangericht, want door zijn onderste laag
werden de velden bedekt, die onder de best bebouwde van Sicilië
gerekend werden. Daarenboven verdorden eensklaps de wijngaarden en de
boomgaarden, beneden de verst voortgedrongene lavastroomen gelegen,
alsof hunne bladeren door de hitte van den brand waren vernield. Om dit
zonderlinge verschijnsel te verklaren, moet men weten dat zekere aderen
van den grooten lavastroom de spleten van den grond binnendrongen, en
de een of andere holligheid in den berg onder de vermelde boomgaarden
vulden; daar de wortels het noodige vocht dierven moesten de boomen wel
sterven.
Te Zaffarana teruggekeerd, behoefde ik slechts den voet van een
fraaien, door landhuizen omgeven kegel om te trekken, om het dorpje
Via-Granda te bereiken, van waar uit ik den tocht om den Etna had
aangevangen. Weldra kwam ik weder te Aci-Reale en den volgenden dag te
Catania, na met blijdschap de Cyclopen-eilanden en het kasteel van
Aci-Castello terug te hebben gezien.