Tot de gemeente Edam behoort ook het op korten afstand gelegen
visschersdorpje Volendam: een van die, vooral voor vreemdelingen,
zoo merkwaardige en aantrekkelijke dorpen, die in bouw en inrichting
der huizen, in kleeding en levenswijze der inwoners, nog geheel den
stempel van den ouden tijd hebben bewaard. Voor ons, die bovendien
Marken reeds kennen, heeft Volendam minder merkwaardigs: slechts is
het niet raadzaam, met de Volendammers te veel over die van Marken
en met de Markenaars te druk over die van Volendam te spreken, want
de bewoners van het visschersdorp en van het visscherseiland kunnen
elkander niet best uitstaan. Draagt daartoe ook de omstandigheid
bij, dat de Volendammers voor verreweg het meerendeel ijverig
katholiek, en de Markenaars, ik geloof wel haast zonder uitzondering,
orthodox-gereformeerd zijn? Hoe dit zij, en dit punt van verschil
daargelaten, is er overigens tusschen Marken en Volendam veel
overeenkomst. De bewoners van beide plaatsen leven schier uitsluitend
van vischvangst; als op Marken, zijn ook te Volendam de huizen van
hout, groen of donkerbruin geverfd, en bevatten in den regel slechts
een vertrek, dat tot huis- en slaapkamer en tot keuken dient. Ook hier
vindt ge die ouderwetsche meubelen, met schilder- en snijwerk versierd,
en dien overvloed van tegeltjes en blauw porselein, dat in den laatsten
tijd zoo zeer in de mode is gekomen. Als de Markenaars, hebben ook
de Volendammers hunne eigene kleeding, voor de mannen bestaande uit
een wambuis, een wijden korten broek, schoenen met gespen en eene
bonte muts. De kleederdracht der vrouwen is minder eigenaardig en
minder schilderachtig dan op Marken: zij komt meer overeen met het
gewone noordhollandsche boerinnenkostuum. Als op Marken eindelijk,
is het ook hier de gewoonte, bij het binnentreden van de woning,
zijne klompen of schoenen aan de deur te laten staan, ten einde de
zindelijke vloermat niet te verontreinigen. Volendam bezit eene,
in den laatsten tijd gebouwde, zeer fraaie katholieke kerk.
Als type van een echt-hollandschen weg, in de minder gunstige
beteekenis van het woord, mag wel de weg gelden, die van Edam naar
Monnikendam voert. Een open weg zonder boomen, in rechte lijn
voortloopende langs eene vaart aan de eene en eene sloot aan de
andere zijde; rechts en links omzoomd door bijna onafzienbare, vlakke
weilanden, wederom van ontelbare slooten en vaarten doorsneden. Voorts
overal, op korter of wijder afstand, torenspitsen van dorpen, meestal
oprijzende boven een groep geboomte; hier en daar eene boerderij; in
de weilanden droomerige koeien, suffende aan den slootkant: een--het
valt niet tegen te spreken--in hooge mate eentonig en vervelend
landschap. Wij zijn hier midden in het oude Waterland: eene landstreek
die ten volle aanspraak heeft op haren naam, want inderdaad heeft
het soms den schijn, of de beide elementen, het water en het land,
elkander den voorrang betwisten. En vroeger was dit in nog veel sterker
mate het geval. Toen lag Waterland aan alle kanten door min of meer
uitgestrekte plassen ingesloten: ten oosten door de Zuiderzee, ten
zuiden door het IJ, ten westen en noorden door de Wormer, de Purmer
en de Beemster, terwijl bovendien eene menigte grootere en kleinere
wateringen het lage land in alle richtingen doorsneden. Het zal ook
wel hier dezelfde geschiedenis zijn geweest als die zoo menige streek
van ons land ons verhaalt: eeuwen lang heeft de mensch den taaien kamp
moeten voeren tegen het vijandig element dat zijn leven op dezen bodem
onmogelijk dreigde te maken, en in dien kamp is de bodem zelf gevormd
en bevestigd. En nog is voortdurende waakzaamheid plicht: want zijn
ook de groote binnenmeren sinds meer dan twee eeuwen drooggemaakt
en is ook in den laatsten tijd het IJ beteugeld, nog altijd knaagt
de Zuiderzee aan de oostelijke dijken en vernielt ze soms in haar
woeden. Maar in eigen boezem werd de kracht des vijands gebroken en
dienstbaar gemaakt aan de bevordering van welvaart en ontwikkeling.
