Daar is in de pronkkamer nog meer dat onze aandacht vraagt. Daar,
tegen den wand aan de zijde van de gang, staat de porseleinkast,
een monumentaal stuk van noteboomhout, rijk met snijwerk versierd,
van glazen deuren voorzien, en boven op de schuine lijst gekroond met
een zoogenaamd kaststel: drie porseleinen potten en twee bekers. Gij
zult van mij niet verlangen, dat ik u in alle bijzonderheden den
rijken inhoud van deze kast beschrijf: genoeg zij het, u te wijzen
op den schat van japansch en chineesch porselein-, koppen, kommen,
schotels, potten, borden van allerlei groote en vorm en van velerlei
bestemming, die in dichte rijen en stapels de planken der kast
vullen. Daaronder zijn vele voorwerpen van waarde, familiestukken en
geschenken bij huwelijk of doopplechtigheid ontvangen. En dat al wat ge
ziet echt is, daarop kunt ge vertrouwen: een deel van dien schat is,
in vroeger jaren, op de veilingen der Oostindische Compagnie gekocht
en sinds in de familie gebleven; andere voorwerpen zijn misschien
door familieleden of vrienden rechtstreeks uit de landen van overzee
medegebracht. En behalve het chineesch porselein, bevat deze kast
ook een aantal dier snuisterijen en bijouteriën van schildpad en
ivoor, waarop onze overgrootmoeders zoo gesteld waren, en voorts eene
menigte borden, schotels, kopjes, trekpotten van inlandsch fabrikaat,
waarop tafreelen uit het huiselijk leven en bedrijf der Zaankanters,
gezichten langs de Zaan en dergelijke onderwerpen zijn afgebeeld. Wat
van dit inlandsch aardewerk geene plaats in de porseleinkast kon
vinden, werd geborgen in het opkamertje, een klein vertrek naast de
pronkkamer, waarin de dusgenoemde dooddeur uitkomt. Het schilderwerk
op dit delftsch porselein mist doorgaans alle kunstwaarde, maar is
dikwerf zeer karakteristiek; vooral in het laatst der vorige eeuw,
toen de porseleinen koppen en schotels en borden versierd werden met
portretten, zinnebeelden en allerlei opschriften, betrekking hebbende
op de politieke partijen en twisten van den dag, kregen die anders
zoo onnoozele en prozaïsche voorwerpen van huiselijk gebruik eene
eigenaardige beteekenis. Ik kan mij voorstellen, hoe een prinsgezind
gastheer zich verkneukelde van genot, wanneer hij een zijner bezoekers
of gasten, een Kees, ergeren kon, door hem borden en schotels en
koppen voor te zetten, versierd met de portretten van den Prins of van
Willemijn en met hoogdravende lofdichten ter eere dier voorstelijke
personen.--Het benedenste gedeelte van de kast is gevuld met glaswerk;
daar ziet ge dozijnen wijn- en bierglazen, kelken, fluiten, bekers,
bokalen van allerlei vorm en grootte, met en zonder deksels, snijwerk
en inscripties, en daaronder vele voorwerpen van het fijnste kristal.
Doch reeds hebt ge uw schreden gewend naar die andere kast, die door
haar uitwendige pracht bijna de porseleinkast in de schaduw stelt. En
inderdaad, zij is een prachtstuk, hoog, breed en diep, rijk met
snijwerk versierd en met fijne houtsoorten, met ivoor, schildpad en
zilver ingelegd. Dit schier vorstelijk meubel--en in waarheid, meer
dan eene van zulke kasten is in later tijd naar koninklijke paleizen
en prinselijke salons verhuisd,--heeft vier deuren en eene lade van
onderen, mitsgaders verschillende laadjes en kastjes van binnen. Aan
de eene zijde werd in deze kast het linnengoed, de trots en roem
van elke hollandsche huismoeder, bewaard; in den anderen vleugel
bergde men de kostbare, zware zijden gewaden, die van geslacht op
geslacht overgingen en alleen bij plechtige feestelijke gelegenheden
werden aangetogen.--Dat kleinere sierlijke kastje aan de overzijde,
met zijn kunstig gedraaide pooten, bevat den schat der familie aan
zilverwerk, alles wat voor de spijs- en theetafel noodig kan zijn, en
dat alles van degelijk gehalte en van de beste keur. Messen, vorken,
lepels, ja alle tafelgereedschappen zijn met figuren gegraveerd en
zeer dikwijls met inscripties voorzien, die ons vertellen aan wien
en bij welke gelegenheid zulk een voorwerp werd vereerd, van welk
feit het de herinnering moet bewaren, of ook wel voor welk bijzonder
gebruik het is bestemd. Let eens op die van robbevel vervaardigde, met
parelmoer ingelegde en met zilver gemonteerde étuis, waarin de gasten
vroeger, als zij ten maaltijd gingen, hun mes en lepel medebrachten;
vorken kwamen hier eerst omstreeks het midden der achttiende eeuw
in gebruik.--Maar vergeet vooral ook niet een blik te werpen op die
reeks tabaksdoozen, deels van zilver, deels van koper, maar allen
met meer of minder kunstig snijwerk en de meesten ook met een rijmpje
versierd. En gewis zal die gouden pijpedop met kettinkje van hetzelfde
metaal uwe aandacht niet ontgaan: te minder omdat uit het opschrift,
dat nevens een bijenkorf en een Mercuriusbeeldje de pijpedop siert,
blijkt dat deze rariteit een verjaargeschenk was, door de kinderen
aan hun vader vereerd.
Hebben wij nu de zilverkast bewonderd, dan mogen wij de pronkkamer
nog niet verlaten. Want om nu maar niet te spreken van het kleinere
huisraad, staat daar nog achter in de kamer, tegenover de vensters,
het monumentale ledikant, met zijn hoogen, prachtig met snijwerk en
pluimen versierden hemel en gedraaide pilaren; met zijn geel damasten
gordijnen, door roode zijden koorden en kwasten opgehouden; met zijne
hoog opgestapelde, met kant omboorde kussens, zijn fijn linnen lakens,
gekleurde dekens en zijn sprei van zware zijde. Ook dit ledikant is
wederom een prachtstuk, dat echter, als het porselein, het zilver,
de kleinoodiën, de kostbare kleedingstukken, ja de geheele kamer,
nooit of bijna nooit gebruikt wordt.--Werp nu nog even een blik op
de breede, met loofen snijwerk versierde schouw, met haar gedraaide
kolommen, haar schilderstuk in het midden en haar breeden marmeren
mantel, waarop kostbare porseleinen vazen zijn geplaatst,--en dan
willen wij van dit vertrek afscheid nemen, na vriendelijken dank
aan den huisheer, die dit heiligdom voor ons wilde ontsluiten. Want
inderdaad, deze schier overvulde kamer, waar alle schatten en
kostbaarheden der familie als in een museum zijn samengebracht, is
een heiligdom, dat niet dan bij hoogst zeldzame gelegenheden door de
leden des gezins betreden wordt, en waarin vreemden niet dan bij hooge
gunst worden toegelaten. De zucht om met zijne schatten te pronken,
om te schitteren en anderen door eene tentoonstelling van weelde te
overtreffen, is den eenvoudigen Zaankanter vreemd. Zijne pronkkamer
bevat voor eene zeer aanzienlijke waarde; maar de pronkkamers van
zijne bekenden en buren zien er nagenoeg evenzoo uit: het is dus ten
eenemale overbodig, die kostbare zaken aan elkander te laten kijken;
ieder weet, dat het in een deftig zaanlandsch huis alzoo behoort.
