Messina.—De Scala.—Gezicht van Messina en van de
Straat.—Bombardementen en aardbevingen.—Messina’s belangrijkheid
als koopstad.—De Straat van Faro.—De kwallen van de haven.—De
spoorweg van Messina naar Catania.—De fooien en de
bedelaars.—Bestijging van kaap Alessio.—Het theater van
Taormina.—Gezicht van den Etna en van de uitbarsting des
Monte-Frumento.
Ik kon mij echter te Milazzo niet lang ophouden, maar spoedde mij van
daar naar Messina, en wel langs de kust door dichte olijfbosschen. Hier
en daar heeft men enkele lage met tamarisken bedekte duinen. Eenige
vervallen dorpen omzoomen den weg, terwijl tot ver op de hoogten oude
schilderachtige kasteelen en gedeeltelijk gerooide bosschen zich aan
het oog voordoen. Toch blijft de gezichteinder beperkt tot aan de bijna
altoos droge rivier del Gallo; als men die is overgetrokken begint men
te klimmen. In plaats van het zeestrand te volgen, loopt de weg
zigzagsgewijs langs de steile bergen op, die ten westen van Messina
oprijzen, en ontsluiert zich voor het oog des reizigers al meer en meer
het uitgestrekte panorama der siciliaansche kusten en der zee van
Lipari.
Nog bevindt men zich op de noordelijke helling van het eiland, op een
afstand van ten minste tien kilometers van Messina: maar, als men op
den fiscus let, zou men wanen reeds zijn intocht in de stad te hebben
gedaan; want de ambtenaren der belasting, die aan den voet van den berg
op post zijn gesteld, onderzoeken naar hartelust de karren en de met
bagage bedekte rijtuigen, en tasten onbeschaamd in de zakken der
voorbijgangers, om te zien of zij ook kaas of flesschen olie met zich
voeren. Dit cordon van douanen strekt zich langs eene geheele bergketen
uit.
Voor gewone rijtuigen duurt de bestijging, die lang en moeielijk is,
niet minder dan twee uren. Men komt langs de olijfstreek; vervolgens
voorbij het dorp Gesso, geheel met torens en oude bolwerken uit de
middeleeuwen omheind, en trekt eindelijk diepe ravijnen tusschen met
heideplanten bewassen hellingen door. Geen huis, zelfs geen boom doet
zich aan het oog voor: slechts de eentonige opvolging der bruine of
roodachtige bergtoppen. Indien men den helderen hemel niet boven zich
had, noch den geur der welriekende planten inademde, zou men meenen te
midden van de schotsche Hooglanden of de ruwe streken van sommige
deelen van Ierland te zijn.
Eindelijk bereikt de weg het hoogste punt van de Scala, en alles
verandert als bij tooverslag. Aan zijne voeten ziet men een afgrond
gapen, waaruit de toppen van scherpe met pijnboomen begroeide heuvels
oprijzen. In de laagte ontplooit zich, als een relief in miniatuur, de
stad Messina met vestingwerken en kloosters omgeven, en schuift in het
midden der blauwe wateren het bevallige schiereiland vooruit in den
vorm van een sikkel, waaraan het den griekschen naam van „Zankle” te
danken heeft. Ten zuiden rolt de Ionische zee tot aan den onmetelijken
gezichteinder hare wateren voort; ten noorden rust de blik op de
beroemde straat van Faro, waarop sedert de dagen van den wijzen Ulysses
zoovele zeevarenden zich hebben gewaagd, en die van hier gezien een
breeden, kronkelenden stroom gelijkt. De blik kan hem geheel en al
overzien, met zijne door de stroomingen veroorzaakte rimpels en kolken.
