De twee hoofdstraten van Palermo.—Voorkomen der inwoners.—De
burgersocieteiten.—De maffia en de rooverijen.—Het
krankzinnigengesticht.—De hoofdkerk te Palermo.—Het
Kapucijnerklooster.—De hoofdkerk van Monreale.—Het
Benedictijnerklooster.—De Monte-Cuccio—De Monte-Pellegrino.—De
kustspoorweg.—Bagaria, Solunto, la Trabbia.—De brug van San
Leonardo.—Termini en de berg San Calogero.—Cefalù.—Santo
Stefano.—Kaap Orlando.—Tyndaris.
Hij die, pas in de haven van Palermo aangeland, de straat Toledo
inslaat, ziet reeds terstond een aantal dingen, die hem verwondering
inboezemen. Als men den voet op siciliaanschen bodem zet, is men van
zelf geneigd te gelooven, dat onder dien fraaien hemel, te midden dier
bekoorlijke natuur, de mensch door de bevalligheid en den adel zijner
trekken geheel in harmonie moet zijn met alles wat hem omringt. Met dat
denkbeeld, zelfs gekoesterd door hen die er zich geen duidelijke
rekenschap van geven, paren zich de herinneringen aan de poëzie en de
schoone kunsten der oudheid. Men stelt zich voor, onder de moderne
kleeding de bewonderenswaardige type der grieksche beeldhouwkunst te
zien; maar, helaas! reeds spoedig heeft men zijne begoocheling zien
verdwijnen. De vermenging der verschillende rassen, die elkander te
Palermo hebben opgevolgd: Siculiërs en Pheniciërs, Karthagers en
Grieken, Romeinen, Gothen, Arabieren, Normandiërs, Spanjaarden,
Italianen, heeft geen gelukkig resultaat opgeleverd: geen nieuwe type
van schoonheid, met die van eertijds te vergelijken, is uit die
kruising te voorschijn gekomen. De inwoners van Palermo, zoowel de
vrouwelijke als de mannelijke, bezitten over het algemeen lompe,
onbevallige, bijna barbaarsche trekken. Bij het zien dezer bevolking
kan men het denkbeeld niet van zich weren, dat zij langzamerhand door
de onwetendheid, het bijgeloof en de ellende in leelijkheid ontaard is.
Een eeuwenlange verdrukking heeft hier diepe sporen nagelaten. Het
despotisme vergenoegt zich niet niet de zielen te verlagen en de
geesten te ontzenuwen, het drukt zelfs zijn stempel op de
gelaatstrekken.
Bij het doorkruisen der verschillende wijken van Palermo verbaast het u
zulk een gering aantal vrouwen te ontmoeten, zelfs op die uren, waarin
de straten het drukst worden bezocht. Do menigte bestaat bijna geheel
uit mannen. Daargelaten de vrouwen en dochteren der hier gevestigde
vreemdelingen, engelsche, duitsche, amerikaansche, die men overigens
gemakkelijk aan haar kleur en houding kan herkennen, ziet men slechts
nu en dan een vrouw uit het volk hier en daar in de winkels of voor
hare deur aan den arbeid. Het algemeene voorkomen der stad krijgt iets
sombers door de voorbijgangers in het zwart, die aan weerszijden der
straat als twee lange rijen mieren voorttrekken; het oog zoekt een of
ander vroolijk kleurig kleed, dat de eentonigheid breekt van heel dien
sleep van paletots en suikerbroodvormige hoeden. Van waar komt het dat
de palermitaansche zich dus in hare woning opsluit? Het is niet
waarschijnlijk dat zij alleen wordt teruggehouden door de vrees van
haar frissche tint te verliezen, als zij zich aan de zon en het stof
blootstelt. Indien men de te Palermo gevestigde vreemdelingen mag
gelooven, zouden de inboorlingen van hunne voorvaders, de muzelmannen,
den woesten hartstocht der jaloezie hebben geërfd, en zouden zij hunne
echtgenooten bewaken alsof zij echte pacha’s waren, en haar zooveel
mogelijk het verlaten van den harem ontzeggen. Overigens voegt men er
bij dat, als een zeer natuurlijk gevolg, deze inkerkering der vrouwen
nadeelig voor hare deugd is. Wat er van zij, men moet niet vergeten dat
Palermo meer dan twee eeuwen een der meest geliefde steden der
Saracenen was, en dat Tunis er slechts een dag varens van verwijderd
ligt. Het kan geen verwondering baren, dat de palermitaansche zeden
inderdaad het kenmerk dragen van den dubbelen invloed der nabuurschap
en van den ouden maatschappelijken toestand.
Indien de dames weinig uitgaan, houdt daarentegen de burger van Palermo
er veel van, zijn tijd buitenshuis door te brengen. Nogtans is hij
alles behalve verkwistend, en gelijkt in dat geval volkomen op zijne
sobere voorouders, de Karthagers en de Arabieren: hij veroorlooft zich
geenszins zijn inkomen in koffiehuizen en schouwburgen te verteren.
Deze instellingen van weelde worden slechts door de Italianen van het
vasteland of door de vreemdelingen bezocht. Wat den palermitaanschen
rentenier betreft, deze brengt het grootste gedeelte van den dag op de
sofa’s van de eene of andere kamer door, die een wijd uitzicht over de
voetpaden van de straat Toledo heeft. Daar ligt hij, dood op zijn
gemak, de eb en vloed der voorbijgangers aan te kijken en de voorvallen
van den dag met zijne vrienden te bespreken; des noods, wanneer het
gesprek begint te kwijnen, kan hij op het rumoer der straat
langzamerhand gaan indutten. In deze societeiten vindt men geen
dagbladen of boeken, geen biljart, dam- of schaakbord en zelfs geen
likeuren. De leden zoeken elkander volstrekt niet te onderrichten of
iets bij de hand te nemen: het is hun voldoende „den tijd te dooden”,
zonder verplicht te zijn er iets te betalen. Hunne eenige uitgaaf
bestaat in het betalen der huur van dit observatorium, waar zij, zelf
niet meer dan burgers, zich hebben neergezet om de kleine burgerlijke
wereld in haar bedrijf gade te slaan. Voor de getraliede vensters der
bovenverdiepingen volgen andere blikken den stroom der menigte: het
zijn die der geestelijke zusters, welke, om de benedenlokalen harer
woningen aan profanen te verhuren, haar leger onder de daken hebben
opgeslagen.
