Beminnelijkheid der Cataniërs.—De fraaie stad.—De kerk van San
Benedetto, de Kathedraal en de sluier der heilige Agatha.—De stroom
Amenano.—Handel van Catania.—De historische karren.—Centorbi en de
zwavelmijnen.—Gezicht van den Etna.—Kaap Santa Croce.—Agosta.—Het
voorgebergte van Panagia.—Het eiland Ortygia.—De tempel van
Minerva.—De bron van Arethusa.—De katakomben.—Mijn vaarwel aan
Sicilië.
De Cataniërs beroemen er zich op de beminnelijkste der Sicilianen te
zijn, en, als ik naar mijne eigene ondervinding er over mag oordeelen,
ben ik zeer geneigd te gelooven dat zij gelijk hebben. Zelden heb ik
dienstvaardiger, welwillender lieden gezien, of die er meer op uit
zijn, den naam van gedienstigheid en gastvrijheid te verwerven. Als
vreemdeling werd ik overal met de uiterste voorkomenheid ontvangen; ik
vond alle deuren voor mij geopend. Nauwelijks was ik vier-en-twintig
uren te Catania, of reeds hadden eenige personen gezorgd dat ik een
allergenoegelijkst leven kon leiden, door op de verplichtendste wijze
hunne boeken, hunne dagbladen en vooral hun tijd ter mijner beschikking
te stellen. Van waar ontstaat deze tot een spreekwoord geworden
beminnenswaardigheid der inwoners van Catania? Ik kan het niet zeggen:
maar hoe het ook zij, de Cataniërs zijn trotsch op den goeden naam, die
in deze van hen uitgaat en zoeken dien des te sterker te verdienen. Het
schijnt ook, dat zij niet zoo jaloersch zijn als de Palermitanen, want
hunne vrouwen en dochters zijn geenszins beducht zich in de straten te
vertoonen, het hoofd ter helft omhuld met een bevallige mantille van
zwarte zijde, die onder den rechterarm is vastgemaakt. Van verre zijn
al de vrouwen in dit bevallige costuum schoon.
Zelfs uit het oogpunt der architectuur is de stad een der aangenaamste
van Sicilië. De straten zijn breed en zeer luchtig. De huizen, in den
pretentieusen stijl der zeventiende eeuw opgetrokken, maken niettemin
een vrij goede vertooning wegens hunne regelmatige vormen, hunne
schitterende kleuren en groote lijnen. Fraaie tuinen versieren de stad.
Aan de zuidzijde van Catania ziet men wel is waar, als een somber
bolwerk, den grooten stroom der zwarte of rosachtige lava van 1660,
waarop niets groeit dan eenige doornige cactussen met hun krans van
ronde bladeren, van een metaalachtigen glans glinsterende: maar ten
westen en ten noorden omringen de oranjebosschen, de boomgaarden, de
tuinen vol vreemde planten, met hun schitterend gebladerte of
doordringenden geur, de stad als met een groenen gordel. Aan alle
kanten steken boven de takken hooge met parcelarias en andere
slingerplanten bekleede torentjes uit: het zijn de landelijke, op de
waterleidingen gebouwde kasteelen, waardoor de van den Etna afgedaalde
beekjes heen stroomen. Toch maken noch de boschjes, noch de tuinen, de
voornaamste schoonheid van Catania uit, maar wel de dubbele
blauwachtige kruin des vulkaans, die men boven de lange hellingen, aan
den voet met groen bekleed en in de hoogte met sneeuw gekroond, ziet
rooken. Uit de groote straat, die door geheel Catania, ter lengte van
drie kilometers op de helling van den berg loopt, geniet men een
uitzicht, dat zijns gelijken in Europa niet heeft.
Catania heeft geen monumenten, die de moeite van een bezoek beloonen.
Het oude romeinsche theater, welks materialen grootendeels gediend
hebben tot den opbouw der kathedraal, heeft slechts voor de archeologen
iets belangrijks; het amphitheater is bijna geheel onder de lava
bedolven en men moet er als in een grot binnendringen. Van de honderd
drie kerken, die de stad bezit, is er niet een, wier stijl schoon mag
worden geheeten, als men die van Santo Carcere uitzondert, wier
romaansch portaal allermerkwaardigst is. Al de anderen, hetzij slechts
kleine kapellen met eenvoudige klokketorens of groote met koepels
gekroonde kerken, zijn evenzeer met lomp en gemaniëreerd beeldhouwwerk
beladen. De merkwaardigste kerk is ongetwijfeld die van San Benedetto,
die een deel uitmaakt van een geweldig groot klooster, waarin de
ambtenaren van het gouvernement, alsmede de officieren en soldaten van
het garnizoen, nevens de monniken, zijn gehuisvest. De voorgevel der
kerk is nog onvoltooid, maar wekt des te meer belangstelling op met
hare groote schachten van kolommen, die in plaats van kapiteelen met
gras en bloemen zijn bekroond. Het schip, het grootste van Sicilië, is
niet minder dan honderd-zes-en-zestig ellen lang en twintig ellen
breed; het krachtige orgel, dat deze ruimte met zijn klank moet vullen,
telt bij de drie duizend pijpen. Op het plaveisel der onafzienbare kerk
hebben de beroemde sterrekundigen Sartorius, dynast van Waltershausen,
en zijn vriend, doctor Peters, een meridiaan getrokken en in marmeren
letteren hunne opmerkingen betreffende de meteorologie, en de hoogte
van Catania, Nicolosi en de Etna gegrift.