In vroeger eeuwen was Waterland--een van de drie baljuwschappen waarin
weleer het Noorderkwartier, de latere provincie Noord-Holland, werd
verdeeld,--eene heerlijkheid, waarvan de bisschop van Utrecht zich als
leenheer beschouwde en die aan het oud-adellijke geslacht van Persyn
behoorde. Bij den toenemenden wasdom van het graafschap Holland,
kon het niet anders of het bezit van Waterland moest een twistappel
worden tusschen den graaf en den bisschop, die toch elkander in den
regel geen goed hart toedroegen; en evenzeer lag het in den aard der
zaak, dat de heer van Waterland het slachtoffer werd van dien naijver
tusschen zijne twee machtige buren. Jan van Persyn moest reeds, tegen
het einde der dertiende eeuw, zijne heerlijkheid Waterland verpanden
aan den grooten tegenstander van de feodale adelsregeering, aan Floris
V van Holland, zij het ook onder voorwaarde dat zijn zoon Nicolaas
levenslang de inkomsten genieten zou. Na het kinderloos overlijden
van dien zoon, in 1309, verviel Waterland, in spijt van de beweerde
rechten des bisschops, aan de grafelijkheid en werd sedert, in 's
graven naam, door een baljuw bestuurd, die zijn zetel te Monnikendam
had. De omwenteling van de zestiende eeuw bracht in dien toestand
slechts in zooverre verandering, dat de baljuw nu niet langer door den
graaf, maar door de Staten van Holland werd benoemd. Waterland was toen
gesplitst in zes rechtsbannen, bevattende de zes hoofddorpen: Ransdorp,
Zuiderwoude, Landsmeer, Zunderdorp, Broek en Schellingwoude; aan deze
hoofddorpen, die zich mochten beroemen op het bezit van verschillende
rechten en privilegiën, waren de andere dorpen ondergeschikt. In
de eerste jaren van den opstand tegen Spanje, toen de soldaten des
Konings nog in het hart van Holland vaste punten hielden bezet,
toen Amsterdam nog trouw de zijde des Konings hield en de andere
steden beurtelings den aanval des vijands hadden te weerstaan; in
die onrustige jaren waren ook de dijken en wegen, de vlakke velden en
moerassen van Waterland meer dan eens het tooneel van den verwoeden
strijd tusschen de spaansche soldeniers en de woeste vrijbuiters
van Sonoy of de tot het uiterste gedreven dorpers en huislieden,
die door beide partijen haast gelijkelijk werden mishandeld.
Meer dan drie eeuwen zijn verloopen sedert de geesel des oorlogs
Waterland teisterde, en sinds lang is elke herinnering aan die
bange dagen uitgewischt. Rust en vrede en storelooze kalmte ademt
het landschap, dat van niets anders spreekt dan van stillen arbeid
en menschelijke vlijt. Weiland schaart zich naast weiland, want
de waterlandsche boeren zijn veefokkers en moeten ook de naburige
groote hoofdstad van melk voorzien. De geheele streek is bezaaid met
dorpen, waarvan de torenspitsen overal het oog trekken. Die dorpen,
langs den zoom van het IJ en de Zuiderzee of meer landwaarts in
verspreid, door wegen en vaarten onderling verbonden, gelijken
meest allen op elkander, en het zou kwalijk van u te vergen zijn,
ze allen te gaan bezoeken.--Ziet ge daar ginds dien zwaren stompen
toren? Dat is de toren van Ransdorp, weleer het eerste en naar men
zegt ook het oudste der hoofddorpen van Waterland, vroeger een zeer
aanzienlijk en welvarend vlek, waar een aantal schippers woonden,
en dat vele gewichtige voorrechten en vrijheden bezat, door de
graven van Holland als heeren van Waterland geschonken. Sedert is
Ransdorp zeer gedaald; het aantal inwoners is tot ettelijke honderden
geslonken en menig ander dorp van Waterland wint het in bevolking
en welvaart van het oude hoofddorp, waarvan alleen de kolossale
toren aan de vervlogen grootheid herinnert. Die toren, vermoedelijk
uit de zestiende eeuw dagteekenende, is onvoltooid gebleven: hetzij
dan omdat de weeke bodem van Waterland onbekwaam bleek om zulk een
steenen gevaarte te dragen; hetzij omdat de kentering der tijden den
bouw staken deed. In dien toren werden--en worden misschien nog--de
oude handvesten en privilegiën van Waterland bewaard, in eene kist,
welke in eene nis in den zwaren muur was geplaatst en door drie deuren,
eene van koper, eene van ijzer en eene van hout, afgesloten. Slechts
in tegenwoordigheid van gecommitteerden uit de besturen van Ransdorp,
Zuiderwoude en Landsmeer, die ieder een sleutel bewaarden, kon dit
heiligdom ontsloten worden. De kerk, tegen den toren aangebouwd, is
van veel later dagteekening; door den watervloed van 1825, die een
belangrijk deel van Noord-Holland en ook Ransdorp zoo hevig teisterde,
werd deze kerk zwaar beschadigd; voor hare herstelling kon de arme
gemeente niet meer dan zevenhonderd gulden bijdragen.