Een jeugdig piemonteesch geneesheer, die juist met een werk van
statistieken aard omtrent de zeden der palermitaansche bevolking belast
was, was wel zoogoed mij met de meeste voorkomendheid als cicerone te
dienen in de stad, en mij den uitslag zijner studiën mede te deelen.
Zijne onderzoekingen hadden hem zooveel ellende doen aanschouwen en in
zulke holen der schande gevoerd, dat hij er nu en dan tot wanhoop door
gebracht werd, en dat hij ieder oogenblik van den dag zich geneigd
gevoelde de stad te ontvluchten, om den zielevrede tusschen de bergen
van zijn geboorteland te hervinden. Wat er vooral toe bijdroeg om hem
nog wanhopender te maken was, dat hij, in zijne hoedanigheid van
vreemdeling en piemontees, bij iederen palermitaan te worstelen had met
die spotzucht, waarmede de aan dienstbaarheid gewone bevolkingen zich
doorgaans tegen hunne meesters wapenen. Het is waarschijnlijk dat de
arme geleerde, uit reactie tegen deze onheuschheden en spotternijen,
niet onbevangen genoeg in zijn oordeel is gebleven en de bevolking van
Palermo wat al te streng heeft beoordeeld; maar de officieele
bescheiden, waardoor hij in die meening bevestigd werd, getuigen maar
al te zeer van den beklagenswaardigen, laaggezonken staat der
Sicilianen. In 1865 telde men niet minder dan vier tot vijf duizend
aanhangers dier geheime maffia, wier leden zich onderling verbonden om
van bedrog, valschheid en diefstal van allerhande aard te leven.
Op dat nog niet zeer verwijderd tijdstip waren de meeste kooplieden en
industrieelen verplicht om, wilden zij zelven leven en hun beroep
vrijelijk uitoefenen, schatting te betalen aan de hoofden dezer zoo te
vreezen en gevreesde vereeniging: men kan zeggen dat de gansche stad
tegelijkertijd aan twee machten, die van Italië en van de maffia,
onderworpen was. Deze laatste macht wordt des te beter gehoorzaamd,
daar hare bevelen in enkele teekens, gebaren, wenken en aanrakingen en
geheimzinnige seinen bestaan; het onbekende verhoogt hare
verschrikkelijkheid, en nu en dan bewijst een dolksteek dat zij ook
hare rechters en beulen heeft. De invloed, door zulk een stelsel op den
handel uitgeoefend, laat zich gemakkelijk raden. De belemmering, door
deze traditioneele afpersingen den handel in den weg gelegd, en aan den
anderen kant de algemeene onverschilligheid harer inwoners, hebben de
hoofdstad van Sicilië betrekkelijk zeer arm gemaakt. Palermo is
tweemaal meer bevolkt dan Genua, en toch is het in vergelijking
vijfmaal minder rijk.
Juist toen ik mijn reis had aangevangen, werden de omstreken van
Palermo en de beide aangrenzende provinciën Trepani en Girgenti, door
een nog vreeselijker ramp dan de maffia bezocht. Wij bedoelen de
rooverij.
Begunstigd door den staatkundigen ommekeer en de tijdelijke verwarring,
die daardoor in al de takken der siciliaansche administratie was
ontstaan, hadden de dieven des lands, echte Bedouïnen aan wie slechts
de burnous ontbreekt, zich in der ijl naar alle kanten verspreid om de
reizigers uit te plunderen. Kleine benden vormden zich dus op
verschillende punten van het eiland, en na de aanneming der wet op de
conscriptie groeiden deze weldra tot honderden en duizenden
weerspannelingen aan. Daar de lichting van soldaten voor het leger tot
nog toe iets onbekends in Sicilië was, vond een groot aantal
jongelieden, in sommige districten op een vijfde, in andere zelfs op
een vierde der opgeroepenen geschat, gelegenheid zich door
landverhuizing, vlucht of aansluiting bij een rooverbende, aan den
militairen dienst te onttrekken. Al de westersche provinciën werden
geheel en al onveilig, zelfs de toegangen tot de groote steden
bedreigd, en meer dan eens waagden de roovers zich tot in de voorsteden
van Palermo. Eenige afgelegen dorpen, wier inwoners half slachtoffers,
half medeplichtigen waren, strekten den roovers tot schuilplaatsen; en,
dank zij hunne kennis van het land en van de menschen, dank eveneens de
moeielijk te bestijgen bergen, konden zij gemakkelijk aan de
waakzaamheid der geregelde troepen ontsnappen. Onder den invloed van
dezen afschuwelijken oorlog van listen, schermutselingen en moorden op
kleine schaal, dreigde het land weldra op nieuw tot een staat van
barbaarschheid te zullen vervallen, als men er in het einde niet toe
ware overgegaan een geheel leger tegen die booswichten in het veld te
brengen. Nogtans schijnt het te blijken, dat de siciliaansche roovers
zich nooit aan dergelijke schanddaden hebben overgegeven als die welke
men van zekere hoofden in Calabrië en de Abruzzen verhaalt; zelfs de
meesten hunner zijn schandelijk laf. Overeenkomstig eene oude gewoonte
van kruipende beleefdheid gedragen zij zich soms allernederigst
tegenover de rijke reizigers die hun prooi zijn geworden. Een
ingenieur, dien het toeval mij tot reisgenoot tusschen Palermo en
Termini verschafte, verhaalde mij, dat hem, toen hij door de roovers
was overvallen, beleefdelijk was verzocht geworden uit het rijtuig te
stappen:
„Groet zijne excellentie!” riep het hoofd der bende. „Het is een
galantuomo (een man van aanzien)!”