Om den eigenaar van het huis in zijne gewone omgeving te leeren
kennen, moeten wij hem dus volgen naar zijne huiskamer, die op den
tuin en verder op de rivier uitziet. Ook deze huiskamer is een ruim
vertrek, laag van verdieping; de vloer is met matten belegd, en de
wanden zijn, boven de eikenhouten lambrizeering, met linnen behangsel
bekleed, waarop gezichten aan de Zaan en tafereelen uit het bedrijf
der Groenlandvaarders zijn geschilderd. De eikenhouten stoelen en
tafels zijn meer soliede dan sierlijk; de laatsten zijn in den regel
beschilderd, gelijk trouwens schier zonder uitzondering alle meubelen
en alle voorwerpen van huiselijk en dagelijksch gebruik met snij-
en schilderwerk, met opschriften, namen, rijmpjes zijn versierd. Op
kunstwaarde kan die versiering in verreweg de meeste gevallen weinig of
geen aanspraak maken; ook geeft zij ons niet altijd een hoog denkbeeld
van den smaak des eigenaars, maar toch verdient zij ten volle onze
aandacht, omdat zij ons vergunt een blik te werpen op eene zeer
eigenaardige zijde van het leven onzer vaderen. Die behoefte om het
huisraad en de voorwerpen, die ons dagelijks omgeven, aldus te doen
spreken, tot getuigen, in zekeren zin tot deelgenooten te maken van
ons persoonlijk leven, is ons ten eenemale vreemd geworden. Zij onder
ons, die reeds de grenzen van den middelbaren leeftijd beginnen te
naderen, herinneren zich nog wel de heilwenschen en beden op kopjes,
borden en dergelijken, voor geschenken bestemd; maar ook deze flauwe
echo van het verleden is weggestorven. Onze meubelen, onze huiselijke
gereedschappen mogen sierlijker en vooral schitterender zijn dan
vroeger, zij missen ten eenemale elk individueel karakter en staan
in hoegenaamd geene betrekking tot ons persoonlijk leven. Hoe zou
dit ook kunnen? Verreweg de meeste voorwerpen, die wij gebruiken,
worden fabriekmatig vervaardigd en gelijken dus volkomen op elkander;
zij kunnen in elke omgeving geplaatst worden en moeten in den regel
slechts voor enkele jaren dienst doen. In vroeger eeuw liet de
welgestelde burger zijne meubelen en zijn huisraad voor zich maken,
naar eigen smaak en fantazie; die meubelen en die gereedschappen
behoorden tot zijn persoon, tot zijne omgeving; zij vertegenwoordigden
zijn eigen verleden en gingen, als erfstukken der familie, van vader
op zoon over. Aan bijna elk van deze voorwerpen hechtte zich voor
den volwassen man, voor de zorgzame huismoeder, eene persoonlijke
herinnering uit de dagen der kindsheid en jeugd; zij maakten als het
ware deel uit van hun eigen leven, en kregen bij elke nieuwe generatie
hoogere waarde, als echte relikwieën der familie. Maar toen ook was
de huiskamer het ware middelpunt van elks bestaan, waartoe ieder zich
haastte terug te keeren, zoodra de dagtaak in werkplaats, winkel of
kantoor was afgeloopen, en zoo vaak niet de plichten jegens stad of
kerk of polder naar elders riepen. Onze uithuizigheid, ons leven op
publieke plaatsen, ons rusteloos jagen naar allerlei soort van genot,
dat ons vreemden maakt in eigen woning, was onzen vaderen geheel en al
onbekend; en bij al hun vlijt en onvermoeide arbeidzaamheid was hun
evenzeer onbekend die koortsige opgewondenheid, die hartstochtelijke
drift, die overprikkelende, bedwelmende roes, die ons geslacht heeft
bevangen, die wervelende maalstroom waarin wij leven en die ons,
ook als de uiterlijke arbeid stil staat, toch innerlijk geene ruste
meer gunt. Ons huis is voor steeds meerderen onzer eene tent, een
logement geworden, waarin wij niet langer toeven dan strikt noodig
is; hoe zouden wij bijzondere waarde hechten aan onze omgeving, of
behoefte gevoelen aan een zekeren persoonlijken band tusschen ons en
de voorwerpen, die wij heden in den eersten den besten winkel koopen,
en morgen, als de gril der mode wisselt, naar een boelhuis zenden en
door andere vervangen? Met een geheel ander oog bezag de Zaanlander
zijne omgeving, als hij in zijne huiskamer, nevens de schouw, op de
van ouds voor den heer des huizes bestemde plaats gezeten, met de
voeten op het kurkenblad en met de onmisbare pijp in den mond, zijne
blikken door het welbekende vertrek liet dwalen. Hij kent ze allen
van kindsbeen af, die kasten en kastjes; hij weet wat ze bevatten; hij
kent de rijmpjes op huisraad en tafelgereedschap van buiten en weet u
de daarbij passende geschiedenis te verhalen; hij zou, in den donker,
zonder aarzelen, den handmangel, de knipplank, de boodschapmand, den
fraaien borstel met het geborduurde handvatsel, van den wand kunnen
nemen. En wanneer gindsche staande klok, in haar sierlijk gesneden
kast van notenhout, het uur slaat, dan herinnert hij het zich nog wel,