Wij naderen Monnikendam. Schilderachtig genoeg ligt het daar,
in zijn krans van statig geboomte, aan den oever der Zuiderzee,
waarvan een inham vrij diep landwaarts indringt; en als het uitziet
over de grijze wateren, mag het droomen van de oude dagen, toen het
meer beteekende dan tegenwoordig. Daar is veel veranderd sinds de op
het eiland Marken gevestigde friesche monniken hier, aan den vasten
wal, eene nederzetting stichtten, die snel in bloei toenam. Dat was
in de tweede helft van de dertiende eeuw, nadat Nicolaas van Persyn,
heer van Waterland, in 1251, het eiland met zijn toebehooren aan de
abdij van Mariëngaarde in Friesland had verkocht. Het vlek bij den
door de monniken gelegden dam groeide al spoedig aan tot eene stad,
de eenige in Waterland, die van de graven verschillende voorrechten
verwierf en levendig aandeel nam aan de binnenlandsche twisten
en partijschappen, welke in de vijftiende eeuw Holland teisterden
en verscheurden. Als menige andere noordhollandsche stad, was ook
Monnikendam ijverig kabeljauwsch gezind, wat haar den toorn van Vrouw
Jakoba op den hals haalde, die in 1426 de stad innam. In 1492 nam
de woelige poorterij mede deel aan die hollandsche Jacquerie, met
den prozaïschen maar veelzeggenden naam van het Kaas- en Broodoproer
aangeduid: deze liefhebberij kostte haar eene boete van vierhonderd
gouden Andreasguldens. Ook bij de troebelen der zestiende eeuw liet
zij zich niet onbetuigd: in den nacht van 12 op 13 Maart 1571 werd de
stad door de Watergeuzen overvallen, die hier op hunne gewone manier
huishielden, een aantal huizen plunderden en eenigen der voornaamste
burgers gevangen namen. In Juli van het volgende jaar koos Monnikendam,
op het voorbeeld van Enkhuizen en andere steden in het Noorderkwartier,
de zijde van den Prins van Oranje; de bevelhebber der geuzenvloot,
die in 1573 den slag op de Zuiderzee won, Cornelis Dirkszoon, was uit
Monnikendam geboortig. De kloeke zeeman eerde zijne vaderstad, door
aan een harer burgemeesters de helft van de breede zilveren keten van
het Gulden-Vlies te schenken, die door den koninklijken vlootvoogd,
den graaf van Bossu, was gedragen. Dit gedenkteeken wordt nog op het
stadhuis bewaard.
Op deze min of meer onstuimige jeugd volgde een tijdperk van vredigen
bloei en voorspoed, waarin ook Monnikendam met hare zustersteden,
ja met geheel het vaderland, deelde. En dan kwam ook voor haar de
treurige tijd van kwijning en achteruitgang en verval. Ge wandelt door
hare nette, stille straten, waar de verschijning van een rijtuig de
bewoners voor de deuren hunner woningen lokt of over de toegeschoven
gordijntjes voor de vensters doet kijken: en u bevangt hetzelfde
gevoel van beklemming, van weemoed, van drukkende eenzaamheid
als te Edam en elders. Ja, ook Monnikendam is eene _ville morte_,
van welke de stroom des levens geweken is. Maar toch, ondanks haar
eenzaamheid, haar verlatenheid, toch maakt zij, met haar aardige
huizen, haar geestige geveltjes, waarvan er enkelen uit de zestiende
eeuw dagteekenen, geen somberen indruk. Draagt daar ook hare ligging
aan de zee toe bij, en haar krans van dicht belommerd geboomte, en het
wijde bloeiende landschap om haar heen?--Het schoonste monument van de
stad is ongetwijfeld haar Groote-kerk, weleer den heiligen Nikolaas
gewijd, eene statige gothische kerk met drie schepen, uit de eerste
helft der vijftiende eeuw, en met een fraaien toren versierd. Helaas,
de kerk is van al haar sieraden, haar beeld- en schilderwerk beroofd:
de gruwelijke witkwast heeft de vroegere kleurenpracht van wanden,
gewelven en zuilen weggewischt; hare altaren zijn verdwenen: zij is
een geplunderd, verlaten huis, eene berooide, leeggeroofde feestzaal
gelijk; een onbegrijpelijk gebouw, zonder kenbare bestemming, zonder
beteekenis, zonder harmonie. Waarom toch geeft men deze kerken,
die voor de protestantsche eeredienst ten eenemale ongeschikt
zijn, in plaats van ze te bederven en te verknoeien, niet aan hare
oorspronkelijke bestemming terug? Hoe zouden zij er bij winnen,
en wat ergernis bleef ons gespaard.--Ook door hare afmetingen is
de kerk van Monnikendam een getuige van de vroegere beteekenis der
stad: binnen hare muren is er ruimte voor misschien het dubbel van de
tegenwoordige bevolking. Hebt ge de kerk gezien en een blik geworpen
op het gemoderniseerde stadhuis met zijn fraaien toren, dan kunt
ge gerust uwe reis vervolgen, tenzij ge u naar de haven wenscht te
begeven en een blik te werpen op de kalme wateren van de Zuiderzee,
waaruit, aan den horizon, het vlakke eiland Marken opdoemt. Maar
reeds vroeger maakten wij kennis met deze zee en dit eiland: thans
voert onze weg ons elders heen.