En vlak daar naast hadden diezelfde schelmen een armen voerman zoo op
stokslagen onthaald, dat hij op den grond in zijn bloed lag te baden.
Gelukkig is het rooven slechts iets voorbijgaands in de geschiedenis
van Palermo; en weldra zal, onder den invloed van boeken, dagbladen en
scholen, het jongere geslacht langzamerhand verbeteren en zelfs de
maffia, deze kweekschool des diefstals en des bedrogs, met al de andere
uit de middeleeuwen afkomstige instellingen, opgehouden hebben te
bestaan. Het zou wel droevig zijn te denken, dat deze zoo bevallig
gelegen stad tot onzindelijkheid, onwetendheid, bijgeloof en allerhande
kleingeestige ijverzucht zou kunnen veroordeeld blijven.
Integendeel, de beweging waardoor heden ten dage Europa een beteren
maatschappelijken toestand te gemoet gaat, veroorlooft ons te hopen dat
Palermo spoediger dan andere reeds meer gevorderde steden in
vooruitgang zal toenemen, en dat de vreemdeling er weldra niet meer dat
pijnlijke contrast zal ontwaren, hetwelk er bestaat tusschen de
wezenlijke barbaarschheid van zulk een groot deel harer inwoners en die
verrukkelijke natuur, die bevallige baai, die prachtige tuinen, die
lanen met palmboomen, die wandelingen van erythrinen met haar
verrukkelijk schoone koraalachtige trossen.
Hoe licht zou men te Palermo gelukkig zijn! roept men uit bij het zien
dezer bekoorlijke stad. Hoe gemakkelijk zou het wezen, in dat heerlijke
klimaat en op dien vruchtbaren grond in vrede met zich zelven en zijne
natuurgenooten te leven! En toch zijn weinig steden ongelukkiger
geweest dan Palermo la felice; en toch werden er slechts weinige in ons
Europa gevonden die zich meer zullen hebben in te spannen, om aan de
groote beweging der hedendaagsche beschaving deel te nemen. Men zou
waarlijk geneigd zijn soms te gelooven, dat het opschrift waarheid
behelsde, hetwelk een beroemde, weldadige menschenhater van Palermo
boven de deur van het gekkenhuis heeft laten beitelen: „Dit is de
woning der Wijsheid.”
Zeker is het echter dat deze merkwaardige door den baron Pisani
gestichte en lang bestuurde inrichting de aandacht van iederen
vreemdeling verdient, hetgeen men niet kan getuigen van andere openbare
instellingen te Palermo, als b.v. de hospitalen, de scholen, gymnasiën.
Onder de eigenlijk gezegde monumenten trouwens zijn er een aantal uit
het saraceensche en normandische tijdvak, die de meeste aandacht
verdienen. Daaronder rangschikt men de overblijfselen der moorsche
paleizen van Cuba en Ziza, die later door de normandische vorsten en de
spaansche of napolitaansche grooten zijn hersteld en bedorven.
Daaronder behoort ook de kathedraal, die een aartsbisschop, Engelschman
van geboorte, Walter of the Mill, tegen het einde der twaalfde eeuw
liet bouwen, en die, van dat tijdstip af, op den duur gedeeltelijk, nu
eens aan de eene dan weder aan de andere zijde, is hernieuwd. Boven
deze opeenstapeling van muren van verschillenden bouwstijl verheft zich
een moderne koepel van vrij slechten smaak. De westelijke voorgevel is
verreweg het fraaiste gedeelte van het gebouw. De drie gothische
deuren, met posten van door de zon verkleurd marmer, zijn met
verwonderlijk fraai beeldhouwwerk, acanthusbladeren en dooreen
gevlochten takken, versierd. Onder de beroemdste godsdienstige gebouwen
uit de middeleeuwen treft men er weinigen aan, wier ornamentatie
tegelijk zoo rijk en bevallig is.
Palermo telt niet minder dan twee honderd kerken of kapellen. Het
merkwaardigste van al deze godsdienstige gebouwen is ontegenzeggelijk
de Capella Palatina, in het koninklijk paleis, dat zelf eene
wonderlijke vereeniging van orde- en smakelooze getimmerten is. Een
groote vlag wappert boven den ingang, schildwachten loopen op de straat
en in de gangen met eentonigen stap heen en weder; maar, in weerwil van
al die militaire vertooning, kan de vreemdeling, zonder zich om het qui
vive te bekreunen, in de zalen binnendringen, de galerijen
doorwandelen, van de eene plek naar de andere, van den kelder tot den
zolder dwalen. Wanneer hij op deze wijze zijn ontdekkingstocht in het
paleis voortzet, kan het niet missen of hij zal ook den voet zetten in
het bevallige bedehuis, onder den naam van palatijnsche kapel bekend.
Dit in zijn soort geheel eenig monument vereenigt in een
allerharmonieuste samensmelting de verschillende schoonheden der
byzantijnsche en moorsch-romaansche kunst, en zou gewis een
nauwkeuriger beschrijving verdienen dan ik in staat ben te geven.