De kathedraal, die zich op een geringen afstand van de haven verheft,
is een gebouw van een minder profaan voorkomen, en hare met fresco’s
beschilderde kapellen zijn allen opgevuld met altaren en beelden.
Daar bewaart men den beroemden sluier der heilige Agatha, die het
palladium van Catania geworden is. Eertijds was de kathedraal aan de
Heilige Maagd gewijd; maar tijdens de verschrikkelijke uitbarsting van
1669, waardoor een gedeelte der stad vernield werd, en later in 1693
tijdens een aardbeving, hebben de Cataniërs, die van oordeel waren dat
de heilige Agatha zich een betere beschermster had betoond, de
kathedraal herdoopt. Inderdaad is, als wij den schrijver van den
Mongibello descritto, don Pietro Carrera, gelooven mogen, de sluier van
de heilige Agatha altoos voldoende geweest om het leger Cyclopen op de
vlucht te jagen.
„Op het zien der gewijde banier, werd de snelvloeiende lavastroom
gekeerd;—hij heeft zich in steen veranderd, waarover men blootsvoets
gaat, en waarin de overwonnen geesten en monsters zijn opgesloten. Hier
werd de Mongibello verpletterd—hier werden de vlammen uitgedoofd—en
zegevierde de dappere standaard der hemelsche amazone.—Sedert heeft de
met schaamte overtogen Etna zich in een dichte asch gehuld, hetzij om
den langen terugtocht der zijnen te verbergen, het zij om zich het
gezicht te sparen der roemrijke krijgers van Catania.”
Niet ver van de kathedraal ontspringt uit den grond een fraaie bron
helder water die, lang voor de heilige Agatha, een der beschermende
godheden der stad was; het is de antieke Amenanus, op de basreliefs en
de medailles voorgesteld onder de trekken van een jeugdig man, met een
naïef voorkomen en lokken door een bloemguirlande omkranst. Tot op
geringen afstand van zijn monding door den lavastroom van 1669
overdekt, vormt nu de oude, door de Grieken van Catania vereerde
„stroom” tegenwoordig een doorschijnende kom op het Domplein, loopt
vervolgens onder de oude muren door, en komt weder aan het licht, om
met zijn helder water de wortelen te drenken van eenige op de kaai, te
midden van andere boomen en bloemen, geplante treurwilgen. Heerlijke
massa’s groen, statig tusschen bebladerde oevers zwemmende zwanen,
ziedaar alles wat door den Amenano op zijn honderd ellen langen tocht
wordt weerkaatst; daarna vermengt hij zijne wateren met de golven van
de haven, terwijl hij over een lang bed van keisteenen henen wentelt.
Een aantal andere beken, aan den Amenano gelijk, zijn nog onder de lava
van Catania verzegeld, en men wijst u de juiste plek, waar de
uitgravingen haar eenmaal aan het licht zullen brengen.
De haven van Catania beantwoordt lang niet aan de locale behoefte des
handels. Toch is deze stad, zonder in belangrijkheid met Palermo of
Messina te kunnen wedijveren, de hoofd- en uitvoerplaats van het
nijverste en meest bevolkte gedeelte van geheel Sicilië. Bijna een half
millioen inwoners, waarvan ongeveer honderdduizend op de zijden- van
den Etna gehuisvest, erkennen Catania voor hun metropolis, en staan met
geheel de buitenwereld door deze stad in betrekking. De voortbrengselen
der omliggende velden, als wijnen, oranjeappelen, kaas, katoen, sumak,
zijn van uitmuntende hoedanigheid, en weldra zal het draineeren en het
in bouwland herscheppen van de groote, thans nog moerassige vlakte, die
ten zuiden van Catania aan de monden van den Simeto en de Gurna Lunga
zich uitstrekt, op een belangrijke wijze de hoeveelheid dezer voor
uitvoer bestemde voortbrengselen doen toenemen.
Dit is lang niet alles. In een niet veraf zijnde toekomst zal Catania
het centrum van het siciliaansche spoorwegnet worden; het zal het
vereenigingspunt worden voor de spoorlijnen van Messina, Palermo en
Syracuse, en bijgevolg zal daar voor geheel Sicilië het groote
middelpunt voor de reizigers en den transitohandel zijn. Op dit
oogenblik is Catania reeds de stad waar de meeste rijwegen op
uitloopen, en onder deze wegen is een der voornaamste van geheel het
eiland, dat hij van het eene tot het andere eind, van de Ionische zee
naar de golf van Palermo, doorsnijdt. Waar is het, dat deze nationale
weg tegenwoordig geheel verlaten is, omdat de weg over zee oneindig
meer gemak aanbiedt; in een geheel jaar begeven zich nauwelijks drie of
vierhonderd lieden regelrecht te land van Catania naar Palermo; maar
als men den geheelen weg in eenige uren zal kunnen afleggen, zal
ongetwijfeld eensklaps de handelsstroom een anderen koers nemen, en
zullen de meeste reizigers zich stellig niet aan de kans van zeeziek te
worden blootstellen.