Bij het zandige punt van Faro onderscheidt men duidelijk het witte
schuim van den Charybdis en het worstelen der golven, die of in het
kanaal zelve of bij den ingang tegen elkander inloopen. Stoombooten,
een lange voore achter zich latende en haar rookpluim ontplooiende,
schieten door geheele vloten van onderscheiden zeilvaartuigen heen, die
zich doodbedaard laten voortstuwen al naar de luim van de zee het
medebrengt. Op den tegenovergestelden oever smelten de steden en
dorpen, Reggio, San-Giovanni, Scylla, Bagaria tot een onafgebroken lijn
van in de zon schitterende huizen ineen; maar boven de bevallig
omtuinde villa’s ontwaart men in de hellingen sombere grotten, als
lange plooien in een mantel, die door de roodachtige rotsmassa van
Aspremonte, voor altoos door Garibaldi beroemd geworden, heen
slingeren. Aan de zijde van Sicilië tilt de bergketen der Peloren
ontelbare, in scherpe punten uitloopende toppen hemelwaarts, bekleedt
hare zijden met groen heestergewas en bijeengegroepte boomen, terwijl,
aan den kant van Italië, het vasteland allerprachtigst eindigt in een
dorren berg met een eentonige spits gekroond. Het gezicht op de
siciliaansche hoogten is allerschilderachtigst, terwijl het laatste
voorgebergte van Europa iets plechtigs en ontzaglijks heeft.
Als een wervelwind dalen wij boven van de Scala naar Messina af. De
naar beneden loopende weg slingert zich met snelle wendingen om de
ravijnen en bergwanden, gaat langs villa’s en kloosters, en verlengt
zich tot in de stad over een uitgedroogd bed der rivier. Nog staat het
statige gezicht der zee en der bergen ons voor oogen, en reeds rolt het
rijtuig over het witte plaveisel der Garibaldi-straat en krijgt men
niets meer van de natuur te zien, dan bij iedere dwarsstraat een
vluchtig kijkje op de blauwe wateren van de haven en de bergen van
Calabrië.
De inwoners van Messina zijn niet weinig aan hunne stad gehecht.
Gedurende de verschillende belegeringen, die zij hadden door te staan,
hebben zij zich tot het uiterste verdedigd, en zelfs de vrouwen, zoo
als een oud krijgsdeuntje vermeldt, hebben met hare echtgenooten en
broeders in geestdrift gewedijverd, waar het aankwam op het beschermen
van hare haardsteden en altaren. Bij den opstand in 1848 werden de
napolitaansche soldaten uit de stad en de hooggelegen straten verdreven
en de opstandelingen bijgestaan door de dames van Messina, die de
bronzen standbeelden der Bourbons tot kogels hielpen smelten, bestemd
om van de heuvels het kanon der citadel te beantwoorden. Maar de
citadel bleek onneembaar en spaarde de stad, vooral dat gedeelte,
hetwelk den naam van Terra Nova draagt, niet. In 1861 toonde zij zich
genadiger, ofschoon het blijkt dat de bevolking zeer voor een nieuwe
bestraffing uit de vuurmonden dier vesting bevreesd was: immers nog
heden ten dage leest men op menige woning dit beschermende opschrift:
proprietà francese, proprietà inglese, proprietà prussiana.
Messina, zoo als te hopen is, zal geen bombardement meer hebben door te
staan, maar zoo de stad al geen vrees behoeft te koesteren voor de
vijandelijke kogels, toch wordt zij altoos bedreigd door de in haar
bodem besloten gassen. Messina ligt als het ware in het midden tusschen
de met elkander in gemeenschap staande vulkanen van Sicilië en
zuidelijk Italië, en misschien dat hare ligging in het dal door de
straat gevormd medewerkt tot vergrooting van het gevaar. Geen enkele
stad in Europa is meer regelrecht door de aardbevingen bedreigd
geworden dan Messina; niet een heeft er zóó door geleden. In 1783
werden er honderde huizen en torens door omvergeworpen, terwijl de
gewelven der kerken scheurden en spleten, en de geweldig opgezette zee,
na in een oogwenk twee duizend op den oever der Scylla saamgestroomde
menschen te hebben verzwolgen, de haven van Messina binnendrong, al de
schepen deed zinken, en de prachtige rij paleizen, die den oever
omzoomden, wegspoelde. Meer dan twaalf duizend personen kwamen bij dit
verschrikkelijke ongeval om, en hoewel er bijna zeventig jaren sedert
deze ramp zijn voorbijgegaan, kan men er nog op verschillende plaatsen
de uitwerking van zien. Zelfs in het Corso liggen nog altijd een aantal
muren omver en gespleten, zijn verscheidene kroonlijsten verdwenen, en
heeft een massa beeldhouwwerk plaats gemaakt voor muurbloemen en andere