mijmerende in het stille schemeruur, voor den breeden schoorsteen,
eer de koperen luchter wordt aangestoken, die met zijn sober licht de
rondom de schouw vergaderde huisgenooten beschijnt, maar het overige
van het vertrek in geheimzinnige schaduw laat; dan herinnert hij het
zich nog wel, hoe hij als kind, in stille verbazing en verrukking, naar
die klok placht op te zien, wanneer, zoo vaak het vroolijk speelwerk
zich hooren liet, er leven en beweging kwam in het arkadisch landschap
boven de wijzerplaat. Hoe vaak gierde hij het dan uit van pret, als de
haan begon te kraaien en te klapwieken met de vleugels, als de kippen
gingen pikken naar haar voeder, als de koe begon te grazen, als de
zwanen haar lange halzen uitrekten, als de molen begon te draaien,
de boerendeern te melken, en de hengelaar een vischje ophaalde uit
het water. De vreugde duurde maar kort, want had de klok geslagen,
dan keerde alles weer tot de gewone rust en onbewegelijkheid terug,
doch de verrassing was telkens nieuw; en in ieder geval, de oude klok,
die niet alleen het uur, maar ook de maand en den dag van het jaar
aanwees, deed haar best om het wel wat eentonige leven in de stille
huiskamer op te vroolijken. Daarvoor was hij haar dankbaar: daarom
voelde hij zich aan haar gehecht, aan haar en aan alle voorwerpen,
die haar sinds jaren in de huiskamer omgaven, en die elk hunne eigene
geschiedenis hadden. Uit dien folio Bijbel, met koperen beslag en
fraaie platen, die daar, aan de andere zijde van den schoorsteen,
nevens eenige andere boeken, tegenover hem ligt, leerde hij als kind,
aan moeders knieën, die wonderheerlijke verhalen, waarvan de heugenis
nooit werd uitgewischt; in gindsche hooge bedstede met haar groene
gordijnen, waarvoor het sierlijk besneden en met eene stichtelijke
spreuk versierde bankje met gedraaide pooten staat, blies zijn vader,
die nog in zijne jeugd naar Groenland had gevaren, den laatsten adem
uit. Nog heugt het hem hoe hij, als knaap, den dierbaren doode daar had
zien liggen, gekleed in het fijn linnen doodshemd met zwarte strikken
en randen, dat elke jonge man en elke jonge dochter bij het uitzet
medekreeg. Nog ziet hij de zware eikenhouten kist, met het zwarte
kleed overspreid, waarvan de plooien het aantal levensjaren van den
overledene aanwijzen, midden in de pronkkamer staan, omringd door de
vrouwelijke leden der familie, terwijl de mannen in het rond langs
de wanden zijn neergezeten. Nog ziet hij zich zelven daar staan, aan
het hoofdeneinde der kist, met de sidderende hand in de hand zijner
schreiende moeder, in rouwgewaad gekleed; nog hoort hij de plechtig
eentonige stem van den schoolmeester, die een paar hoofdstukken uit den
Bijbel voorleest. Hij ziet weder de steeds gesloten voordeur opengaan,
de kist op de baar plaatsen en door de gehuwde buren optillen en
naar de kerk dragen. Hij volgde, aan de hand zijner moeder, met alle
andere bloedverwanten en vrienden, mannen en vrouwen, en zag de kist
nederdalen in den geopenden grafkuil. Toen wierpen de naasten in den
bloede er eenige scheppen aarde op--en daarmede was de plechtigheid
afgeloopen. Immers, de familie behoort tot de Hervormde kerk, tot de
strenge richting; en gebeden of toespraken of andere plechtigheden
bij het graf, zouden haar, als "paapsche stouticheden", een gruwel
zijn geweest. Wel werd, na de terugkomst, in het sterfhuis door den
predikant eene toespraak gehouden,--zoo zeer gevoelde men het, in
spijt van het koude starre dogma, dat bij eene gelegenheid als deze
de wijding en de troost der godsdienst niet ontbreken mag,--maar op
het graf zelf mocht niets aan de vrome, aandoenlijk schoone en hart
verheffende gebruiken en ceremoniën der oude Kerk herinneren. En toen
werd er thee gedronken, en daarna koffie met krentenbrood en koek
gebruikt, en werden, door den schoolmeester en nog een paar anderen,
lijkdichten ter eere van den doode voorgelezen; en daarna werd het
stil in huis, stiller dan het ooit geweest was.... En sedert was het
leven zijn gewonen gang gegaan; hij was van knaap tot jongeling en man
geworden, wiens kinderen en kleinkinderen het voorvaderlijk huis met
telkens nieuwe lentevreugde vervulden, en wier kleine handjes hem, al
lachende, voortduwden op den weg naar het graf. Wel, hij had zijn werk
getrouw volbracht en God had zijn arbeid gezegend; hij had daarbuiten
veel zien veranderen en een nieuwen tijd zien aanlichten, die ook
voor zijn eigen omgeving, sinds eeuwen schier dezelfde gebleven,
menige verandering brengen zou; die--zij het hier ook langzamer dan
elders--het oude zou ondermijnen en sloopen en verdwijnen doen, om
plaats te maken voor hetgeen nog de duistere toekomst in haar schoot
verborgen houdt.