De verschillende rijwegen, die rondom Catania naar de in den omtrek
gelegen stadjes, als Lenlina, Caltagirone, Paterno, Aderno en alle
andere vlekken der Etnastreek loopen, hebben een betrekkelijk vrij
grooten invloed op de vervaardiging van alle soorten van rijtuigen
gehad. Uit een artistiek oogpunt kan men dus te Catania het
gemakkelijkst eene vergelijking tusschen de rijtuigen maken, want in
dit land zijn de wagens en karren, niet zoo als bijvoorbeeld hier te
lande, een eenvoudige samenvoeging van planken, maar ook in zekere mate
kunststukken. De bok van het rijtuig rust op een fraai bewerkten
ijzeren as, die in bevallige arabesken uitloopt. Iedere buitenzijde van
de kar is in twee afdeelingen gesplitst, die ieder een schilderij
bevatten. Het goudgeel, het hoog rood en andere heldere kleuren spelen
in deze schilderijen, wie het soms niet aan stijl ontbreekt, de
hoofdrol. Meestal stellen zij godsdienstige tafereelen voor, nu eens
uit het leven van Jezus en Maria, dan weder uit dat der meest gevierde
siciliaansche beschermheiligen, als Johannes de Dooper, de heilige
Rosalia, Agatha of Genoveva van Brabant. Soms worden ook de paneelen
der wagens met tafereelen uit de ongewijde geschiedenis, ja zelfs met
liefdesvoorvallen beschilderd; en langzamerhand maken dan ook de
traditioneele onderwerpen plaats voor anderen, zoodat de natuurlijke
aanleg des kunstenaars vrij spel gelaten wordt. De moderne geest is tot
dezen achterhoek van het groote gebied der kunst doorgedrongen; maar
weldra zullen de spoorwegen, de naar de parijsche mode gevolgde
rijtuigen en de boerenwagens, naar het model der engelsche vervaardigd,
de siciliaansche karren met hare schreeuwende kleuren vervangen hebben.
Het was mij onmogelijk den omtrek van Catania te verlaten, zonder een
bezoek gebracht te hebben aan de zwavelmijnen van Centorbi, die het
dichtst bij den Etna gelegen zijn. Het eerste gedeelte van den weg
wordt afgelegd in een der hotsende wagens, waarin een groot aantal
holderdebolder op elkander gepakte reizigers door de stofwolk heen
elkaar in het oog trachten te krijgen. Het uitzicht op het landschap is
op sommige plaatsen allerheerlijkst, met name op de hoogte van
Misterbianco: maar toch gevoelde ik mij recht gelukkig, toen ik aan het
eerste station van mijn tocht was, en wel de stad Aderno, waar ik,
hetgeen ik nog vergat te zeggen, met de siciliaansche gendarmes op een
vreemde wijze had kennis gemaakt.
Aderno ligt op den noordoostelijken hoek van den Etna, op een hoog
terras van lava, dat, aan den kant der rivier Simeto, in loodrechte
steilten eindigt. Van dat observatorium ziet gij ten westen het
amphitheater der neptunische bergen, wier naakte en rotsachtige wanden
zulk een scherpe tegenstelling opleveren met de vriendelijke hellingen
van den Etna, waar de rijkste plantengroei tusschen de rooskleurige
ophoopingen der metaalslakken zulk een schilderachtige uitwerking doet.
Op het hoogste dezer kalkachtige punten van het neptunische gebergte
teekent zich de stad Centorbi, niet ongelijk aan een rotsachtige kam,
tegen de heldere lucht af. Naar dat arendsnest, waarin een gansche
bevolking huist, moest ik omhoog stijgen.
De vlakte, die door het voorgebergte van Aderno wordt beheerscht, is in
hare geheele uitgestrektheid met een lavabank bekleed, waarin de Simeto
en de in dezen stroom uitloopende Salso zich hunne beddingen hebben
gegraven. Over de eerstgenoemde rivier is een brug geslagen, maar ik
moest den Salso doorwaden, terwijl ik nog de voeten stootte tegen de
overblijfselen van een voor ettelijke jaren bij hoog water weggespoelde
brug.
Onmiddellijk daarop nemen de steilten van Certorbi een aanvang. Om de
stad te bereiken, wier torens men op een kilometer afstand boven zich
ziet, is men verplicht een weg te volgen, die langs de uitstekende
zijden van den berg heenloopt, of wel een voetpad te bestijgen, waaraan
men den welverdienden naam van Scalazza heeft gegeven, en dat tusschen
een smal ravijn met een aantal afgronden doorsneden voortslingert. De
beklimming duurt bijna twee uren, en toch zijn de inwoners van
Centorbi, die de aan den voet der bergen gelegen velden bebouwen,
verplicht alle dagen deze eindelooze trap af te stijgen en op te
klauteren. Op hoeveel tijdverlies in het leven van iederen mensch en
van de opeenvolgende geslachten komt niet de keuze der woning te staan,
die door den bitteren oorlog noodig is geworden! Hoe zou de beschaving
zich hebben kunnen ontwikkelen, hoe hadden de menschen zich kunnen
vereenigen tot een vreedzame maatschappij, toen iedere groep huizen in
een in de lucht hangende vesting bestond? Aderno en Centorbi, beide op
een rots gelegen, kijken elkander over het dal van den Simeto aan. De
van den eenen naar den anderen top drijvende wolken doorloopen deze
ruimte in eenige minuten, en boven op het voorgebergte van Centorbi kan
men zelfs den geur inademen der aan de overzijde gelegen tuinen; maar
om den afstand afteleggen, die de beide plaatsen scheidt, heeft men
even veel tijd noodig als om uit Parijs naar de grenzen van België of
naar de boorden van het Kanaal te komen.