door den wind gezaaide planten. Gedurende de voorspoedige jaren der
negentiende eeuw hebben de inwoners van Messina voor een groot gedeelte
hun stad weder opgebouwd, en zelfs nieuwe wijken voor de altoos
aanwassende bevolking gesticht; maar ieder oogenblik kan een nieuwe
reeks van aardschokken den grond doen schudden en nogmaals de stad in
een puinhoop veranderen. Ongelukkig genoeg kan de tegenwoordige
wetenschap den periodieken terugkeer dezer vreeselijke
natuurverschijnselen nog niet voorzien of aankondigen; en hoewel de
richting die deze aardschuddingen nemen vrij wel bekend is, heeft de
gemeenteraad van Messina er niet aan gedacht het plan der stad te
wijzigen, opdat voortaan de huizen alleen zouden gebouwd worden in een
met de golvende beweging van den grond gelijkloopende lijn. Eer men tot
het nemen van zulk een maatregel overgaat, zal misschien een nieuwe
aardbeving den grond hebben omgekeerd.
Door al de oorlogen, bombardementen en aardbevingen laat het zich
begrijpen dat de stad Messina, zoo uitmuntend voor den handel gelegen,
geen groote belangrijkheid heeft verkregen. De haven dezer stad is het
centrale punt der Middellandsche zee; aan de eene zijde strekt zich de
Ionische zee tot aan de stranden van het oosten uit; aan de andere
zijde reikt de Tyrrheensche zee tot aan de Golf van Lyon en besproeit
de spaansche en fransche kusten. Messina is dus de natuurlijke
stapelplaats voor al de vaartuigen, die den onmetelijken handel ter zee
tusschen het westelijk Europa en den Levant drijven. De reede is
daarenboven een voortreffelijke toevlucht voor vaartuigen, en er kunnen
schepen van den grootsten diepgang zonder vrees het anker werpen. De
vorming dezer haven, wier natuurlijke, tot verweg zich uitstrekkende
zeebrekers door de hand der menschen schijnen gelegd, is uit een
geologisch oogpunt des te merkwaardiger, daar de kust van Messina zeer
steil is en met een vrij scherpen hoek in de zee afdaalt. Men kan het
bestaan dezer haven en van het bochtige schiereiland der citadel zich
slechts verklaren door een wegzakking van den grond, of door de werking
van kolken in de eertijds wel engere straat van Charybdis. De Ouden
geven er een veel eenvoudiger verklaring van. Op zijn tocht door
Sicilië zou Saturnus, de vader der goden, zijn geweldig groote zeis in
het hart der golven hebben laten vallen;—maar helaas! heeft men sedert
dien tijd toch niet opgehouden te sterven.
De belangrijkheid van Messina kan niet anders dan aanwassen, wanneer
het noorden van Afrika in de geschiedenis der aarde de rol zal hebben
op zich genomen, waartoe het blijkbaar door zijne gelukkige ligging aan
de boorden der Middellandsche zee geroepen is. Wanneer Port Saïd,
Benghazi, Tripoli, Tunis, Algiers, even als Alexandrië, groote
handelsteden zullen geworden zijn, kan het niet missen of Messina, in
het midden van al deze lijnen tusschen de meeste plaatsen der
Middellandsche zee gelegen, zal op een verbazende wijze met al deze
veranderingen haar voordeel doen. Laat ons ook hopen, dat, op een min
of meer verwijderd tijdstip, Messina het eerste siciliaansche station
van den grooten ijzeren spoorweg van Parijs naar Syracuse en Girgenti
zijn zal. Reggio zal het uitgangspunt wezen van een spoorweg, die
Italië in zijn geheele lengte zal doorsnijden. Spoedig daarop zal het
geheel voltooide siciliaansche net de reizigers en koopwaren overvoeren
naar de kaaien der stad, die Reggio van den anderen kant der zeestraat
aanstaart. Wat zal er dan te doen overblijven, dan een viaduct te slaan
over de beide tegen elkander overliggende oevers, waarvan de uitvoering
tot de wonderen der wereld zou behooren, maar niettemin te
verwezenlijken zou zijn. Maar dit zou in elk geval ook al door
vreemdelingen moeten tot stand worden gebracht; want in alles is de
stad Messina haar materieëlen vooruitgang hoofdzakelijk verschuldigd
aan de Duitschers, Engelschen, Franschen en Italianen van het noorden,
die zich hier van den handel hebben meester gemaakt, en door den
spoorweg zich ook het monopolie van het vervoer te land verzekeren. In
spijt van hare liefde tot den geboortegrond, laat de bevolking van
Messina aan de bewoners van het vasteland de zorg over om het land te
verrijken en wegen, fabrieken, villa’s en paleizen aan te leggen.