V
Vroolijk straalt de herfstzon aan den blauwen hemel, waarlangs witte
wolkjes drijven, en giet haar licht uit over het landschap, dat reeds
in gelende en bruine tinten de nadering van het najaar verkondigt. Wij
hebben de bebouwde buurt langs den linkeroever van de Zaan achter ons,
en rijden lustig en opgewekt over den straatweg, die ons naar Purmerend
zal brengen. Het landschap draagt het bekende karakter; aanvankelijk,
tot aan de buurt Het Kalf, waar de fraaie nieuw gebouwde katholieke
kerk onze aandacht trekt, hebben wij nog telkens kijkjes op de breede
Zaan met haar krans van molens, haar tuinen en bosschages; verder
dwalen onze blikken over bijkans onafzienbare weilanden, door vaarten
en slooten doorsneden. Een poos lang rijden wij langs de ringvaart
van de Wormer, om straks den weg door den polder in te slaan. Wij
zijn hier in een echt polderland; en wanneer onze vaderen uit de
laatste helft der zestiende eeuw konden opzien uit hunne graven,
dan stond het te vreezen dat zij hunne eigene woonstede niet meer
zouden herkennen. Vooral dit oostelijk en zuidoostelijk gedeelte
van Noord-Holland, het oude West-Friesland en Waterland, was eene
aaneenschakeling van meren, poelen, stroomen, wateren, waartusschen
de smalle, lage, drassige strooken en brokken land als verloren
waren. Geen land was door zijne natuurlijke gesteldheid zoo uitnemend
geschikt voor een eindeloozen guerilla-oorlog, zoo als de stugge
Westfriezen dien eeuwen lang tegen de Graven van Holland voerden,
en zoo als hunne nakomelingen dien, in de laatste helft der zestiende
eeuw, gedurende eenige jaren tegen de Spanjaarden hernieuwden. Maar
toen deze laatste storm had uitgewoed, toen de jonge republiek der
Vereenigde Nederlanden zich van de toekomst zeker voelde, toen de
herinnering aan vijandelijke krijgsknechten, aan bloedigen kamp op
dijk en in moeras, aan brandende hoeven en vernielde dorpen sinds
lang in de noordhollandsche streken was uitgestorven; toen dacht
men er aan, ook binnen eigen grenzen veroveringen te maken en den
steeds verder voortvretenden gierigen waterwolf te teugelen. Met
de voortvarende energie, welke het krachtig geslacht dier dagen
kenmerkte, werd de hand aan het werk geslagen en binnen weinige
jaren uitgestrekte plassen en meren in vruchtbaar land herschapen. De
Wormer, waardoor wij nu rijden, werd in 1624 bedijkt en drooggemaakt;
met de droogmaking van de Beemster was men reeds in 1608 aangevangen,
en in vier jaren tijds werd dit groote werk voltooid. De Purmer werd
omstreeks dienzelfden tijd, in de jaren 1618-1622, drooggelegd en
tot een polder gemaakt. Zoo had, binnen weinige jaren, deze streek
eene geheele herschepping ondergaan. De drie uitgestrekte meren,
die door allerlei wateringen en plassen met elkander verbonden, het
stedeke Purmerend omgaven, hadden plaats gemaakt voor wei- en bouwland,
waarop weldra talrijke hofsteden en boerenwoningen verrezen. Met den
handel in visch, een van de hoofdbronnen van bestaan voor de goede
lieden van Purmerende, was het gedaan; maar in de plaats daarvan
kwam nu de handel in graan, in zaden, in kaas en boter, die voor het
geleden verlies ruime winst bood. Landbouw en veeteelt brachten in
deze streken welvaart en rijkdom, en doen dat nog, zij het misschien
in mindere mate dan ettelijke jaren geleden. Toch behoeft ge slechts
om u heen te zien, om u te overtuigen, dat hier, over het algemeen
genomen, welvaart heerscht. Zie er die boerderijen maar eens op aan,
langs den breeden, belommerden weg geschaard; getuigt niet de geheele
aanleg, het geheele voorkomen der hofstede van onbekrompenheid, van
welgedaanheid? De bonte verwen, nog vaak aan de woningen aangebracht,
verwonderen en mishagen u niet, na hetgeen ge reeds aan de Zaan hebt
gezien; maar dat men op den zonderlingen inval kon komen, om ook de
stammen der boomen om het huis blauwachtig grijs te verwen, dat mag
voorwaar eene buitensporigheid heeten, waarvan de reden mij ontsnapt,
en waarover ge u met recht verbazen, ja zelfs wel ergeren moogt. Maar
dat daargelaten: wat u nevens dat voorkomen van welvaart treft, is
de schier overdreven zindelijkheid, die aan en om het huis, en--ge
kunt er zeker van zijn--ook daarbinnen en in den stal, heerscht: eene
zindelijkheid, die misschien niet van overdrijving is vrij te pleiten,
maar die er gewis toe bijdraagt om aan de boerenwoningen dien stempel
van welstand en rijkdom te schenken, en die in ieder geval verre
te verkiezen is boven de slordige onreinheid, welke in zoo menige
andere streek de boerenhoeven welhaast op krotten doet gelijken en u
terughoudt van een bezoek. In deze noordhollandsche boerderijen kunt
ge gerust binnentreden; ge zult er vriendelijk ontvangen worden, en
moge soms de weelde die in de pronkkamer heerscht--eene vrucht van de
vette jaren, die nu voorloopig tot staan zijn gekomen,--u door haar
kakelbont en heterogeen karakter een glimlach afpersen, zooveel is
zeker dat deze menschen in goeden doen zijn. Laat mij er bijvoegen,
dat de meesten, gelukkig, in aard en wezen veel minder veranderd zijn,
dan hunne vaak hybridische omgeving u zou doen vermoeden. Wij hebben
geen tijd om eene boerderij te gaan bezoeken; maar terwijl wij langs
de sierlijke huizen met hunne boomgaarden en vaak karakteristieke
opschriften, langs de uitgestrekte malsche weilanden, waarin prachtige
runderen loopen te grazen of rustig nederliggen in het fluweelige gras,
heenrijden en ons aan den aanblik van het vredige, stille landschap
verlustigen, brengen wij dien degelijken landbouwers, wier voorvaderen
den grond waarop zij wonen zelven geschapen hebben, in gedachten onzen
welgemeenden groet, en wenschen wij hun van heeler harte voorspoed en
gezegende jaren. In elke gezonde maatschappij zijn zij niet alleen
een onmisbaar element, zij vormen den grondslag zelven waarop het
maatschappelijk gebouw rust; en waar het hun op den duur slecht gaat,
waar hun stand verarmt en kwijnt, daar worden alle maatschappelijke
verhoudingen gaandeweg verstoord en wordt de maatschappij zelve
krank. Daarom is de in sommige streken voorkomende ontvolking van het
platte land, ten bate der steden, een zoo bedenkelijk, zoo onrustbarend
verschijnsel, dat op maatschappelijken achteruitgang van zeer ernstigen
aard wijst.
Wij naderen Purmerend en hebben reeds de vriendelijke buurt
De Nek achter ons. Die vrij breede vaart daar naast ons is het
Noordhollandsch-kanaal, waarvan wij reeds vroeger gesproken hebben. Het
is nu stil op dat kanaal, want de schepen van en naar Amsterdam volgen
dezen weg niet meer; alzoo ziet men er nog slechts binnenvaartuigen
en nu en dan een enkel zeeschip, zoo als er daar juist een bij de
sluis ligt, dat voor handelaars te Purmerend of in den omtrek hout
aanvoert. Na den flinken rit van Zaandam mogen onze paarden wel even
rusten; wij willen van het oponthoud gebruik maken en een vluchtig
kijkje nemen van de stad.