De kathedraal van Monreale, op een vooruitstekende punt van den
Monte-Caputo gebouwd, vier kilometers ten zuid-westen van Palermo, is
een monument uit het normandische tijdvak, in schoonheid de
palatijnsche kapel weinig toegevende en van veel grooter afmetingen. De
weg die naar Monreale voert, loopt door een lange voorstad, waar, in
weerwil van het stof en het vuil, de door tallooze oranjeboomen
verspreide geur de overhand heeft. Aan den voet van den heuvel heeft
men aan zijne rechterhand het beroemde kapucijnerklooster, waar al de
overleden monniken in den oven gedroogd en vervolgens als wassenbeelden
in de nissen der onderaardsche galerijen worden bijgezet. Tallooze
gravuren hebben een afbeelding gegeven van deze afschuwelijke
verzameling van lijken, die door hunne nog in leven zijnde broeders op
feestdagen met welriekende wateren, bloemruikers en linten worden
versierd. Aan de vrouwen is de toegang tot deze doodenverblijven
ontzegd, alsof de monniken na hun dood er nog toe zouden kunnen verleid
worden hunne geloften te verbreken.
De kathedraal van Monreale en het aangrenzende klooster zijn zoo groot,
dat zij de helft schijnen te beslaan van de stad, een morsige
opeenhooping van huizen, waarin men zelfs geen herberg, geen koffiehuis
aantreft, en die toch een bevolking van bij de twintig duizend zielen
telt.
Het uitwendige gedeelte der kerk levert uit een bouwkundig oogpunt
weinig merkwaardigs op. De twee bronzen deuren zijn overheerlijk
gewerkt. Die ten noorden, van het einde der twaalfde eeuw
dagteekenende, is omgeven met mozaïeken en in acht-en-twintig vakken
verdeeld, waarvan ieder een tooneel uit het leven van Jezus voorstelt
of de beeltenis van een profeet of een apostel bevat, terwijl
allervoortreffelijkst uitgevoerde arabesken iedere voorstelling
scheiden. De westelijke deur, die gevat is in een voorportaal, welks
moorsche versieringen met romaansche en byzantijnsche ondereen zijn
gemengd, is het werk van den beroemden Griek Bonanno van Pisa, een der
bouwmeesters van den hangenden toren. Het schijnt dat de basreliefs der
bronzen deur van Monreale, de voornaamste tooneelen uit de bijbelsche
geschiedenis voorstellende, slechts eene kopie van die der kathedraal
van Pisa zijn, welke laatste in 1596 door een geweldigen brand werden
vernield. De min of meer lomp uitgevoerde beelden zijn nogtans breed
opgevat, en het geheel doet een grootsche uitwerking. Het is te
bejammeren voor Bonanno’s roem, dat, van zijne beide deuren, juist die
van Pisa, waar alle kunstenaars die Italië bezoeken vertoeven, door het
vuur is verwoest.
Wanneer de dubbele bronzen deur openstaat, en men met een blik geheel
het inwendige gedeelte der hoofdkerk van Monreale kon overzien, worden
wij van verbazing getroffen, want geen der kerken in noordelijk Europa
of Italië is in staat een denkbeeld te geven van de uitwerking, door
het schip van dat tegelijk moorsch en byzantijnsch gebouw
teweeggebracht. Ook hier hebben de bouwmeesters aan het geheel een
indrukwekkend en geheimzinnig voorkomen weten te geven; maar ditmaal
niet door het licht buiten te sluiten of te temperen door beschilderde
glazen, als in de gothische kathedralen, noch door dat schemerdonker en
die breede schaduw, waar zich onder de hooge gewelven de blik en de
gedachte verliezen. Neen, de zonnestralen dringen vrij het schip van
Monreale binnen en verlichten al de heerlijke gewrochten der bouwkunst,
al de bijzonderheden der arabesken. Het door vergulde balken
onderschraagde gewelf schittert van de levendigste kleuren; het marmer,
het purper, de slangensteen werken te zamen mede, om aan het gebouw
iets wonderlijk prachtigs en rijks bij te zetten. Terwijl in de kerken
van het noorden iets geheimzinnigs den boventoon heeft, en men er door
een onbestemd gevoel van vrees wordt overvallen, waarvan men zich
moeielijk rekenschap kan geven, spreekt hier, in de byzantijnsche kerk,
het zien van een in het volle licht oprijzend beeld regelrecht tot de
zielen. Geheel het bovenste gedeelte van den halfronden wand achter het
koor is ingenomen door een groot mozaïek, een kolossale buste van den
Christus Pantokrator voorstellende. Plechtig en ernstig heft de Rechter
de hand als om te zegenen op; maar in zijn linker houdt hij het
ontzaglijke boek, waarin het vonnis der levenden en dooden staat
opgeteekend. Zijn gelaat is streng en onbewegelijk als dat van het
noodlot; men ziet dat de beslissing van eeuwig leven en dood reeds
onherroepelijk genomen is. De geheele binnenmuur der kerk is overdekt
met mozaïeken, die in strenge groepen de voornaamste feiten der
bijbelsche geschiedenis voorstellen; maar wel verre van de aandacht
aftetrekken van dit groote beeld, dat het geheele schip met zijn
machtigen blik beheerscht, is al deze menigte, naar de bedoeling van
den kunstenaar, niets meer dan een plechtige optocht der eeuwen tot den
eeuwigen Rechter.
Het benedictijnerklooster, dat met deze in haar soort eenige kerk
verbonden is, bevat eveneens schoone overblijfselen van siciliaansche
bouwkunst der middeleeuwen. Het kloosterhof, een der grootste die men
kent, is omringd met een vierkante galerij van tweehonderdzestien
zuilen, twee aan twee verbonden en allen met verschillend beeldhouwwerk
versierd: sommigen zijn glad, anderen gegroefd, en weder anderen met
krullijnen doorkorven; ook heeft men er onder die met mozaïeken,
basreliefs en guirlandes prijken. De kapiteelen stellen nu eens
bladeren of vruchten, dan weder vreemde dieren, jachttooneelen,
historische of bijbelsche tafereelen en wonderen voor; soms zijn het
slechts eenvoudige arabesken. Onder de tweehonderdzestien kapiteelen is
er geen die op een ander gelijkt: zoo zeer heeft de verbeelding des
kunstenaars de vormen weten af te wisselen.