Trotsch op haar heerlijk klimaat, haar haven, haar straat, hare bergen
en alles wat de natuur haar geschonken heeft; wat nog meer zegt,
hoogmoedig op de heldhaftige worstelingen zich voor hare
onafhankelijkheid getroost, heeft zij toch het recht niet zich te
beroemen op haar vooruitgang en volharding, waar er sprake is van de
werken der beschaving. Door een groot deel harer inwoners wordt de
bedelarij meer op prijs gesteld dan de arbeid; het wemelt op de hoeken
der straten en op de kaaien van bedelaars, die, onder het uiterlijk van
hôtelbedienden, van schuitenvoerders, van vetturini, den vreemdeling
slechts zoeken te bedriegen en in een minuut of vijf het
levensonderhoud voor een week te winnen. Het openbaar onderwijs moet
wel in een erbarmelijken toestand verkeeren, als men de armzaligheid
nagaat van twee of drie boekwinkels, die men op den Corso en in de
Garibaldi-straat aantreft. Overigens heeft men slechts de leelijke
ongewasschen gezichten aan te zien van een groot aantal inwoners van
Messina, om er van overtuigd te zijn, dat zij nog vrij wat vorderingen
moeten maken, zoo zij, evenals hunne voorvaderen van Messina, op den
titel van edele burgers aanspraak maken kunnen.
Even als te Palermo en in bijna alle andere siciliaansche steden, is de
smerigheid der binnenwijken waarlijk allerverschrikkelijkst. Rondom
zekere kerken en aan de boorden der fiumare die door de stad
heenloopen, zijn een aantal huizen slechts afzichtelijke hutten, waar
de mannen en vrouwen hot en haar bij elkander wonen te midden van
allerhande stank en rottende voorwerpen. Toch, bij het uitbreken van de
cholera of iedere andere pest, zouden honderden van deze rampzalige
schepsels misschien meer geneigd zijn in opstand te komen om de
gewaande „vergiftigers” te vermoorden, dan om hunne ellendige krotten
schoon te maken. De voornaamste straten en de beroemde Marina, die de
kaai omzoomt, zijn zelven, in weerwil van haar aanmatigenden bouwtrant,
meer dan smerig. De haven, waarin al de onreinheden der stad zich
ontlasten, zou, even als de haven van Marseille, slechts een geweldige
vuilnisstal zijn, indien zij niet ten noordoosten openlag voor den
stroom uit de Straat. Ontelbare zeekwallen, door het volk zeespeeksel
geheeten, zijn onophoudelijk bezig met het water in de haven te
reinigen. Deze schepsels onderscheiden zich van de meeste andere
kwallen door den rijkdom van kleur en hunne schoone vormen. Hun
doorschijnende mantel is met rose of violet dooraderd, en iedere
golving, iedere plooi wijzigt de zachte tinten; de tentaculen, eveneens
rooskleurig, zijn dun als draden en dobberen bevallig op de golven. Bij
millioenen bevolken deze dieren het water der haven van Messina; vooral
vereenigen zij zich in zwermen in de nabijheid der vaartuigen, en de
golf, die hen wiegt, knoopt hunne vliezen in onoplosbaar netwerk samen.