Een net, vriendelijk, rustig stedeke, dat er welvarend uitziet en een
prettigen indruk maakt. Wij hebben niet veel tijd noodig om de kleine
stad door te wandelen; jammer, dat het geen marktdag is, dan zou het
drukker en levendiger zijn op de stille straten, vooral op de ruime
Veemarkt en ook op die andere Markt, waarop het geheel gemoderniseerde
stadhuis staat, en waar de kaas- en boterboeren de zoo gezochte
produkten hunner nijverheid uitstallen. Maar nu wij de Markt overgaan
werpen wij in het voorbijgaan een blik op de in romaanschen stijl
herbouwde kerk, die te midden dezer hollandsch-burgerlijke omgeving
eene min of meer vreemde vertooning maakt. De oude kerk dagteekende
uit de tweede helft der veertiende eeuw, en werd na den brand van 23
Juli 1519 herbouwd; zij heeft in de laatste jaren, althans uitwendig,
eene geheele transformatie ondergaan. Verdere merkwaardigheden
bezit het eenvoudige stedeke niet; wij hebben geen tijd er lang te
vertoeven, en het ligt ook min of meer buiten de grenzen, die wij
ons voor ons uitstapje hebben gesteld. Echter niet geheel: immers
Purmerende behoort nog tot het oude Waterland, waarvan het vroeger
als een der dorpen werd gerekend. Niet meer dan een dorp was het,
toen Willem VI, de Graaf-Hertog, bij giftbrief van 4 November 1410,
Purmerende en Purmerland tot eene vrije heerlijkheid, met hoog en
laag gerecht, verhief en met die heerlijkheid zijn trouwen dienaar
Willem Eggert, eens poorters zoon uit Amsterdam, beleende. Drie
jaren later verkreeg hij van den Graaf-Hertog vergunning, om te
Purmerende een kasteel of huizinge te bouwen, en daarbenevens een
stuk grond van een-en-dertig roeden, dat hij voor den bouw van zijn
slot noodig had. De amsterdamsche koopman en poorter had dergelijke
gunstbewijzen wel aan den Vorst verdiend. Hij had Willem van Beieren
trouw met raad en daad, vooral ook met geld, bijgestaan, toen hij nog
als Willem van Oostervant, verdacht van medeplichtigheid aan den moord
van Aleide van Poelgeest, voor den toorn zijns vaders uit den lande
wijken moest; en, wat niet altijd gebeurt, de landsheer toonde zich
dankbaar voor de diensten den erfprins bewezen. Hij benoemde Willem
Eggert tot thesaurier van Holland en beleende hem met eene hooge
heerlijkheid, waardoor deze poorterszoon plaats nam onder de edelen
des lands--evenwel niet onder de ridders, maar onder de knapen. En
Willem toonde zich een goed heer voor zijne onderzaten, wien hij
verschillende voorrechten schonk en voor wie hij van den Hertog en van
den heer van Wassenaer, burggraaf van Leiden, ook tolvrijdom wist te
verkrijgen. De heerlijkheid met het slot Purmerstein kwam, in 1473,
door koop in handen van graaf Jan van Egmond, stadhouder van Holland,
Zeeland en West-Friesland, en bleef in diens doorluchtig geslacht,
tot deze goederen in 1607 door Lamoraal van Egmond, den zoon van den
zoo welbekenden Lamoraal, die minder nog zijne ridderlijke trouw aan
den Koning, dan wel zijne besluiteloosheiden halfslachtigheid--in
revolutionaire tijden boven alles gevaarlijk--met den dood op het
schavot moest boeten, wegens schulden werden verkocht. De Staten van
Holland kochten toen ook de heerlijkheid van Purmerende en voegden
die bij de grafelijkheidsdomeinen. Het bouwvallig geworden kasteel
werd in 1729 aan de stad afgestaan, die eenige jaren daarna de ruïne
deed afbreken.
Het dorp Purmerende was inmiddels mettertijd een aanzienlijk
vlek geworden, dat allengs stadsrechten verkreeg en in de laatste
jaren der zestiende eeuw ook het recht om afgevaardigden te zenden
naar de vergadering der Staten van Holland. Even als bijna geheel
Noord-Holland, schaarde ook Purmerende zich reeds in Juni 1572 aan
de zijde van den Prins, en de stedelijke regenten achtten het toen
noodig, de tot dusver geheel open liggende stad, door wal en gracht,
tegen een mogelijken overval te beschermen. Van deze wallen, die
gelukkig nooit dienst behoefden te doen, en van hare vijf poorten is
thans niets meer over; het stedeke ligt op nieuw aan alle kanten open.
Doch het is tijd, onzen rit te vervolgen. De paarden hebben frissche
krachten opgedaan, en lustig draaft ons rijtuig voort over den fraai
belommerden weg midden door de Purmer. Een lange rechte weg, ter
wederzijde door weilanden omzoomd, met nu en dan eene van die flinke,
welvarende boerenplaatsen, die het steeds een lust is aan te zien,
biedt desniettemin weinig afwisseling. Natuurschoon, in den gewonen
zin van dat woord, moet ge althans in dit gedeelte van de provincie
niet zoeken; en wij moeten billijk zijn en zonder omwegen erkennen,
dat dit echt-hollandsche landschap op den duur eentonig wordt. Het
is op den weg ook stil: ware het marktdag te Purmerende, er zou meer
beweging zijn, want dan zouden wij ongetwijfeld talrijke boerenwagens
en karren ontmoeten, die vooral met kaas beladen stadwaarts rijden of
van daar terugkeeren. Die wijd en zijd bekende kaasmarkt van Purmerende
liep eens, het was in de vorige eeuw, ernstig gevaar te gronde te
gaan. Laat mij u die niet onvermakelijke historie eens mogen vertellen:
't is eene episode uit een soort van _Culturkampf_ in miniatuur.
Het geschiedde dan in het jaar 1725, dat de regeering van Purmerende
goedvond, om welke reden weet ik niet, den pastoor Johan Van
der Velde, die sedert 1718 aan het hoofd der roomsch-katholieke
gemeente had gestaan, af te zetten en in zijne plaats een zekeren
Gerardus Kenens te benoemen, pastoor bij de Roomsch-Katholieken van
de bisschoppelijke clerezy, de zoogenaamde Jansenisten. Wat mijne
heeren van den gerechte tot deze zonderlinge keus bewogen had, weet
ik evenmin, maar wel dat zijne parochianen, waartoe ook de boeren
uit de Wormer en de Purmer behoorden, niet van zins waren, met dezen
opgedrongen herder genoegen te nemen. Aanvankelijk lieten zij pastoor
Kenens voor wat hij was, en begaven zich elders ter kerk om hunne
godsdienstplichten te vervullen; maar dit begon hun, en met recht,
te verdrieten, en toen nu noch verzoeken noch vertoogen baatten
om den onwettigen pastoor, die door de overheid gehandhaafd werd,
kwijt te raken, besloot men tot een ander middel de toevlucht te
nemen. De katholieke boeren in de Wijde-Wormer, in de Purmer en de
Beemster kwamen overeen, dat zij hunne kaas niet meer te Purmerende
ter markt zouden brengen: zij zouden met hunne wagens midden door de
stad rijden en zich naar Edam of Monnikendam begeven, om daar hunne
kaas te verkoopen. Daar ook in deze stroken van Noord-Holland, gelijk
zoo vaak ten platten lande, het aantal Katholieken, die aan de oude
Moederkerk waren getrouw gebleven, vrij aanzienlijk was, liep de stad
Purmerende groot gevaar haar kaasmarkt en kaashandel, en daarmede een
hoofdbron van haar bloei en welvaart, te zien verdwijnen of althans
zeer verminderen. Dit argument hielp: in het begin van 1728 werd
de opgedrongen pastoor weggezonden en straks door een ander, door
de bevoegde overheid geordend en erkend geestelijke vervangen. Zoo
werd aan billijke grieven te gemoet gekomen, werden de gemoederen
bevredigd en--werd de kaasmarkt gered. De verdreven pastoor Kenens nam,
bij zijn vertrek, een aantal kostbaarheden en kerksieraden, benevens
alle bescheiden betreffende de vroegere geschiedenis der kerk mede.