Wat het overige van het klooster betreft, het heeft niets merkwaardigs
meer, dan rijke nieuwerwetsche vertrekken, waar pedante kapiteins en
majoors van het garnizoen hun intrek hebben genomen. Eenige
schilderijen, waaronder een meesterstuk van Pietro Novelli, de heilige
Bruno en zijne leerlingen voorstellende, versieren de wanden der
galerij; maar de schoonste schilderij is zeker het gezicht dat men van
het balkon der domkerk heeft op de Gouden Schelp en de steile bergen,
waardoor deze omringd wordt. Vlak tegenover zich ontwaart men, aan de
andere zijde van het dal der Oreto, de stad Parco, op een terras
tusschen twee afgronden gebouwd. Langs deze steile hellingen slingert
zich een weg opwaarts naar een bergpas tusschen twee naakte toppen;
vervolgens beurtelings in de kloven verdwijnende en weer langs de
uitstekende punten voortloopende, neemt hij zijn richting naar de oude
albaneesche kolonie, onder den naam van Piano de’ Greci bekend. Door
een stoutmoedigen tocht dwars door deze bergen maakte Garibaldi zich,
in Mei 1860, van Palermo meester. De napolitaansche troepen vervolgden
hem op den weg van Piano de’ Greci en meenden hem reeds in een bergpas
gedreven te hebben, toen Garibaldi zich naar het Noorden keerde, achter
de tot zijne vervolging afgezonden Napolitanen in de vlakte afdaalde
en, in zijn vaart alle hinderpalen omverwerpende, de stad binnendrong,
waar de opgestane bevolking hem met geestvervoering ontving.
Ten westen van Monreale heeft men nog een ander benedictijnerklooster,
aan San-Martino toegewijd, dat voor het rijkste van Sicilië wordt
gehouden en een prachtige verzameling kunststukken bevat. Men wil dat
de in dit klooster opgehoopte schatten in waarde verreweg al de
meubelen en het zilverwerk te boven gaan, die de volkrijke, lager op
naar Palermo gelegen dorpen bezitten. Ongelukkig genoeg zijn deze
duizende kunstvoorwerpen zonder smaak bijeengebracht, en schuilt er
zooveel van minder allooi onder het wezenlijk fraaie of zeldzame, dat
men zeer spoedig van het bezichtigen vermoeid wordt. Men gevoelt dan
ook weldra zijn harte verkwikken, als men zich weder in de vrije natuur
bevindt, aan den oever van een beekje, dat het met populieren en
italiaansche pijnboomen bewassen dal doorkronkelt.
De hoogste berg in den omtrek van Palermo is ongetwijfeld de
Monte-Cuccio of Aguzzo, die zich ter hoogte van duizend vijftig meters
verheft, en welks steile wanden juist boven de vallei San Martino
oprijzen. Ongelukkig heb ik dien berg niet bestegen, maar den volgenden
dag verzuimde ik niet het hoogste punt van den Monte-Pellegrino te
beklimmen, in welks zijwanden men de beroemde grot der heilige Rosalia
vindt, reeds zoo menigmalen door de reizigers beschreven. De Pellegrino
is een natuurlijke vesting van twintig kilometers in den omtrek, die
men niet kan naderen dan langs een opeenstapeling van rotsen, waarover
de weg heenklautert als een trap, die steil naar Palermo afdaalt.
Eertijds was deze berg een akropolis, waarin zich de uit de stad
verjaagde strijders opsloten. Tijdens den eersten punischen oorlog
verdedigde Hamilcar-Barca zich hier drie jaren lang tegen een romeinsch
leger. De centrale bergspits, die een hoogte van vijfhonderd negentig
meters bereikt, blijft altijd zeer moeielijk te beklimmen. Boven de
plek waar de weg der pelgrims eindigt, moet men zich tusschen scherpe
steenen heen werken, zich met behulp zijner armen tegen de rotsen
ophijschen en de puntige takken van het struikgewas vermijden; maar men
wordt voor zijne inspanning rijkelijk beloond door het verblindende
panorama, dat men van den bergtop geniet. Aan zijne voeten ziet men de
groote stad met hare straten en pleinen, met hare wegen, die door de
velden slingeren en zich scheiden om in de valleien aftedalen of de
steile hellingen der bergen te beklimmen. De Ziza, de Favorita, al de
bekoorlijke villa’s der met oranjeboomen beplante vlakten, komen met
hare witte wanden allerschilderachtigst te midden van het haar
omringende groen uit. De hooge violetkleurige toppen ontwikkelen zich
amphitheatersgewijze rondom de tuinen van Palermo, en breiden zich van
kruin tot kruin oostwaarts uit, tot aan de met sneeuw bedekte
Madoniabergen, waarboven als een witte of vergulde wolk de rookende top
van den Etna uitsteekt. Omlaag strekt zich de zee uit, zoo doorzichtig
diep dat men zou wanen een anderen veel blauwer hemel dan dezen boven
zijne hoofden te zien, en waarop de hier en daar vlottende zeilen
zoovele in de lucht fladderende vogels schijnen te zijn. Al de lijnen
van het strand zijn volkomen zuiver; de kust wordt door een
opeenvolging van halfcirkelvormige baaien en scherpgetande
voorgebergten afgewisseld. Hier heeft men den Caltofano, die een
Monte-Pellegrino in het klein schijnt; een weinig verder het terras
waarop de stad Termini gelegen is; nog verder de vooruitspringende punt
van Cefalù; eindelijk doet zich in de verste verte, op zestig
kilometers afstands, kaap Orlando als een blauwachtige schaduw voor.