Het is nog altoos hetzelfde landschap: eindelooze, smaragdgroene
weiden, van talrijke vaarten en slooten doorsneden; hier en daar, te
midden van eene groep geboomte, eene boerenhoeve; overal torenspitsen
van dorpen, oprijzende uit het groen; overal ook masten en wimpels
van schepen, schijnbaar raadselachtige verschijningen te midden
van het vlakke land. Wat toon en kleur en leven aan dat landschap
geeft, dat zijn de schakeeringen en spelingen van het licht bij
dezen vochtigen, wazigen dampkring, die overal de scherpe lijnen
en omtrekken verzacht, het verschiet in doorschijnenden nevel doet
wegdoezelen, en bij elke vluchtige wolkschaduw tooverachtige tinten
en tonen te voorschijn roept. Dat altijd wisselend spel van licht en
schaduw, waarvan de oude meesters onzer schilderschool het geheim
hadden doorgrond en de bekoring gevoeld,--zij, voor wie de natuur,
ook de vaak zoo nevelachtige, sombere hollandsche natuur, toch niet
altijd in een grauwen mist was gehuld,--dit wisselend spel van licht
en schaduw in het wijde landschap houdt het oog en de belangstelling
geboeid, die anders niet veel voedsel vindt. De tocht duurt niet
lang van Monnikendam naar Broek, want derwaarts zijn wij op weg. Het
dorp Broek-in-Waterland is zoo beroemd, geniet sedert geruimen tijd
eene zoo groote en zoo wijd verspreide reputatie, dat een Hollander
zich zelven niet dan met zekere wroeging kan bekennen, dat hij dit
vlek, hetwelk in het buitenland haast voor een kort begrip van zijn
vaderland geldt of gold, nog niet heeft aanschouwd. Ik verkeerde in
dat geval; en het was dus niet zonder ontroering dat wij die klassieke
plek gronds betraden. Al dadelijk verhoogt het uwe stemming en spant
uwe verwachting, dat ge uw rijtuig aan den ingang van het dorp moet
achterlaten: naar het schijnt, kan in Broek, evenmin als in Venetië,
worden gereden. Wij wandelen dus het dorp in en doorkruisen het
in alle richtingen. Dat vordert trouwens niet veel tijd: Broek is
gebouwd rondom een vrij grooten vijver, die zeer schilderachtige
gezichtspunten oplevert, en schuilt weg in een krans van zwaar
geboomte, een bosschage, waardoor enkele wegen en paden loopen. Wilt
ge u eene voorstelling van het dorp maken, verbeeld u dan een park,
waarin een aantal op zich zelven staande huisjes, door tuintjes
omringd, zijn gebouwd. Straten, in den eigenlijken zin des woords,
zijn er bijna niet: slechts op enkele punten een begin van eene
samenhangende buurt; verder staan alle huizen tusschen het geboomte,
langs den vijver en enkele grootere en kleinere vaarten verspreid. Het
geheel maakt eenigermate den indruk van een der dorpen langs de Zaan,
maar is nog stiller, nog ouderwetscher, nog hofjesachtiger. Men zegt,
dat Broek van ouds eene geliefkoosde verblijfplaats was voor rustende
koopvaardij-kapiteins en gepensioneerde zeelieden; en als ik bedenk,
welk eene groote macht juist de tegenstellingen op het menschelijk
gemoed plegen uit te oefenen, dan kan ik dat best begrijpen. Voor
zoo'n ouden zeerob, die zijn halve leven, onder duizend avonturen, op
de groote wateren had gesleten, moest het, als hij bij het naderen van
een vroegen ouderdom, des zwervens zat, naar rust begon te verlangen,
eene schier onwederstaanbare verzoeking zijn, weg te schuilen in dit
vredige nestje, in zulk eene stille kluis, om daar, omringd door
allerlei herinneringen aan zijne vele reizen, in den kring zijner
familie, zijne laatste levensdagen te slijten, onder den lommer dier
groote boomen, wier melodisch suizen hem van het ruischen der zee deed
droomen. Want rustig en stil is het hier, boven alle beschrijving:
zoo rustig en zoo stil als het op de binnenplaatsen onzer ouderwetsche
hofjes zijn kan. Tijdens ons bezoek werd die stilte slechts voor
een oogenblik verbroken: de dorpsschool ging uit, en springende,
dartelende, stoeiende, kwam eene kleine schaar van knapen en meisjes
aangeloopen, om straks tusschen het geboomte, langs smalle paadjes
en over kleine brugjes, te verdwijnen. En dan werd het weer stil;
en ge zoudt geneigd zijn, u op het gras neder te zetten om te droomen
en te mijmeren, als buiten in het bosch.