De weg, dien wij tot dusver volgden, heeft ons op een anderen, mede
lijnrechten weg gevoerd, die ons naar Edam brengt. Zoo stil als het
te Purmerende was, zoo druk en woelig is het hier: de straten zijn
vol met stedelingen en buitenlieden in hun zondagspak: er heerscht
eene vroolijke, opgewekte stemming. Geen wonder: het is kermis te
Edam, en van de dorpen en hofsteden in den omtrek zijn de boeren
en boerinnen stadwaarts getogen, om mede kermis te houden. Nu, dat
kermishouden kan bezwaarlijk iemand aanstoot geven: langs de beide
zijden van eene belommerde, tamelijk smalle gracht staan kramen, waarin
snuisterijen, speelgoed, koek en dergelijke artikelen worden verkocht,
en waarlangs de menigte heen en weder drentelt. Ginds wordt door knapen
en jongelieden koek gehakt; iets verder is, op een bont geschilderd
zeildoek, de geschiedenis afgebeeld van een of anderen misdadiger,
wiens snoode gruweldaden, met begeleiding van een draaiorgel, den volke
in dichtmaat worden voorgezongen. De rechte pret zal echter eerst later
beginnen. Althans op een grasveld, nabij het logement of de herberg
waar wij afstappen, staat een soort van circus, dat nu gesloten is,
maar zich des avonds in al zijne heerlijkheid zal vertoonen. Ook in
het logement zelf is de pret nog niet op gang. Wel is het druk in de
kolfbaan, maar in de vrij ruime achterkamer, waar eene estrade voor
een orchest is aangebracht, bevindt zich niemand behalve wij. De
drie muzikanten, die even na onze komst op de estrade plaats nemen
en straks uit alle macht beginnen te blazen en te vedelen, kunnen
zich dan ook gerust die moeite en ons die kwelling besparen: niemand
neemt van hen eenige notitie en wij haasten ons heen te gaan. Maar
van avond zullen zij hunne talenten beter kunnen gebruiken: dan zal
er gedanst worden. Inmiddels gaan wij een kijkje nemen van de stad.
Dat het juist kermis is, treffen wij niet. Immers, de weinige
ruimte, die op de voornaamste gracht tusschen de huizen en de kramen
overblijft, maakt het zeer moeilijk, de voor een deel antieke geveltjes
goed op te nemen. Daar zijn er betrekkelijk velen uit de zeventiende
eeuw, een enkele klimt ongetwijfeld nog hooger op; ook de beeldwerken
en opschriften aan de huizen zijn niet zeldzaam. Over het algemeen
ziet Edam er veel ouderwetscher uit dan Purmerend: daar ligt over de
geheele stad een zeker waas van oudheid, dat Purmerende, althans in
die mate, mist. Maar daarentegen vertoont Purmerend meer den stempel
van welvaart; Edam kwijnt en is in verval: niet ten onrechte noemt
Havard haar onder de _villes mortes_. Inderdaad, bij het bezoeken
van dergelijke plaatsjes rijst onwillekeurig de vraag op: waarvan
leven de menschen hier toch? Handel en nijverheid is er niet, ten
minste niet van eenige beteekenis; vroeger verworven rijkdommen, nog
door enkele familiën bewaard, moeten de kwijnende welvaart steunen;
landbouw en kleinhandel moeten, zoo goed het gaat, in de behoeften
der burgerij voorzien. Maar het algemeene peil van gegoedheid zinkt
steeds dieper; de bevolking neemt af; welgestelde familiën, door de
uitspanningen en genietingen der groote steden aangelokt, ontvlieden
de geestdoodende verveling van het kleinsteedsche leven en verhuizen
naar elders, een deel van de welvaart medenemende. Zoo slepen zij haar
treurig en troosteloos bestaan voort, die uitgestorven steden, van wier
wallen de stroom van het leven zich sinds lang heeft terug getrokken,
en die toch niet geheel sterven kunnen. Ge wandelt door hare stille
straten, waarin haast geen voetstap weerklinkt dan de uwe en waarin
alles u aan den vroegeren tijd herinnert; uw blik dwaalt langs de
ouderwetsche geveltjes, zoo geestig uitkomende tusschen het groen ter
wederzijde van de belommerde gracht; ge volgt den met statig geboomte
beplanten weg, die langs de haven naar de Zuiderzee voert, en het is
stil op dien weg en de haven is bijna ledig; en als ge eindelijk haar
monding bereikt, dan bespeurt ge niets dan de kabbelende golfjes der
zilvergrijze zee. En als ge u omwendt en weer uwe schreden naar de
stad richt, dan ziet ge daar, boven een krans van geboomte, de tinne
en den toren oprijzen van haar Groote-kerk, die ruimte biedt voor zoo
velen meer dan er tegenwoordig plaats kunnen nemen, en die in hare
verlatenheid getuigt van de vroegere welvaart der vervallen stad. En
weemoedig gestemd, gaat ge weder voort door de zwijgende eenzaamheid,
en beelden van het verleden rijzen op voor uwen geest.
Ja, ook Edam heeft betere dagen gekend. Haar naam, als die van
zoo menige stad en zoo menig dorp in Noord-Holland, doet aan water
denken en tevens aan den eeuwenouden, nooit rustenden strijd van
de bewoners dezer streken met het weldadig en tegelijk vijandig
element. Edam is niet anders dan dam in de Ee of de Ye, zoo als
sommigen den naam spellen;--het doet er niet toe, Ee, Ye, Aa, zijn
al te gader woorden van eene beteekenis: 't is de oude naam voor
stroomend water in het algemeen, en juist daarom ook de naam voor
meer dan een riviertje. Wanneer nu die dam gelegd is, weet ik niet;
naar het schijnt kreeg het vlek, dat aanvankelijk wel niet meer dan
een visschersdorp zal zijn geweest, omtrent het midden der veertiende
eeuw eenige stadsrechten. De jeugdige poorterij nam levendig deel in
de burgertwisten en partijschappen, die gedurende bijna de geheele
vijftiende eeuw Holland beroerden, en moest daar nu en dan zwaar
voor boeten. Maar in die dagen harer romantische, onstuimige jeugd
overkwam haar iets zonderlinge, dat wel vermelding verdient.