In het midden der zee steken, als pyramiden boven den mist, de drie
hooge eilanden Ustica, Felicudi en Alicudi uit; dikwijls zelfs kan men
den wazigen groep der eilanden Lipari en Volcano onderscheiden.
Op den toren van den Monte-Pellegrino had men dit spaansche opschrift
van het paleis Ziza best kunnen griffelen:
„Del orbe Europa es honor,
De Europa Italia verjel,
Sicilia compendio del,
Y esta vista la mejor!” [1]
Nog treft men een aantal lieden op de wereld aan, die, onder den
invloed der dichterlijke herinneringen hunner jeugd, in de ijzeren
spoorwegen een beklagenswaardige nieuwigheid zien, en aan de oude
trekschuit boven de lokomotief de voorkeur geven. Ieder zijn smaak! Met
hen kan men het eens zijn, dat de niet zeer gemakkelijk hangende
waggons de reizigers op een onaangename wijze schudden en schokken, en
dat het stoomfluitje een afschuwelijk muziekinstrument is; maar in
weerwil van al deze en nog andere bezwaren, is het niet minder waar dat
de snelheid, waarmede men voortvliegt door de achtereenvolgende
landschappen, waarvan het eene het andere als het ware aanvult, niet
weinig het schoone verhoogt der natuur, door welke men heenstoomt.
Daarenboven, in een land dat nog zoo barbaarsch is als Sicilië, voert
het stoomrijtuig al de denkbeelden eener nieuwe wereld met zich. Door
zijne verschijning alleen in den wagen van een spoorweg, is de reiziger
een zendeling der beschaving.
Dat gedeelte van de Gouden Schelp, waardoor de spoorweg loopt, is niet
minder schoon dan de aan den voet van den Monte Pellegrino gelegen
landstreek. Een zee van groen ontplooit zich tusschen de kust en de
steilten van den Monte-Griffone met zijne geelachtige hier en daar met
grotten doorsneden wanden. Dorpen door oranjeboomen omringd, oude
torens, waterleidingen met ongelijke bogen, kleine heuvels, waarboven
weder steile rotsen oprijzen, volgen elkander haastig op. Hier hebt gij
Bagaria en Santa Flavia, met hare groote paleizen, hare lusthuizen,
hare kerken met geverniste, in de zon glinsterende daken. Aan onze
linkerhand verheft zich de monte Caltofano, de oostelijke wachter der
baai van Palermo; vervolgens ziet men zijn voet zich spiegelen in een
baai, wier wateren eertijds een phenicische en grieksche stad
besproeiden, thans door het vlek Solunto vervangen. Nu stoomen wij
langs den oever voort, trekken langs twee of drie rotsachtige
voorgebergten heen, en dringen stoutweg door de bres van een muur eene
middeleeuwsche stad met zware gekanteelde torens binnen. Het is la
Trabbia, het laatste station van den spoorweg in 1865.
Eenige omnibussen wachten de reizigers op om hen naar Termini over te
voeren; maar dat tochtje van vier kilometers moet door eene rivier
plaats hebben. Doch in weerwil van de daaraan verbonden bezwaren
bereikt men genoemde belangrijke stad. Zij ligt op een hoog terras, aan
den zeekant steil afdalende, en door een lachende landtong met den
prachtigen berg San Calogero verbonden. Aan den oever der
Middellandsche zee, zoo rijk nogtans in prachtige gezichten, is er
misschien niet een, dat in bevalligheid en majesteit dat van Termini,
zoo terecht la splendidissima genoemd, overtreft. De berg San Calogero,
wegens de zuiverheid zijner vormen met een vulkanischen kegel te
vergelijken, rijst regelrecht van den oever der zee tot op acht-honderd
ellen hemelwaarts, en loopt in een kruin, aan de tanden eener zaag
gelijkende, uit, zoodat hij veel van den rand eens uitgebranden kraters
weg heeft. De geheele berg is met witte, waaiervormige voren
doorsneden, waartusschen hier en daar het bevalligste groen wast; op de
lagere hellingen ziet men van deze voren niets, daar zij overal met het
dichte groen der olijfboomen gevuld zijn. Haar bekoorlijke baai, die
een honderdtal booten en eenige grootere vaartuigen tot haven dient,
strekt zich tusschen het terras van Termini en den voet van
laatstgenoemden berg uit; rondom deze baai blinkt de stad op de
hellingen, als een mengeling van steenen en daken. Binnen in, niet ver
van den oever, ontspringen de heete bronnen, waaraan de oude grieksche
volkplanting van Thermae haar langzamerhand in Termini verbasterden
naam te danken had. Daar, zooals de legende zegt, werd weleer de
goddelijke Herkules in zijn vaart gestuit. Vermoeid van het najagen der
ossen van Helios, smeekte hij den nymfen der bron om nieuwe veerkracht
voor zijne ledematen, en kwam hij geheel verjongd uit het bad te
voorschijn. Men ziet, wanneer de doctoren en de industrieëlen van
Termini de deugdelijkheid hunner wateren zullen uitbazuinen, dat zij
van vrij hoog de geschiedenis der wonderdadige bronnen kunnen ophalen.
Onder zoovele badplaatsen, die overal de namen in het rond doen klinken
der groote personages, die haar bezochten, is er niet een die, als
Termini, er op roemen kan de kracht te hebben hergeven aan den zoon van
Jupiter en bezongen te zijn geworden in de Oden van Pindarus.