Geen roeispaan beroert het water zonder een hoop dierlijke vezels op te
halen. Over dag heeft het water, dat van kwallen wemelt, vaak een
roséachtige kleur, en des nachts schittert de zee van een dof
phosphorisch licht.
Tegenwoordig verbindt een spoorweg, die onder langs de bergen van de
kust loopt, Messina met de stad Catania, een honderd kilometers ten
zuiden, niet ver van den voet des Etna’s. Het is een groote
vooruitgang. Overigens blijven zij, die tegen de spoorwegen uit naam
van het schilderachtige protesteeren, altoos vrij om de kust te volgen
en alzoo den gewenschten langzamen voortgang te huldigen.
In 1865 had ik geen keus tusschen den spoorweg en den stofferigen weg,
en ongelukkig belette de zorg voor mijn bagage mij te voet te gaan.
Immers het was alles behalve een genot dien tocht af te leggen in een
kar, die den weidschen naam van diligence droeg en door de
postadministratie werd bezorgd. Gezwegen van het voertuig zelve, een
oude kast, die men zich niet de moeite gaf schoon te maken, en die
verschrikkelijk naar leer en allerhande vetwaren rook, hadden wij veel
uit te staan van het stof en van het hotsen. Op de plekken, waar de weg
tamelijk goed is, wordt men in een wezenlijke wolk gehuld en is het
onmogelijk zonder sluier voor den mond adem te halen. Nu en dan is men
echter bevrijd van het stofeten; het is alleen dan als men het
steenachtige bed van de een of andere fiumare doortrekt.
Maar de stof en het rijden door dergelijke droge stroombeddingen zijn
niet de eenige bezwaren, die een reis met de diligence op dezen kustweg
oplevert: zij stelt de vreemdelingen ook aan de onbeschaamdheid der
bedelaars bloot, die de roovers van eertijds hebben vervangen. Eer men
Messina verlaat, draagt de signor corriere reeds zorg, de niet
siciliaansche reizigers, als hij die in zijn rijtuig heeft, te
waarschuwen dat zij niet kwaad zouden doen zich van de noodige koperen
geldstukken te voorzien, ten einde aan alle aanvragen te voldoen. In de
eerste plaats hebben de postiljons, krachtens een vrij oude
overlevering, het recht verkregen vijf baïocchi per iedere halte, boven
de voor de reis bepaalde som, te eischen. Vervolgens laat de corriere
zelf nooit na zijne tochtgenooten de op den liefelijksten toon
uitgesproken woorden en de innemendste blikken toe te dienen, om,
zonder iets bepaalds te zeggen, te doen begrijpen dat zijne aanspraken
op de edelmoedigheid der hooggeschatte vreemdelingen nog veel gegronder
zijn dan die der postiljons. Daarbij, als men even het hoofd aan het
portier brengt, ziet men aan alle zijden niets dan lieden met
uitgestoken handen: aan de dorpen, voor de vensters der huizen, zijn
het kreupelen, kranken, grijsaards en in lompen gekleede vrouwen;
eindelijk voor de kerken, de bedehuisjes, de tallooze langs den weg
staande kapellen, zijn het bedelmonniken, zich aanbiedende om een Pater
of Ave op te zeggen voor hen die hun eenige geldstukken toewerpen. Een
hunner, een jong mensch in de kracht des levens, vervolgde ons bij het
oversteken van een vrij lange fiumare, terwijl hij ons verzocht een
tamelijk ruw gesneden heiligenbeeldje te koopen. Ik had reeds vrij wat
zonderlinge siciliaansche monniken gezien; maar geen enkel kwam mij zoo
vreemd voor als deze verwonderlijke hardlooper met opgeschorte pij,
haveloozen baard en krijschende stem.