In het jaar Onzes Heeren 1403 woedde op zekeren dag, als zoo vaak, een
hevige storm over Waterland; de opgezweepte golven van de Zuiderzee
beukten in wilde woede de dijken, tot ze bezweken en de wateren der
zee zich over het verdronken land vermengden met die van de Purmer. Men
haastte zich, zoodra het noodweer eenigszins was bedaard, de gebroken
dijken te herstellen, en moest nu afwachten tot het ingedrongen water
weder door de sluizen was weggevloeid en door de molens opgepompt. Maar
ditmaal had de Zuiderzee iets ongewoons aangebracht. Eenige meiskens,
die des morgens, als naar gewoonte, naar het land gingen om de
koeien te melken, bespeurden in de Purmer een wonderbaarlijk wezen,
van de gedaante eener vrouw, naakt, met groen mos begroeid en zeer
onrein en onbehagelijk van voorkomen. Dat de meiskens op dit gezicht
ontstelden en aan een spooksel dachten, is gemakkelijk te begrijpen;
maar dat ze kloeke meiskens waren, niet zenuwachtig en voor geen klein
geruchtje vervaard, toonden ze, door met haar schuitjes en bootjes
het raadselachtige wezen, dat in het water heen en weder zwom en
spartelde, te omsingelen en gevankelijk naar Edam te brengen. Men
kan zich denken, hoe verbaasd de eerzame poorters hebben gekeken,
toen deze zeldzame buit uit het meer werd aangevoerd; en dat te meer,
daar de vrouw niet scheen te kunnen spreken, en slechts een zuchtend
en steunend geluid van zich gaf. Dat zwijgen was meer dan iets anders
geschikt om aan haar vrouwelijke natuur te doen twijfelen; doch wat was
het zonderlinge schepsel dan? Het at en dronk, gelijk andere menschen:
maar spreken deed het niet. Niettemin, de vroede mannen van de stad,
zeker niet zonder ernstige raadpleging met mijnheer den pastoor,
erbarmden zich over de zwerfster, die men algemeen voor afkomstig uit
de Middellandsche-zee hield, en voorzagen haar van het noodige. Dat
het gerucht van dit wonder zich wijd en zijd verspreidde en tal van
bezoekers naar Edam lokte, spreekt wel van zelf. Maar vooral op de
regeering van Haarlem schijnt het feit een diepen indruk te hebben
gemaakt. Nadat haar afgevaardigden, opzettelijk naar Edam gezonden,
verslag van hun wedervaren hadden gedaan, ontwaakte bij de heeren de
onbedwingbare begeerte om dit wonderbaarlijke wezen te bezitten. Zou
Edam het willen afstaan? Wel, men kon het beproeven. Een dringend en
nederig smeekschrift werd opgesteld en niets gespaard om de heeren van
Edam te bewegen, hun schat aan die van Haarlem af te staan. En zie,
tegen alle verwachting, werd de bede niet geweigerd. De geheimzinnige
vrouw werd naar Haarlem gevoerd en ongetwijfeld door de heeren en
burgers der goede stede met blijdschap en verrukking ontvangen. En
het scheen haar in de Spaarnestad ook goed te bevallen: zij leefde
daar nog vele jaren en verkeerde en spon met de andere vrouwen,
maar spreken deed zij niet. Het raadsel van haar wezen en afkomst
bleef dus onopgelost; maar aangezien de vrouw bij haar leven aan het
heilig Kruisbeeld de verschuldigde eere had bewezen, meende men haar,
na haar dood, eene christelijke begrafenis niet te mogen ontzeggen.
Dat hadt ge toch zeker niet gedacht, dat Edam de laatste der
Sirenen zou hebben geherbergd! Ach, het verwondert ons niet, dat
haar, de dochter der azuren, van goud en zonnevuur doortintelde
Middellandsche-zee, in haar eenzame ballingschap, onder den grauwen
noordschen hemel, in de troebele wateren van Purmer en Spaarne, de
lust tot zingen was vergaan; maar dat ze zelfs niet sprak! Doch ook,
wat een lot was het hare? Stel u haar voor, de betooverende dochter
van Acheloos, naar wier onweerstaanbaar gezang zelfs Odysseus niet had
durven luisteren dan na zich aan de mast van zijn vaartuig te hebben
laten vastbinden, stel u haar voor, eerzaam gekleed, neergezeten
onder de vrome poorteressen van Haarlem, spinnende en devotelijk een
kruis slaande! Dit is eene episode uit de treurige geschiedenis der
_Götter im Exil_, waaraan Heine niet heeft gedacht..... En zoo ge
mij nu beschuldigt, dat ik u een sprookje op de mouw wil spelden,
dan beroep ik mij op Junius, een ernstig, achtbaar en geloofwaardig
man, een historieschrijver, die ons het feit mededeelt. Wel is waar,
is hij zelf niet heel zeker van de zaak, maar toch.... Zie, haast niet
minder merkwaardig dan het verhaal zelf, zijn de opmerkingen die Junius
er aan toevoegt: "Alle welcke dingen, zegt hij, gelyckerwys ick die
niet vastelyck wil staende houden, alsoo wil ick die oock niet geheel
teghenspreecken, soo om de gheloofwaerdigheydt der Chronycken, als
oock mede omdat ik mij teghen de ghedachtenisse die noch soo versch
is, ende door de vrouwkens van handt tot handt overghelevert, niet
stellen en wil. Ick sal nochtans segghen, dat van my (aenghesien het
een Fabel schijnt te sijn) niet voor waerachtigh ghehouden werdt,
dat sy soude ghesponnen hebben, even oft haer handen met leden,
ghelyck als die der menschen, souden onderscheyden syn geweest. Doch
ick laet het peryckel van de waerheydt den Autheur."--
Dat men te Edam zoo weinig prijs stelde op het behoud der Sirene was
misschien ook daaraan toe te schrijven, dat dergelijke phenomenen
hier minder zeldzaam waren dan elders. Het stadhuis te Edam bewaart
de portretten van drie merkwaardige personages, die aldaar hebben
geleefd. Het eerste is dat van Pieter Dirksz., wiens baard zoo lang
was, dat hij dien met de hand moest ophouden, om hem niet langs
den grond te laten slepen. Het tweede is dat van Jan Cornelissen,
kastelein in het _Heerenlogement_, die in het jaar 1633, toen hij zich
op twee-en-veertigjarigen leeftijd liet conterfeiten, niet minder dan
vierhonderd-twee-en-vijftig pond woog. Eindelijk heeft men nog, uit
hetzelfde jaar, de afbeelding van Trijntje Cornelissen, eene teedere,
schuchtere jonkvrouw, die op haar negentiende jaar eene lengte had
van negen voet en wier geheele gestalte daaraan geëvenredigd was. Men
bewaart ook nog de schoenen van deze Trijntje, welke ongeveer de
afmeting hebben van eene vioolkist.