Zelfs op Sicilië, waar zoovele steden op den top van een berg hangen,
is er geen enkele die met Centorbi, wat haren bouw betreft, vergeleken
kan worden. De geheele stad bestaat uit twee lange stegen in den vorm
van twee saamgekoppelde halve manen. Deze twee stegen zijn niets anders
dan smalle rotspaden tusschen twee steile hellingen, en de aan
weerskanten staande huizen zijn gedeeltelijk boven den afgrond
opgetrokken. Aan den kant van den openbaren weg, hebben de huizen
grootendeels geen verdieping, terwijl zij aan den kant van den afgrond
tot op een geweldige hoogte boven de gewelfde en van schietgaten
voorziene schoormuren uitsteken. Aan een der naar het zuidoosten
gekeerde uiteinden van de dubbele halve maan staat een oude,
schilderachtige ruïne, waaromheen de inwoners van Centorbi een
cirkelvormige plek hebben opengelaten. Dit belvedère, van waar men het
prachtige land, dat door de grootsche massa van den Etna, van Catania
tot Syracuse, wordt beheerscht, in al zijn heerlijkheid overziet, is
bekend onder den naam van paleis van Koenraad, maar het was
ongetwijfeld een romeinsch gebouw. Daarenboven hadden de Siculiërs
reeds sedert twee eeuwen de stad Centuripæ bewoond, toen de Romeinen
die veroverden, om haar tot een hunner eerste sterkten van Sicilië te
maken. In de dertiende eeuw sloopte een duitsch keizer Centorbi, en
joeg de inwoners er van naar den oever der zee; niettemin verrees er
langzamerhand eene nieuwe stad op deze dubbele bergkruin. Tegenwoordig
bedraagt de bevolking der in de lucht hangende stad niet minder dan
6500 inwoners. De vertegenwoordigers van het zwijnengeslacht zijn er
haast even talrijk, en de stad wint er in zindelijkheid niet door.
Hoewel door den adem van alle winden schoongevaagd, zijn enkele wijken
van Centorbi geheel en al ontoegankelijk.
Na een poos lang op de brokkelende muren van Koenraads paleis verwijld
te hebben, liep ik haastig het pad af, dat naar de zwavelmijnen van den
baron Sesto voert. Tusschen de witte rotsen, die hier en daar boven den
grond uitsteken, is de bodem overal met zorg bebouwd; maar nergens
ontwaarde ik een huis; al de landbouwers keeren iederen avond binnen
den omtrek der stad terug. De uitgestrekte graanvelden, waarmede de
dalen zijn bedekt, en die zich langs de hellingen uitstrekken, hebben
door deze afwezigheid van menschelijke woningen een bijzonder
droefgeestig en ernstig voorkomen: het is alsof de mensch plotseling
aan zijn landbouw is ontrukt en niemand komen zal om den in de voren
oprijzenden oogst te maaien.
De fornuizen en de verschillende inrichtingen bij de zwavelmijn zijn de
eerste gebouwen die men ten zuiden van Centorbi aantreft. Zij liggen op
meer dan een mijl afstands van de stad, in een eng, rotsachtig dal, dat
geheel en al met uit het hart van den berg voortgekomen steenen is
opgevuld. Zonder tijd te verliezen vervoegde ik mij bij den ingenieur,
die hier de opgraving bestuurt; deze stelde zich aanstonds met de
meeste welwillendheid te mijner beschikking en was zoo vriendelijk mij
in persoon in de gangen der mijnen te vergezellen.