Broek is bovenal beroemd om zijne zindelijkheid, waarvan vooral
vreemde, met name fransche toeristen de meest fantastische sprookjes
hebben verteld. Nu ja, de woningen en tuintjes zien er zeer netjes en
zindelijk uit, zoo als dat hier bijna overal het geval is; de wegen
en straten, voor zoover ze er zijn, worden, naar het schijnt, niet
bereden en zijn dus veel minder aan verontreiniging bloot gesteld;
het geheele dorp lijkt eene groote buitenplaats, en eene ouderwetsche
hollandsche buitenplaats behoort keurig in orde te zijn. Daarenboven
was Broek ook beroemd om de welvaart en den rijkdom zijner bewoners;
en, naar men zegt, wonen hier nog vele zeer gegoede familiën, wier
uiterlijke levenswijze niet zou doen vermoeden hoe aanzienlijk de
van geslacht op geslacht overgeërfde fortuin is. In vroeger eeuw
dreven de bewoners van dit dorp, als hunne buren langs de Zaan, een
zeer voordeeligen handel, vooral op de Oostzee; en ook hier werd,
als het vermogen aangroeide, ongetwijfeld wel van het goede der
aarde genoten, maar toch altijd in bescheiden mate, zonder dat de
voorvaderlijke levenswijze eenige wezenlijke verandering onderging,
vooral zonder dat schittering naar buiten of praalvertoon werd gezocht
of gewenscht. Ook hier openbaarde zich de meerdere welstand vooral in
de degelijkheid en fraaie bewerking van het huisraad, in de schatten
van kostbaar porselein en zilverwerk. Niet minder dan de Zaankanters,
waren ook de Broekenaars aan de oude gewoonten en gebruiken, aan de
oude levenswijze en zeden gehecht, en zijn daaraan zoo lang mogelijk,
tot in onze dagen, getrouw gebleven. Maar even als aan de Zaan,
doet ook hier de nieuwe tijd zijn machtigen invloed, waaraan niemand
zich onttrekken kan, gevoelen. Broek is niet meer wat het vroeger,
wat het nog voor veertig-vijftig jaren was; en zeer vermoedelijk is
de tijd niet meer verre, waarin dit zoo eigenaardige typische dorp,
waarin zekere zijde van ons oud-hollandsch burgerlijk leven u in
sprekende trekken voor oogen treedt, zal zijn afgedaald tot den rang
van een gewoon plattelandsdorp, waaraan niets bijzonders is.
Wij bezochten te Broek het huis van een handelaar in wat men lokale
antiquiteiten of curiositeiten zou kunnen noemen, en zagen daar oude
meubelen en huisraad, aardewerk van verschillende soorten en allerlei
voorwerpen van dagelijksch gebruik. Toch geeft zulk een winkel van
_bric-à-brac_ geen denkbeeld van eene echte ouderwetsche woning, zoo
als die er vroeger uitzag. Of men hier nog zulke woningen vindt, weet
ik niet; maar mijne lezers, die de internationale Tentoonstelling te
Amsterdam hebben bezocht en zich toen het genot niet hebben ontzegd
van een ritje naar het zoogenoemde Broekerhuis, zullen daarvan
ongetwijfeld de herinnering hebben overgehouden. Daar stond het in al
zijne glorie, het echte oude, achttiende-eeuwsche huis der welgedane
dorpelingen: ongetwijfeld was het een prachtexemplaar, zoo fraai
en volledig als er misschien in werkelijkheid nooit een geweest is,
maar zoo als het daar stond, was het toch naar origineele modellen
gekopieerd, en wat het bevatte was echt. Dat schilderachtige huis
met zijn tuin in den oud-franschen trant was inderdaad een museum;
en het is wel zeer jammer, dat, naar de dagbladen onlangs meldden,
het Broekerhuis--wegens gemis aan belangstelling?--is gesloten en de
zeer rijke verzameling verkocht moeten worden. Maar dat Broekerhuis
stond nabij Amsterdam; en het is altijd een bedenkelijk teeken,
als de merkwaardigheden en karakteristieke eigenaardigheden eener
plaats--stad of dorp of wat ook--niet meer op de plaats zelve, in
de natuurlijke, historische omgeving, maar elders in kabinetten en
musea, moeten worden gezocht. Dat is een veeg teeken, een teeken van
wegstervend of reeds gestorven leven.