Ik zou hier een vergelijking kunnen inlasschen van dit bedelvolkje met
dat van andere landen, onder anderen met de onbeschofte spaansche
broeders van hun gilde, die u de hand toesteken alsof zij in de andere
een mes hielden, en dan tot het resultaat komen dat de siciliaansche
aalmoesvragers van een geheel ander ras en bij slot van rekening zeer
onverschillig zijn. Maar er rest mij nog zooveel te beschrijven behalve
hetgeen ik zou willen schetsen,—zooals de antieke, op een voorgebergte
tronende citadel van Forza d’Agro, een waar arendsnest gelijk de
dichters zeggen—dat ik den lezer voeren moet naar de andere zijde van
kaap Alessio, die een geheel bijzonder karakter van woeste schoonheid
aanbiedt.
De rots van het voorgebergte is over hare geheele hoogte gespleten, en
vormt beneden een zwart schietgat van genoemde citadel, een soort van
put, waarin allerhande slingerplanten in dichte trossen, als een
waterval van groen, afdalen. Boven den vrij diep in het graniet
uitgehouwen weg is de berg—die zeker een groot aantal aardbevingen en
schokken te verduren heeft gehad—geheel met spitse punten omringd en
met blokken bezaaid, die in kleur en vorm verschillen en aan het geheel
het voorkomen van een bajert geven. Vóór u, aan den anderen kant, rijst
de groote rots van Taormina op, wier voet allerbevalligst door de zee
in steilten en inhammen is afgedeeld; men zou wanen geweldig groote ver
in zee zich uitstrekkende leeuwenklauwen te zien. Op dit oogenblik
loopen door al deze vooruitstekende landtongen tunnels, door wier
duistere gangen de spoorweg, de schoonheden der natuur verachtende,
heenstuift; maar de reizigers, die de pracht der natuur weten te
schatten, zullen nooit nalaten er voor Alessio uit te stappen, om te
voet de beide voorgebergten te beklimmen.
Dat, waarop Taormina gelegen is, laat zich vrij moeielijk bestijgen;
het is een natuurlijke citadel, minder ontzaglijk op het gezicht dan
Forza d’Agro, maar niettemin van een onheilspellend voorkomen. De stad
bestaat uit een rij huizen, op een enge bergvlakte tusschen het dal en
de steile rots gelegen, waarop het oude beroemde kasteel zich verheft,
sedert de tijden der Saracenen door al de veroveraars des lands
telkenmale hersteld. Tauromenium onderging het ongelukkige lot van alle
zoo goed door de natuur verdedigde steden: sedert eeuwen werd zij door
al de tirannen van Sicilië elkander hardnekkig betwist. Tijdens den
grooten slavenopstand op Sicilië, was deze stad het bolwerk der
vrijheid; de opstandelingen verdedigden er zich met onverschrokken
volharding; liever dan zich over te geven, verslonden zij elkaar, en de
Romein Rupilius zou, indien een verrader er hem niet had binnen
gebracht, er niets dan lijken gevonden hebben.
Bij het vallen van den nacht bevond ik mij te midden van het
onvergelijkelijke theater van Taormina, waar meer dan twintigduizend
binnen hare wanden verzamelde Grieken tegelijk de verzen van Æschylus
konden toejuichen en den rookenden top van den Etna aanschouwen.
Terecht doen de reizigers een pelgrimstocht naar deze beroemde plek,
van waar men tegelijk het uitzicht heeft op de wijkende kust van
Messina, de bergen van Calabrië en den fieren kolossus, aan welks voet
geheel Sicilië gelegen is. In niet ééne streek ter wereld hebben de
menschen tot nog toe op een indrukwekkender wijze de wonderen der kunst
met de majesteit der natuur kunnen vereenigen! Meer dan tweeduizend
jaren zijn verloopen sedert het tijdstip, waarop de Grieken zulk een
volmaakte uitdrukking aan hun gevoel voor het schoone hebben mogen
geven, maar helaas, verre van hen daarin op zijde te streven, schijnen
zij, die de Grieken en Romeinen op Sicilië zijn opgevolgd, het zich tot
taak gesteld te hebben de gedenkteekenen hunner voorgangers te
vernietigen. Zelfs zij, die zich voor Mecaenassen, voor vurige
beoefenaars der schoone kunsten hielden, en meer bepaald een zekere
hertog van Santo Stefano, hebben tot dezen Vandalen-arbeid medegewerkt
door de standbeelden en ander marmerwerk weg te voeren, om er hunne
paleizen mede op te luisteren. Uit hetgeen er van het oude grootsche,
door de Romeinen hernieuwde theater is overgebleven blijkt intusschen
genoegzaam, dat het een monument van zeldzame schoonheid was. Men kan
niet nalaten de granieten zuilen, de van hare standbeelden geplunderde
nissen, het tooneel, het best bewaarde van al de in Europa aanwezige
gebouwen van dien aard, te bewonderen. Maar wat vooral de bouwvallen
van het theater van Taormina zoo schoon maakt, zijn de bogen, waar
doorheen men het blauw des hemels of der zee, en de tusschen de
struiken schuilende marmerblokken te midden van in het wilde
opschietende heesters ontwaart.