Ik was hem er zeer erkentelijk voor, want wij waren op het heetste
gedeelte van den dag, en al de arbeiders lagen in de schuren uit te
rusten. De zonnestralen vielen loodrecht in het dal neder en werden
door de witachtige steenen teruggekaatst. Daar de hoofdingang juist
naar het zuiden lag, drong de zonnehitte tot in het diepste van de mijn
door. Een sterke reuk van gezwaveld waterstofgas steeg uit den mond van
dezen put op en sloeg ons op de keel. Nauwelijks was ik de opening
binnengedrongen, of ik begon reeds met moeite adem te halen, terwijl
mijn gelaat met zweet overdekt was. Gedurende eenige oogenblikken was
ik bang geen stap te kunnen doen. De gangen der mijn van Centorbi
gelijken meestal op soortgelijke uitgravingen, die als zijgangen in de
bergen zijn uitgehouwen. De gewelven zijn laag en op ongelijke wijze
bewerkt; lompe pijlers, op ruwe wijze door het houweel afgerond,
ondersteunen de zoldering; flauwe lichtstralen komen met het
weifelachtige schijnsel der lampen hier en daar uit het diepste der
duisternis te voorschijn; voor een oogenblik ontwaart men gangen, die u
oneindig toeschijnen: daarna verdwijnen die perspectieven in een
oogwenk, en tracht de blik te vergeefs door het duister heen te
dringen; men hoort allerhande vreemde geluiden: hikken en zuchten, die
door de verre zich steeds herhalende echo’s geboren worden. De
vochtigheid dringt de wanden door; er vallen druppels van het gewelf
kletterend op den bodem: het water vermengt zich met de aarde van den
grond en verandert dien in een glibberig en lijmig slijk. Op enkele
plekken vereenigen de watervallen zich in ware zwavelachtige en
rookende beken, die gemakkelijk de badkuipen van een uitgestrekt
etablissement, als dat van Barèges en Caterets b.v., zouden kunnen
voeden.
Evenwel heeft men deze bronnen niet geëxploiteerd, als alleen om alle
jaren den eigenaar zelven van eenige kannen zwavelachtig water te
voorzien. Tegenwoordig is deze overvloed van vloeistof, die elders zulk
een grooten rijkdom zou opleveren, voor de mijn van Centorbi het
grootste gevaar: want indien de pompen niet onophoudelijk in werking
waren, zou het water weldra den onmetelijken doolhof van gangen vullen.
Vier ongelukkige kerels, enkel met een lap om hun heupen bedekt, zooals
de bewoners van Australië, en niettemin van het hoofd tot de voeten
badende in hun zweet, werken onophoudelijk aan de slingers van de
pompen. Gedurende acht lange uren zijn deze menschen, wier geheele
denkkracht en werkzaamheid zich oplost in de aanhoudende gelijkmatige
beweging der armen, niet anders dan aanhangselen der onverbiddelijke
machine. Deze draait, en draait onophoudelijk en haalt, zonder ooit een
oogenblik op te houden, de wateren naar boven, die in de metalen kuipen
nederstorten; zij alleen schijnt te leven, en de athleten, die elkander
om de acht uren aflossen, zijn niets dan deelen van het werktuig: in
plaats van de machine te beheerschen, die zij in beweging brengen, zijn
zij er de slaven van.
De verhouding der in de aderen der mijn van Centorbi aanwezige zwavel
bedraagt ongeveer zes percent. Dit gehalte is betrekkelijk gering, en
toch is het voldoende om de wanden der mijn te kunnen ontsteken en ze
als pek te laten koken, alleen door de vlam eener lamp met den steen in
aanraking te brengen. Overigens gaat men op dezelfde wijze in het groot
te werk, tot verkrijging van de zwavel. De uit de mijnen gehaalde
brokken worden eerst in de open lucht opgestapeld, en staan aldus
gedurende korter of langer tijd aan den verwoestenden invloed van het
weder bloot; vervolgens worden zij in hoopen geschikt boven de vuren
der fornuizen. De steen splijt, en de gesmolten zwavel loopt in de voor
haar ontvangst gereed gemaakte vormen. Hoewel deze bewerking,
overeenkomstig de traditioneele sleur, een groote hoeveelheid zwavel
doet verloren gaan, is evenwel de jaarlijksche opbrengst zeer
winstgevend. De mijn van den baron Sesto levert ieder jaar twintig
duizend quintalen aan den handel, ongeveer het vijfde der jaarlijksche
opbrengst van geheel Sicilië. De mijnontginningen, die over de geheele
breedte van het eiland, van Centorbi tot Girgenti plaats hebben,
voorzien Europa van de twee derden der zwavel, die het voor zijn
verbruik noodig heeft. De eigenaars der siciliaansche mijnen zijn
inderdaad in het bezit van het monopolie en laten den handel veel te
hooge prijzen betalen; ook zullen zij zich niet te beklagen hebben als
de eene of andere nieuwe chemische uitvinding hen ten val brengt.
Bij het verlaten der mijn voelde ik mij door mijn zwaveldampbad te zeer
uitgeput, om op nieuw den berg van Centorbi te beklimmen. Ik liep de
steilten aan den zuidelijken kant, door eindelooze graanvelden, om,
vervolgens daalde ik op de boorden van Simeto door een diep ravijn af,
dat tengevolge der regens ieder jaar grooter wordt.
Bijna al de bebouwde en toch woeste velden, die ik, voordat ik Aderno
bereikte, doortrok, behooren nog aan een groot vrouwenklooster en maken
een leengoed (feudo) uit. Dat kwam ik dien avond zelven, bij het
voorbijgaan van het klooster Santa Lucia, te weten. Een groote menigte
verdrong zich rondom een hoogte, waarop een omroeper stond, die een
soort van kloosterliverei droeg. Volgens oude gewoonte bood deze
persoon de verschillende perceelen van het domein te huur, en van hunne
zijde zochten de pachters hunne contracten te vernieuwen, zonder een
hoogeren prijs te betalen. Door de aanwezigheid der saamgestroomde
menigte uitgelokt, klampten de nonnen zich allen aan de tralies harer
vensters vast, en sloegen het tooneel met groote belangstelling gade.