Daarenboven hebben sedert drie duizend jaren de bronnen van Herkules
niets van hare deugdelijkheid verloren, en de inwoners zullen dit wel
gewaar worden, als zij verstandig genoeg zullen geweest zijn het
vervallen badhuis weder op te bouwen, hunne straten te reinigen, en
hunne smerige herbergen door bekoorlijke logementen te doen vervangen.
Dan zullen de vreemdelingen, die tegenwoordig het niet durven wagen
naar Termini te trekken, uit vrees om er door ongedierte te worden
verslonden, den weg leeren kennen eener stad, die, door hare ligging,
de schoonste onder de schoonen is en door hare geneeskrachtige bronnen
zoovele middelen aanbiedt tot herstel van kranken en uitgeputte
lijders.
Voorbij Termini loopt de kustweg langs den voet van den berg San
Calogero; vervolgens door een breeden bergstroom, waarvan de spoorweg
van Palermo naar Catana weldra de bedding in beslag zal nemen. Deze
bergstroom is de Fiume-Torto. Het rijtuig gaat op een droge plek over,
terwijl de reizigers zich op een brug met een tiental bogen wagen, die
nog niet geheel voltooid is. Weldra ontwaren wij rechts van den weg een
groot vlak bergplat, met regelmatig gevormde hellingen als de
glooiingen eener vesting.
Op dat terras, zoo uitmuntend gelegen om er een stad op te bouwen,
vindt men geen enkel huis; maar eertijds stond daar de groote grieksche
stad Himera. Aan den voet van dit bergplat behaalden de Grieken van
Sicilië eene beslissende overwinning op een groot leger Karthagers, en
wel denzelfden dag, waarop de Atheners de persische vloot bij Salamis
vernielden. Daar, op dat strand, werden de karthaagsche schepen aan de
vlammen prijs gegeven en blies Hamilkar den adem uit; maar daar ook,
twee-en-zeventig jaar later, liet de verschrikkelijke Hannibal, nadat
hij Himera in een puinhoop had doen verkeeren, drie duizend harer
krijgslieden ter dood en hun bloed aan de schim van zijn voorzaat ten
offer brengen. Op dit oogenblik is er zelfs geen steen van deze stad
der oudheid overgebleven.
Zoo de groote grieksche stad heeft opgehouden te bestaan, omringde in
vergoeding daarvan het eenvoudige kasteel van Kephalodion zich met
huizen, nam trapsgewijs in belangrijkheid toe en eindigde met, onder
den naam van Cefalù, de meest bevolkte plaats der kust tusschen Termini
en Barcelonna te worden. Het voorgebergte, waaraan de stad haar
griekschen naam (Kephelè) verschuldigd is, is door zijn vorm het
merkwaardigste punt van de kust. Het is een geweldig groote rots, wier
naar de zee gekeerde zijde loodrecht afdaalt. Hare hooge, geelachtige,
hier en daar zwart gestreepte wanden schijnen over de huizen heen te
hangen, die allen tegen elkander op den uit puin en brokken
saamgestelde aarden voet van het voorgebergte gedrongen zijn. Van het
plein der kathedraal gezien, vertoont zich de rand van de rots, die
zich ter hoogte van meer dan honderd ellen tegen de blauwe lucht
afteekent, als de wal van een reusachtige vesting, en wat de
begoocheling nog vermeerdert, is, dat de kanteelen van een muur, door
de hand der menschen daar opgetrokken, de rots over hare geheele
uitgestrektheid omringen. Als men des nachts deze uitgetande rotspunten
bij het schijnsel der starren ziet, grenst de uitwerking daarvan aan
het tooverachtige.
Daar de weg langs de kust nog niet geheel voorbij Cefalù voltooid was,
was ik genoodzaakt een dag of acht op de stoomboot, die mij naar
Milazzo zou voeren, te wachten, of mijn tocht op den rug van een
muilezel voort te zetten. Ik koos dit laatste, en bij het aanbreken van
den volgenden morgen stond een echte Siciliaan met het gewenschte
gedierte voor mijne deur. Ik wierp mij op een groot pakzadel, en was
genoodzaakt de houding van een chineeschen Bouddhist aan te nemen; mijn
gids sloeg een kruis, deed den muilezel een gewijd zakje om, waarin een
afbeelding van de Santissima Maria Addolorata, en gaf door klappen van
zijn tong het sein tot vertrek. De lucht was nog vrij koel; en niet
zonder een groote voldoening voelde ik weldra de zon doorkomen en de
atmosfeer met hare stralen verwarmen. Mijn gids was een flinke kerel,
die mijne vragen half scheen te raden. Mijn muilezel had geen lust
tegen de steenen op den weg te stooten; het landschap was prachtig en
wisselde onophoudelijk in uitgestrektheid af, naarmate ik een baai
omtrok of een voorgebergte opsteeg. Het kwam mij voor, dat mijn reis op
geen aangenamer wijze kon gedaan worden.
Intusschen begon de zon langzamerhand te klimmen. Terzelfder tijd
verspreidde zich in de benedenlucht een grijsachtige mist, terwijl hij
over de oppervlakte van het water heenschoof. Bij het voorttrekken
langs den oever waren de beide Eolische eilanden Felicudi en Alicuri
door den damp voor ons verborgen; wanneer wij een of ander voorgebergte
beklommen, kwam op hare beurt de zee slechts flauw door den mistsluier
te voorschijn, en tegen het noorden zagen wij op nieuw, boven den nevel
uit, de beide vulkanische pyramiden oprijzen. De warmte werd hoe langer
zoo drukkender en geen koeltje bewoog zich in de lucht. Eveneens lag de
zee roerloos, en de troebele wateren, die uit de rivieren stroomden,
lagen tot op een afstand van verscheidene kilometers, om zoo te zeggen,
boven op den zeeplas. Ik was van mijn muildier gestegen, welks zadel
ondragelijk heet was geworden, en met vrij wat moeite liep ik over de
keien van het strand, of in de met steenen bezaaide droge beddingen van
den bergstroom. Mijn gids stiet van tijd tot tijd een verwensching
tegen den sirocco uit, en met innige verrukking sloeg ik een blik op de
sneeuwlagen en de schaduwrijke bosschen der Madonia-bergen.