Van Broek gaat de rit naar de buurtschap Het Schouw, en verder
langs het Noordhollandsch kanaal naar Buiksloot. Altijd hetzelfde
lage, vlakke, groene land met vaarten en slooten, met dorpstorens
in het verschiet, met enkele boomgaarden en boerderijen. In den
onmiddellijken omtrek van Buiksloot wijkt eenigermate dat rustieke
karakter: de uitgebreide kanaal- en sluiswerken en enkele fabrieken
en werkplaatsen verkondigen de nabijheid der groote stad aan de
overzijde van het IJ. Trouwens reeds lang genoeg, terwijl ge over
den kanaaldijk reedt, hebt gij haar kunnen zien, al duidelijker
en duidelijker opdoemende aan den horizon. Zooals in ons vochtig,
nevelig vaderland wel meer gebeurt, was met het dalen der zon, de
aanvankelijk heldere hemel meer en meer betrokken en was een koude,
grijze nevel opgekomen, die als een wazige sluier over Amsterdam
hing uitgebreid en het panorama ten deele verduisterde. Ik zal
niet zeggen, dat het schouwspel er minder karakteristiek of zelfs
minder schilderachtig om was. Reusachtig, onmetelijk, scheen zij,
de machtige metropolis, met haar torens en koepels en haar donkere
huizenmassa opdoemende uit den grauwachtigen mist, die haar half aan
het oog onttrok, en toch genoeg van haar zichtbaar liet om den indruk
te geven van grootheid en indrukwekkende majesteit. Terwijl zij daar,
in den herfstnamiddagnevel, waardoor nu en dan de flauwe weerschijn
van een zonnestraal speelde, voor mij lag, schoon nog op een afstand,
toch het geheele landschap beheerschende, den geheelen achtergrond
van de onmetelijke schilderij beslaande, rezen weer allerlei beelden
en herinneringen uit haar rijk verleden voor mijnen geest op. Ik zou
niet gaarne in Amsterdam wonen, maar ik kan die stad nooit bezoeken,
nooit door hare straten en langs hare grachten dwalen, zondere zekere
innerlijke ontroering, zonder dat eene sterke sympathie voor de
roemrijke stad in mij ontwaakt. Was zij niet feitelijk de metropolis,
de ziel van de republiek der Vereenigde Nederlanden? Lodewijk XV vroeg
eens aan de _maréchale_ de Luxembourg: "Kent gij de geschiedenis van
de Montmorencys?"--"Sire," was het fiere, nobele antwoord, "ik ken de
geschiedenis van Frankrijk."--Welnu, van Amsterdam zou men hetzelfde
kunnen zeggen, althans wat de geschiedenis van Nederland sinds den
dageraad van de zeventiende eeuw betreft. Nogmaals, nu wij haar al
duidelijker en duidelijker zich uit den nevel zien loswikkelen, nu
wij uit den tuin van het logement te Buiksloot--eene geliefkoosde
uitspanningsplaats van Amstels burgerij--haar vlak voor ons zien,
nu wij straks den voet zetten op haar oude kaaien, nogmaals zij haar
onze groet gebracht.
Nog eenmaal op het water! Met vluggen gang klieft de kleine boot de
breede zilvergrijze watervlakte van het IJ, waarover de stralende
herfstzon een stroom van flonkerende diamanten strooit. Lustig en
vroolijk kabbelen de licht schuimende golfjes, waarover de frissche
koelte uit het noord-oosten blaast, en zingen haar melodisch lied,
waarnaar te luisteren niet spoedig vermoeit. Oostwaarts gaat de
tocht. Is het niet, als gevoelde het IJ hier zijne volle kracht,
hier waar het zich in onbeperkte breedte ontplooit; niet meer als
voor Amsterdam, eene breede rivier, maar in waarheid een meer, een
binnenzee, met oneindige perspektieven, met den schemerenden horizon
tot grens. Langzamerhand deinst en wijkt de stad, al laat ze u niet
geheel los, en al strekt zij hare armen verre, verre naar het oosten
uit. Maar toch, niet zij is het, die in de eerste plaats onze aandacht
vergt: het is de heerlijke watervlakte, die zich voor onze blikken
eindeloos verlengt en wier zoomen steeds verder van elkander wijken. Na
eene betrekkelijk korte vaart--te kort voor onzen wensch--komen wij
aan het welvarende dorp Nieuwendam, waartoe een klein kanaal uit het
IJ toegang geeft, en waar wij even toeven. Van de hoogte van den dijk
werpen wij een blik op het bloeiende land, het onbegrensde fluweelige
grastapeet, met zijn krans van dorpen, die wij deels bezochten,
deels uit de verte aanschouwden, gelijk wij het nu weder doen.