Den volgenden dag mocht ik, toen ik te Catania terugkeerde, van een
ander tooneel getuige zijn. Bij het binnenkomen der stad werd ons
rijtuig aan de eene zijde tegengehouden door de ambtenaren der
belasting, die zich wilden overtuigen of wij ook kaas of flesschen olie
bij ons hadden; en aan den anderen kant door een bedelmonnik, die een
afschuwelijke schilderij van zijne compositie liet kijken, de zielen in
het vagevuur voorstellende. Om den wille der waarheid ben ik verplicht
te zeggen, dat mijne reisgenooten de douanen alles behalve aangenaam
ontvingen, en de meeste vriendelijkheid jegens den bedelmonnik aan den
dag legden. Deze, met zegebeden overladen en eenige giften rijker
geworden, ging deftig op een gebroken voetstuk eener kolom zitten om
weder andere reizigers af te wachten en ook van hen zijn tolrecht te
heffen. Hij heerscht hier als een machthebbende, en houdt met een
gebaar vol autoriteit de voorbijgangers tegen. Veel opgeruimder
gehoorzaamd dan zijne collega-schattingheffers, stak hij als zijn hem
toekomend deel de traditioneele voor de zielen in het vagevuur bestemde
belasting op, en liet de agenten van den fiscus maar begaan, om zoo
goed zij konden de verschuldigde bajochis te innen.
Ik gaf de voorkeur aan den weg over zee per stoomboot naar Syracuse, en
daar deze haar vaart niet al te ver van de kust neemt, had ik een
verrukkelijk uitzicht daarop. Eerst hadden wij de bergen van Lentini in
het oog; vervolgens voeren wij het dorpje Bruca en zijne belangrijke
steengroeven langs; een poos later kaap Santa Croce, waar, naar men
beweert keizerin Helena, moeder van Constantijn den Groote, met het
„ware kruis” van Golgotha landde, vanwaar dit voorgebergte zijn naam
ontleent. Bij het omzeilen der kaap zagen wij een heerlijk grieksch
landschap zich voor onze blikken ontrollen. Daar, naar de zuidzijde
toe, strekt zich, zacht hellende, het schiereiland uit, waarop eertijds
twee voorsteden van Syracuse stonden. Een weinig verder, ten westen,
verheft zich de scherpe spits van het Belvedère, met bouwvallen
gekroond, en daarachter rijst eensklaps de hooge wand van den berg
Hybla op, gelijk aan den Hymettus, en even als deze door zijne bijen
beroemd. Het ovale eiland Magnisi verdeelt de golf in twee
halfcirkelvormige baaien, terwijl boven de smalle kustvlakte de met
dorpen bezette hoogten zich tot een prachtig amphitheater afronden.
Ten noorden van de golf heeft men een uitgestrekte haven, ten oosten
door een rotsachtigen heuvel, waarop het moderne Agosta gebouwd is,
tegen de zeewinden beschermd. De haven is uitmuntend, maar de stad
allermorsigst. Het was of ik een der jeugdige steden van Zuid-Amerika
voor mij had, die reeds in puin liggen eer haar bouw nog voltooid is.
De bewoners gelijken op hunne huizen; de meesten zien er haveloos en
ellendig uit. Spoedig verlieten wij deze stad, die wij even hadden
aangedaan, en naderden daarop kaap Panagia, die zich ten noorden der
golf van Syracuse uitstrekt, en reeds konden wij op den heuvel de
bouwvallen der oude grieksche vesting van Euryalus onderscheiden. Een
inwoner van Syracuse, vol geestdrift voor zijne geboortestad, wees ons
met den vinger de beroemde plekken van zijn vaderland aan. Weldra
konden wij zijne aanwijzingen ontberen; want wij voeren de „marmeren
haven” binnen, sloegen een blik op het rotsachtige eiland Ortygia, waar
de huizen der stad als het ware op elkander zijn gepakt, en ontwaarden
den tempel van Minerva en de bron van Arethusa.