Dat was in den goeden ouden tijd, toen Edam eene bloeiende, welvarende
stad was. Toen leefde ook de eerzame burger J. Oosterling, die zich
in 1682 liet afbeelden tusschen zijn zoon en zijne dochter, en met den
vinger wijzende naar de twee-en-negentig schepen, die aan hem behoorden
en zoowel de Noord- als de Zuiderzee bevoeren. Ook dat portret is op
het stadhuis te zien. Toen was Edam de negende in rang onder de steden
van Holland; toen was het vertegenwoordigd zoowel in de vergadering
der Staten als in het collegie der admiraliteit; toen telde het eene
bevolking van ruim vijf-en-twintigduizend zielen, tegenwoordig tot
minder dan een vijfde geslonken, dreef een uitgebreiden handel en
was beroemd om zijne scheepstimmerwerven. Die voorspoed is voorbij
gegaan en opgevolgd door langzaam en hopeloos verval, waaruit geen
redding meer denkbaar is. Hoe zou zij tot nieuw leven ontwaken,
de arme doode stad, die ge eigenlijk niet zien moet op een dag als
deze, nu de kermispret haar een valschen schijn van leven schenkt,
maar die in andere, gewone tijden zulk een onuitsprekelijk weemoedigen
indruk maakt.
Van die dagen van welvaart en voorspoed is, zoo als ik zeide, ook de
Groote-kerk, waarvan de stichting tot de eerste jaren der vijftiende
eeuw opklimt. Zij was aan Sint-Nikolaas gewijd en behoorde tot het
aangrenzend klooster. In de troebelen der zestiende eeuw verdween
het klooster en werd de kerk, met berooving van haar altaren en
wat zij aan beeld- en schilderwerk mag hebben bezeten, voor de
nieuwe eeredienst bestemd. Nog, ondanks het kale en doodsche, het
_unheimliche_ en onharmonische, dat allen dus aan hare oorspronkelijke
bestemming onttrokken en in spreekzalen herschapen kathedralen eigen
is, nog is deze kerk van Edam een van de grootste en schoonste
in geheel Noord-Holland. Haar drie schepen van gelijke hoogte,
haar achtkantig koor met smalle sierlijke vensters, geven haar,
ook nog in haar berooving, een monumentaal karakter. Kunstwerken
moet ge hier natuurlijk niet zoeken: het schilderwerk, dat ook hier
vroeger de wanden en zuilen zal hebben versierd, is sedert eeuwen
onder eene laag witkalk verdwenen. Het eenige sieraad, dat de aan
alle kunst vijandige geest van het puriteinsche Calvinisme in de
kerken duldde, was glasschilderwerk, waarbij de nieuwe burgerlijke
regenten-aristokratie niet aarzelde, het voorbeeld van den ouden
feodalen adel te volgen en hare soms vrij potsierlijke blazoenen en
haar tot dusver onbekende namen aan de vergetelheid te ontrukken. Ook
de kerk te Edam prijkt met zulke geschilderde vensters, uit de eerste
jaren der zeventiende eeuw dagteekenende en te Gouda vervaardigd;
zij zijn, naar men zegt, een geschenk van de voornaamste steden
van Holland, wier wapenschilden daarop zijn afgebeeld. Maar zoowel
deze glazen als de kerk hebben veel geleden en zouden eene afdoende
restauratie behoeven: doch wie zal daar de hand aan slaan?--Vlak tegen
de kerk aangebouwd, ziet men nog een brokstuk van eene oude woning in
den sierlijken renaissancestijl van omstreeks de helft der zestiende
eeuw, met banden en lijsten van bergsteen en smaakvol gebeeldhouwde
nissen. Dit overblijfsel uit den vroegeren tijd is zeer zeker een
der fraaiste dingen, die Edam heeft aan te wijzen.
De andere kerk, waarvan de zonderlinge, min of meer scheeve toren met
zijn van buiten zichtbaar klokkenspel aanstonds de aandacht trekt,
was vroeger de kapel van een begijnhof en toen aan Onze-Lieve-Vrouwe
gewijd. Ook haar trof hetzelfde lot als hare zuster aan het andere
einde der stad. Toen de omwenteling, waarbij ook Edam zich aanstonds
aansloot, in Noord-Holland had gezegevierd, werden de begijntjes
verdreven, het eerwaardige gesticht opgeruimd en de gewezen kapel
voor de hervormde eeredienst ingericht. Zij heet nu eenvoudig, ter
onderscheiding van de Groote, de Kleine-kerk en verkeert mede in zeer
vervallen toestand. De wonderlijke, toch wel schilderachtige campanile,
die boven op den ouden bouwvalligen toren is geplaatst, dagteekent
uit het jaar 1733. Het bovenste gedeelte van den toren werd toen door
den bliksem vernield, en de stedelijke regeering liet, op het oude
monument, deze nieuwe, ietwat fantastische kroon plaatsen, die weinig
met het gebouw in harmonie is en evenwel geen slecht figuur maakt.
Wij hebben onze wandeling door de stad volbracht, die, dank zij de
kermis, een gansch ongewoon aanzien heeft. Morgen of ten hoogste over
een paar dagen is dit feest, dat nu een aantal bezoekers van buiten
lokt, ten einde en keert alles weder tot de gewone dommelige rust
terug. Dan droomt en dommelt zij weer voort, de uitgestorven stad
met haar ledige haven, aan het strand der stille Zuiderzee, wier
zilvergrijze wateren niet langer door de schepen harer kooplieden
en reeders worden gekliefd. Slechts nu en dan dwaalt een vreemdeling
door hare zwijgende straten, langs hare pittoreske grachten. Als hare
zusteren, Enkhuizen, Medemblik, Hoorn, Stavoren, Hindeloopen, langs
den rand der Zuiderzee geschaard, zit zij daar droomend en peinzend
neder, de doode stad, mijmerende aan de dagen van weleer, toen zij
rijk en bloeiend en machtig was en het frissche leven tintelde in
hare aderen. Ze zijn voorbij, die schoone tijden, en niemand brengt
ze ooit weder. De stroom der historie koos zich eene andere bedding:
zij bleven achter, als wrakken op het strand.