En nu, verder oostwaarts. Wij volgen denzelfden weg, dien, toen
Amsterdam nog de eerste koopstad der wereld was, de handelsvloten
volgden, welke zij uitzond naar Oost en West, naar alle zeeën en kusten
der aarde. Het is nu stil op deze wateren, want voor Amsterdam werd
een andere weg naar den oceaan gebaand, en nog slechts de vaartuigen
die uit de Zuiderzee komen, naderen van deze zijde de groote
koopstad.--Wat teekent zich daar, in de verte, aan den schemerenden
horizon, als een streep op de golvende watervlakte? Dat is de groote
afsluitdijk, die scheiding maakt tusschen het IJ en de Zuiderzee,
de twaalfhonderd-veertig meter lange dam, die de oude "wilde see"
der kronieken tot een binnenmeer heeft gemaakt. Ik sprak u reeds
van dien dijk, die deel uitmaakt van de werken van het kanaal tot
verbinding van de Noord- met de Zuiderzee, en waarvan de aanleg in 1866
werd begonnen. Zes jaren later was de dijk met de daarin aangebrachte
grootere en kleinere sluizen voltooid. Dat stoomwerktuig, in het gebouw
boven de doorlaatbruggen, is bestemd om het kanaal op het bepaalde
peil te houden. De sluizen, waarvan de grootste eene doorvaartwijdte
van achttien meter en een schutkolk van zes-en-negentig meter heeft,
zijn kunstwerken, die mede alleszins uwe belangstelling verdienen. Maar
zeer waarschijnlijk zijt ge geen deskundige, en laten dergelijke
opgaven en mededeelingen u koel. Nu, dan is er aan den dijk ook niet
veel te zien. Met dat al is het een kolossaal, monumentaal werk.
Laat ons even toeven te Zeeburg, en daar genieten van het wijde
vergezicht over de Zuiderzee. Zeegezichten zijn voor Hollanders,
en vooral voor de bewoners onzer fraaie, liefelijke hofstad, geene
zeldzaamheid; desniettemin behouden ze altijd hunne eigenaardige
bekoring. Ook hier te Zeeburg is het uitzicht over de watervlakte,
stralend in den zonneschijn, met hier en daar een blank of bruin
zeil, hier en daar de witte rookkolom van eene stoomboot, in
waarheid schoon. Daartoe draagt mede bij, dat ge, over de breede
watervlakte heen, de lage kust volgen kunt. Nu, laat ons dan van
hier een laatsten, een afscheidsblik werpen op Waterland, waarvan de
laatste dorpen, Schellingwoude en Durgerdam, daar tegenover ons hunne
torenspitsen boven het vlakke veld opbeuren. Durgerdam is een klein
armoedig visschersdorp, maar de naam van dat dorp roept ons eene
gebeurtenis in de herinnering terug, welke voor omstreeks veertig
jaren de algemeene belangstelling wekte. Wij leven snel in onzen
tijd; de eene gebeurtenis verdringt de andere, ook op het groote
wereldtooneel; telkens nieuwe verschijningen vragen voortdurend onze
aandacht: hoe zouden wij de heugenis kunnen bewaren van hetgeen, vele
jaren geleden, een paar onbekende visscherlieden uit een dorp aan den
oever der Zuiderzee overkwam? Toch is het feit merkwaardig genoeg om
herdacht te worden. Gij wilt mij wel vergunnen, het u te verhalen; het
zal ons een blik doen slaan in het leven van die eenvoudige lieden,
dat ons, in onze eenzijdigheid, vaak zoo prozaïsch, zoo kleurloos,
zoo eentonig en onbeduidend schijnt.
Het had hard gevroren in de maand Januari van het jaar 1849; de
Zuiderzee was voor een groot deel met ijs bedekt, de vischvangst stond
stil en in de huisgezinnen der durgerdamsche visschers begon de nood
te nijpen en dreigde de honger. Het eenige wat den visscherlieden nog
te doen stond om een schamel stuk brood te verdienen, was op het ijs
te gaan om in de spleten en gaten bot te vangen, die dan aan wal werd
verkocht. Zoo begaf zich ook, in den namiddag van zaterdag, 13 Januari,
nadat hij met zijn gezin het sober maal had gebruikt, de visscher
Klaas Bording met zijne beide zonen Klaas en Jakob naar het ijs, om
zijn geluk te beproeven. Men had er op gerekend, een gedeelte van den
nacht op het ijs door te brengen en den noodigen proviand medegenomen:
een ketel koffie en twaalf sneden roggebrood. De vangst slaagde boven
verwachting; toen dan ook de andere visschers, die zich minder ver van
den wal verwijderd hadden, derwaarts terugkeerden, bleven Bording en
zijne zonen nog ijverig voortvisschen, middelerwijl den medegebrachten
voorraad opterende. Zoo ging, in dien kouden Januarinacht, voor
onze kloeke visschers de tijd ongemerkt voorbij: een ruime vangst
zou de moeite loonen en de vrees voor morgen bannen. Eenige uren na
middernacht hadden zij over de zevenhonderd stuks bot bijeen: nu was
het genoeg; de buit werd bijeen geraapt en men maakte zich gereed om
naar huis te keeren. Maar nu bemerkten zij, tot hunne ontsteltenis, dat
terwijl zij zoo ijverig aan den arbeid waren, het ijs was losgeraakt,
zoodat zij op eene schots dreven. In hun angst snelden zij naar den
kant van den vasten wal, of een kloeke sprong hen uit dezen nood redden
mocht: maar daar gaapte, na weinige schreden, voor hunne voeten een
wijde sleuf, een duistere onoverkomelijke afgrond. Het water omklotste
aan alle kanten het stuk ijs, waarop zij stonden: zij waren gevangen.