Behalve deze bron en tempel biedt het eiland Ortygia den bezoekers
niets anders aan dan eenige archeologische merkwaardigheden, als daar
zijn twee zuilen van een tempel aan Diana gewijd, overblijfselen van
baden en eenige byzantijnsche en normandische gedenkteekenen. Het
museum bevat hoogst merkwaardige zaken, waaronder een Venus van
zeldzame schoonheid, een prachtigen bronzen buste van Medusa en
voortreffelijk geslagen medailles. Toch houd ik het er voor, dat men
hier niet zonder goeden uitslag opgravingen zou kunnen ondernemen. Maar
nog veel wenschelijker zou het zijn, indien deze nakomelingen dier
Grieken, die onder hunne gasten en medeburgers mannen telden als
Eschylus, Pindarus, Plato, Timoleon, Archimedes, uit hunne vernedering
opstonden en hunne eertijds zoo beroemde stad een gelukkige toekomst
verschaften. Dat gedeelte van Syracuse, hetwelk op het schiereiland
stond, droeg den naam van Acradina. Al wat er van deze verdwenen wijk
is overgebleven, is een zuil van het Forum. Eenige kloosters en kerken
van zeer gewone bouwkunst hebben de paleizen en tempels vervangen; en
steken hunne naakte gevels te midden der rotsachtige vlakte op. Op dit
verlaten plateau trekt niets de aandacht: in de aarde zelve moet men de
merkwaardigheden van Acradina zoeken. Naast de kerk van San Giovanni,
door twee zwaar gebaarde monniken bewaakt, ligt de ingang der
katakomben van Syracuse. Deze grafgangen, die nooit geheel zijn
onderzocht, zijn veel regelmatiger aangelegd dan die van Rome, en
strekken zich over een aanmerkelijker ruimte uit. Bij het licht der
flambouwen ziet men de onderaardsche gangen zich, als de galerijen
eener indiaansche pagode, in alle richtingen verlengen; onder de
bovenste verdieping der katakomben heeft men een tweede, voorts een
derde, en eindelijk nog een vierde. Niets is in staat een grootscher
denkbeeld te geven van wat de volkrijke stad Syracuse eertijds geweest
is, dan de eindelooze straten dezer necropolis, waarin millioenen
lijken zijn weggelegd. Aan weêrszijden der gangen heeft men de graven
aangebracht, waar de leden van hetzelfde gezin werden bijgezet: de
echtgenoot niet ver van de vrouw, en de kinderen onder de moeder. Grove
fresco’s, bas-reliefs van luttel artistieke waarde, monogrammen en
grieksche opschriften uit het christelijk tijdperk, versieren de
graven, maar de meeste geraamten zijn tot stof vergaan, en sedert lang
zijn de kostbare voorwerpen, die in de galerijen aanwezig waren,
verdwenen. Van afstand tot afstand, leiden de hoogste galerijen naar
gewelfsgewijs uitgehouwen zalen, die door een cirkelvormige opening in
de kruin met de buitenlucht gemeenschap hebben. Wanneer de zon hare
stralen door deze soort van vensters schiet en over den door zware
schaduwen omringden grond laat wemelen, stijgt de vocht als rook naar
de opening op, alsof de rots door deze stralen in brand was gestoken.
Ik was koud toen ik deze sombere necropolis verliet, en met vreugde
koesterde ik mij op nieuw in den gloed der zonne van het Zuiden, en
hernam ik mijne wandeling over de witachtige rotsen, waartusschen hier
en daar eenige schrale olijfboomen wassen. Op sommige plekken was de
grond, even als in een woestijn, slechts met schaarsch struikgewas
bedekt. Eensklaps, aan den anderen rotswand, ontwaar ik eene deur in
een rotsspleet; de gids opent die, en ik daal in een afgrond langs een
slingerpad neder en bevind mij in een soort van toovertuin, rijk aan
groen en schaduw; het is de Latomia de’ Greci of de Intagliatella.
Oranje-, citroen-, japansche mispel- en perzikenboomen, in de open
lucht groeiende en naar het licht des hemels opstijgende, verheffen
zich tot op de reusachtige hoogte van vijftien en twintig ellen;
massieve heesters omringen de boomstronken; guirlanden van
slingerplanten vermengen zich met de twijgen; bloemen en vruchten
bestrooien de lanen, en tallooze vogels kwinkeleeren in het gebladerte.
Boven dit elyseum van geurend en bloeiend geboomte rijzen de spitse
rotsen der steengroeven op; eenigen zijn nog naakt en wit als in de
dagen toen zij door de instrumenten der atheensche slaven bewerkt
werden; anderen zijn van boven tot beneden met klimop begroeid, of
heinde en verre langs hare hellingen met dicht heestergewas overdekt.
Overigens ontbreekt alle symmetrie en regelmatigheid op deze
rotswanden, waardoor de tuin omsloten is. Hier verheft zich geheel op
zich zelve een kalkachtige rots, als een groote toren te midden van het
groen; een weinig verder ontwaart men boven haar hoofd een over den
afgrond geworpen brug tusschen twee gelijkstandig loopende steilten;
elders vormen geweldig groote van de zijden der rotsen afgetuimelde
brokken zoo vele heuveltjes, van waar men op zijn gemak het
verwonderlijke schouwspel geniet, door den bochtigen en groenenden
afgrond aangeboden.
Het theater is, even als een groot altaar en amphitheater, een der
schoonste overblijfsels der grieksche oudheid. Het overtrof in
uitgebreidheid al de andere schouwburgen van Sicilië en kon meer dan
vier-en-twintig duizend toeschouwers bevatten. Twee derden der opgaande
banken zijn nog in bijna volmaakten staat, en de scherpe blik van een
archeoloog kan er zelfs opschriften ter eere van Jupiter en de koningen
op ontcijferen. Van hunne steenen zetels konden de burgers van Syracuse
met een oogopslag het tooneel overzien, waar de grootste feiten hunner
geschiedenis waren voorgevallen. Zij zagen te gelijk de muren en
tempels van Ortygia, gedekt door het schitterende en beschuttende
schild van Minerva, de boorden van den Anapus, waar hunne vaderen zulke
vreeselijke gevechten tegen de Atheniënsers hadden gestreden, het in de
verte gelegen voorgebergte van Plemmyrium, en den ingang der haven,
waar achtereenvolgens zulke schitterende overwinningen waren behaald
geworden; en daar beneden naar het westen, aan den voet der bergen, die
passen, waar eenige dagen vóór de groote ramp, de op de vlucht gejaagde
legers van Demosthenes en Niciás waren doorgetrokken. Onder het
toejuichen der roemrijke daden hunner door de tooneelspelers
voorgestelde helden, konden de verzamelde inwoners van Syracuse in het
ronde, als in de lijst van een geweldig groote schilderij, de plaatsen
zelven aanschouwen waar al deze heldendaden volvoerd waren, en nog
verder de blauwe golven der Ionische zee, eens door de vaartuigen
hunner korinthische voorvaderen doorkliefd. Boven dezen schouwburg,
waar eertijds duizende toeschouwers elkander verdrongen, staat in deze
dagen een molen, welks water met dunne stralen langs de banken
nedersijpelt en eenige waterplanten tusschen de losgelaten voegen der
steenen onderhoudt.