Eindelijk bereikten wij Santo Stefano, het doel van onzen tocht op
dezen dag, en tot overmaat van genot mocht ik er in een herberg
uitrusten, die een der wonderen van Sicilië is, want men vindt er een
voorkomenden herbergier, versch water, een gouden maaltijd, een heldere
kamer en een zuiver bed. Santo Stefano is een zeer nijver vlek, dat met
den dag in bevolking toeneemt; geen twijfel of het zal een belangrijke
stad worden, als het met het overige Sicilië door goede rijwegen zal
verbonden zijn. Eertijds lag het te midden van bosschen op een bergtop;
maar de inwoners, wie het verdroot zoo hoog te moeten wonen, vestigden
zich de een voor, de ander na, op den oever. Zonderling inderdaad, maar
ten bewijze hoe de maatschappij, zelfs in de minst beschaafde streken
van Europa, wordt gewijzigd, dient dat al de steden van dat
siciliaansche kustland van hooge steile rotsen zijn afgedaald, om zich
in de nabijheid van het strand neer te slaan. Eertijds was het de
eerste zorg der vroegere maatschappij, zich te verdedigen: iedere stad
vestigde zich op een eenzamen bergtop, omringde zich met muren en
verschanste zich achter torens. In de nieuwere tijden is de eerste
behoefte die van den arbeid. Ook verlaten de inwoners achtereenvolgens
hun arendsnesten en komen zich aan den oever der zee of op de wegen,
die de vlakte doorkruisen, legeren, en bouwen er woningen, die, wel is
waar, het landschap minder luister bijzetten, maar veel gezonder en
beter zijn ingericht. Langs deze geheele kust vergroot iedere Marina
zich ten koste van den Borgo, en eindigt de oude stad met een prachtige
bouwval te worden, als een opeenstapeling van rotsen op de kruin der
bergen opgehoopt. Welke heerlijke sujetten voor schilderijen leveren
deze oude, gedeeltelijk verlatene steden, als Pollina, Caronia en San
Fretello op! Maar genoeg hiervan.—Eenige uren rijdens in den wagen
waren voldoende om mij van Santo Stefano naar Santa Agata te voeren,
waar de gewone rijweg weder begint—hetgeen op Sicilië nog een groote
bijzonderheid, ook wegens het steile van het kustland, is. Zoodra ik
Santa Agata verlaten had, moest ik een der fiumare oversteken, dat wil
zeggen een uitgestrekte, met steenen bezaaide vlakte, waaraan dichte
massa’s mirten, laurierkers en andere heesters, hier en daar tusschen
de keisteenen opwassende, den bevalligen naam van Kosa-Marina gegeven
hebben.
Bij iedere wending van de kust levert het landschap een nieuw
gezichtspunt op. Hier hebt gij de oude stad van Naso, die op den top
van een berg verrijst; wat verder heeft men een voorgebergte van wit
marmer, waarop een vestingtoren prijkt; daarna komt men aan den voet
der ronde granietrotsen van kaap Calavà, waar de weg door een tunnel
loopt. Maar niet één plek haalt, wat de ligging betreft, bij de
grieksche stad Tyndaris! Het granieten bergplat, waarop deze oude
volkplanting der Messeniërs gevestigd was, verheft zich meer dan twee
honderd ellen boven den zeespiegel en eindigt in steile klippen die
loodrecht in zee afdalen.
Even als in andere oude steden van Sicilië, zooals Termini, Taormina,
Syracuse, was de schouwburg, die van romeinsche bouworde schijnt en
ongetwijfeld een nog ouder gebouw vervangen heeft, op de helling
opgetrokken, vanwaar men een allertreffendst uitzicht geniet. Aan
weerszijden heeft men een halfcirkelvormige baai, met lange door
olijfboomen gekroonde hellingen omringd. Ter linkerzijde begrenzen de
rosachtige massa’s van kaap Calavà den gezichteinder; ter rechterzijde
strekt zich tot ver in zee de enge landweg van Milazzo uit. Tegenover u
stijgen de verbrande kegels van Volcano, schijnbaar zeer nabij, uit het
azuren bed der Middellandsche zee op, en nog verder scharen zich langs
den zoom van den horizon de wazige toppen der andere Eolische eilanden
tot aan Stromboli toe. Ten oosten ziet men de blauwachtige lijn der
italiaansche Apennijnen zich afteekenen, terwijl in het noorden de
bergketen der neptunische bergen zich verheft, en de besneeuwde kruin
van den Etna over deze eerste reeks van met steden en dorpen bezaaide
gebergten henenkijkt.
De stad Tyndaris bestaat niet meer, maar de daarom heengelegen streek
is altijd een der vruchtbaarste, der meest bebouwde en der
rijkstbevolkte van geheel Sicilië. De talrijke vlekken niet
medegerekend, liggen de drie belangrijke steden Patti, Barcelonna,
Milazzo in een bestek van minder dan dertig kilometers bijeengegroept,
en de smalle strook kustland levert in overvloed tarwe, olijven,
oranjeappelen en de andere voor het onderhoud der bewoners benoodigde
voortbrengselen van den grond op. Van deze drie steden is Barcelonna de
volkrijkste, maar de meestbekende is Milazzo, de oude grieksche
volkplanting van Mylœ.