En nu begon een zwerftocht, waarvan het verhaal ongeloofelijk zou
schijnen, indien het niet boven allen twijfel verheven was. Veertien
dagen lang hebben de drie ongelukkigen op hunne ijsschots, die steeds
meer inkromp, door de Zuiderzee rondgezworven, langs de eilanden, langs
de noordhollandsche, de utrechtsche, de geldersche, de overijselsche
kust; slechts een enkele maal ontwaarden zij in de verte een botter,
die weer spoedig uit hun oog verdween. Beproef u een oogenblik
hun toestand voor te stellen. Saamgegroept op een ijsschots, die
onophoudelijk afbrokkelde en steeds in omvang slonk; met geen anderen
voorraad dan een vijftigtal rauwe visschen--de overigen hadden zij, om
het brozer wordende ijs niet meer dan volstrekt noodig was te bezwaren,
weggeworpen;--blootgesteld aan al de guurheid van het winterweder;
vier dagen achtereen door zoo dikken mist omgeven, dat het hun zelfs
niet mogelijk was te gissen, waar zij zich bevonden. Den tweeden
zondag van hun zwerftocht dreven zij zoo dicht langs Enkhuizen,
dat zij het luiden der klokken konden hooren. Maar daar verhief
zich de noordwestenwind, en met snelle vaart dreven zij oostwaarts,
benoorden Urk om. Zoo gingen wederom vijf bange, eindelooze dagen
voorbij..... Wat wonder, dat den vader eindelijk de moed ontzonk en
hij zijn zonen voorstelde, aan de duldelooze marteling een einde te
maken en zich in de grauwe diepte te laten zakken. De knapen weigerden
en brachten ook hun vader van dit denkbeeld terug. Was het in Gods
raad bepaald dat zij sterven zouden, het moest dan zijn op zijn tijd:
het stond niet aan hen, eigenwillig dat oogenblik te kiezen. Sedert
den tweeden dag na hun zwerftocht hadden zij hun honger gestild met
rauwe bot; maar ook deze voorraad was, al had de vader in vier dagen
niets meer gegeten, op twee of drie na opgeteerd. De ijsschots was
tot een brok ter groote van eene tafel geslonken: de ontknooping
naderde met rassche schreden....
Als door een wonder werden zij gered. Weer was het zaterdag, de tweede
na den aanvang van hun zwerftocht. Daar vonden een paar knapen, op
het kerkhof van Vollenhove spelende, twee haringen, vermoedelijk aan
zeemeeuwen ontvallen. Dit was voor de visschers een wenk, dat zij hun
bedrijf konden hervatten, en aanstonds werd daartoe overgegaan. Tegen
den middag kwamen twee visschers met hunne schuiten zoo dicht bij de
ongelukkige zwervers, dat zij hun noodgeschrei konden hooren. Nu werd
aanstonds besloten, al het mogelijke tot redding te beproeven. Dit
gelukte, doch niet dan met groote krachtsinspanning en dreigend
levensgevaar. Eindelijk kon men hen met eene roeiboot bereiken:
nauwelijks was de laatste der drie zwervelingen in de roeiboot
opgenomen, of de ijsschots viel voor hunne oogen uiteen. Des avonds ten
half zeven kwamen zij behouden aan wal. Zij waren gered: maar de oudste
zoon en kort daarna ook de vader bezweken ten gevolge van wat zij op
dien vreeselijken tocht van veertien dagen en nachten, naar lichaam
en ziel hadden geleden. Alleen de jongste zoon bracht er het leven af.
En nu, wij hebben onze reize volbracht. Wij bezochten te zamen een
bijna vergeten uithoek van ons vaderland; ik hoop bij mijne lezers
de overtuiging te hebben gewekt, dat het ook daar niet ontbreekt aan
wat hunne belangstelling, hunne liefde verdient.