Terstond voorbij den molen heeft men een grafweg, die naar het bergplat
van Epipolis, ten westen van Neapolis, en andere gedeelten van Syracuse
geleidt. In dezen hollen weg zou men wanen midden in het Griekenland
van eertijds, en wel vijf-en-twintig eeuwen terug verplaatst te zijn.
Aan weêrszijden van den weg staan de graven, die gereed schijnen de
lijken te ontvangen; de rots die den bodem van den weg vormt, is nog
met diepe voren doorgroefd, door de wagens der grieksche helden er in
gegraven. Volgens de overlevering heeft eertijds Timoleon, de
Washington der oudheid, dezen weg ingeslagen, toen hij zich van zijn
landhuis naar het theater begaf om het woord tot het volk te richten.
In dezen nauwen weg, waar alles aan het verleden herinnert, was het mij
soms of ik den krachtigen grijsaard op de schouderen van het volk zag
ronddragen.
Op het groote bergplat van Epipolis, dat zich op verscheidene ellen
afstands tusschen de golf van Agosta en de vallei van Anapus uitstrekt,
is geen enkele steen meer aanwezig, geen enkel stuk puin der pilaren en
tempels die het Syracuse van oudtijds uitmaakten: alles is verdwenen,
alsof de wind tot zelfs het stof der stad had weggevaagd. Alleen het
ruischen van het water, dat nu eens boven, dan weder onder den grond
voortmurmelt, roept voor een oogenblik diegenen voor de herinnering op,
die tijdens de stichting van Syracuse de waterleiding hebben gebouwd.
Na een wandeling van een paar uren bereikt men het hoogste punt van het
bergplat, door de grieksche forteres van Euryalus, de best onderhoudene
die nog bestaat, gekroond. Dit verdedigingswerk, welks bouw door den
grooten Archimedes bestuurd werd, bestaat uit twee hooge door een
gracht ter diepte van acht ellen gescheiden muren, waarin overdekte
wegen zijn uitgespaard, in welke zich de krijgsknechten verscholen om
zich op de belegeraars te werpen. De tweede muur, die het hoogst is, is
met vier pyramiden gekroond, waartusschen de werp-machines geplaatst
waren, even als in de nieuwere wallen de kanonnen in de daarvoor
bestemde openingen. Van deze pyramiden, waar de hagedis zich in de zon
ligt te koesteren, en die eertijds door het bloed van zoovele dapperen
waren roodgekleurd, geniet men een betooverend uitzicht, dat op Sicilië
zijn wedergade niet heeft.
Den volgenden dag, bij mijn bezoek aan het fort Euryalus, ging ik in de
vlakte van den Anapus geen door de Grieken en Romeinen vernield
monument bezichtigen, maar een werk der natuur, dat nog even bekoorlijk
is als het ten tijde van Moschus en Theocritus was. Het is de bron van
Cyana, de azuren, zooals de zachte grieksche naam aanduidt. Om er te
komen, moet men eerst het moerassige water van den Anapus overvaren;
maar aan den voet van een dadelboom, die over de plek waar deze wateren
ineenvloeien zijne takken uitspreidt, dringt de boot tot in de zuivere
kom der bron door. Aan den voet van het terras, waarop nog heden twee
geknotte kolommen van den tempel van den Olympischen Jupiter zichtbaar
zijn, doorkronkelt zij de vlakte.
Allerhande vlottende zilverachtige planten vertragen den voortgang der
boot; groote massa’s van egyptischen papyrus, die men destijds voor de
eenige van geheel Sicilië hield, rijzen ter hoogte van vier en vijf
ellen op, en buigen zich bevallig over de beek, terwijl zij hare
gepluimde vezels op de fijnste zijde gelijkende, zachtkens heen en
weder wiegelen.
Aan de boorden der bron van Cyana nam ik afscheid van Syracuse en het
grieksche landschap, waardoor de stad is omringd, van den voet des
Etna’s, die zich als een boog over mijn hoofd spande, en van Sicilië
zelf. Het was mij niet gegeven, zooals ik gehoopt had, de prachtige
zuilen van Girgenti, de kaap van den berg Eryx, de rotsachtige
bergpassen van Catalafimi en den tempel van Segeste te zien.