Toch beproefde ik het niet, bij de meer en meer vallende schemering, in
al hunne bijzonderheden de overblijfselen van het theater van Taormina
te bestudeeren, want de Etna bood mij een schouwspel aan, dat voor mij
nog oneindig veel meer aangrijpends bezat. Het was voor het eerst dat
ik den vulkaan van nabij voor oogen had, en op zijn naar het zuiden
gekeerde zijde, juist vlak tegenover mij, onderscheidde ik de roode
lava, die er over heen vloeide. Sedert ongeveer twee maanden was de
berg loodrecht aan de naar het noordoosten gekeerde zijde gespleten, en
uit de geweldige, ongeveer vier kilometers lange scheur kronkelde de
rook opwaarts en dwarlden allerhande gesmolten stoffen rond. Een der
grootste nevenbergen van den Etna, de Monte-Frumento, gaapte bijna van
boven af tot beneden toe, en de spleet strekte zich van den voet des
bergs tot aan een eertijds met hout bewassen plek, waarop zich nu
eenige uitgebrande kegels verhieven, uit. Op dit gedeelte van den berg,
ter gemiddelde hoogte van twee duizend ellen, lag nu het middelpunt der
nieuwe uitbarsting. Zichtbaar vormden zich een aantal heuveltjes, uit
stukken van gesmolten stoffen bestaande, benevens tallooze aschhoopen,
en uit haar voet vloeide een ontzaglijke lavastroom, die, na de
bosschen van het bergplat verwoest te hebben, langs de hellingen van
den Etna nedergolfde, de dalen vulde, en de bloeiende velden overdekte.
Van de muren van Taormina af, dat wil zeggen op een afstand van
achttien tot twintig kilometers, was het mij onmogelijk de uitbarsting
in al hare bijzonderheden na te gaan, vooral te midden der duisternis,
die langzamerhand meer en meer begon toe te nemen. Maar het grootsche
dat het geheel kenmerkte was zooveel te treffender. Een groote massa
witachtige dampen, nog volmaakt zichtbaar, waarde om den top van den
vulkaan als een spook, en spreidde zich in de onmetelijke ruimte uit.
Lager, op een rand der prachtige pyramide van den Etna, kringelden
andere dampenmassa’s, afkomstig van de uitbarsting van den Frumento,
als de rook van een brand voort en omhingen de bosschen met hun
grijsachtigen sluier. Daar beneden vonkelde de scharlaken gloed van de
lava, door het contrast hoe langer hoe schitterender, naar gelang de
duisternis van den nacht zich dichter in het rond legerde. Weldra was
de vallei, die het voorgebergte van Taormina van de zijden des Etna’s
scheidt, niet meer zichtbaar voor het oog: het kwam mij voor alsof de
groote berg dichterbij was gekomen, en dat de vlammende oven dicht bij
mij, aan de andere zijde van een dal gaapte. Eindelijk was in mijn oog
het brandpunt der uitbarsting niets dan een vurige monstersmidse, en de
snel opeenvolgende ontploffingen, die de wind meer verflauwd tot mij
overgebracht, deden mij aan de zware hamerslagen denken, waarvan het
aanbeeld dreunde en daverde. Nu en dan was het mij of ik voorbij de
vlammen de schimmen der Cyclopen zag waren, door wie de dondersteenen
van Jupiter werden gesmeed.