III

Wij hebben lang bij het huisje van Tsaar Poter getoefd; maar,

naar wij vertrouwen, toch niet te lang. Immers deze reis van den

aanstaanden Peter de Groote was een belangrijk keerpunt niet alleen

in zijne persoonlijke geschiedenis, maar in de geschiedenis van zijn

land en daardoor van Europa. In den persoon van zijn jeugdigen,

ietwat fantastischen souverein,--die op mannen als Willem III en

anderen van zijn stempel wel den indruk moest maken van een barbaar,

een ongelikten, zij het dan ook genialen beer,--bracht het tot dus

ver zoo goed als onbekende, drie-kwart aziatische Rusland een eerste

bezoek aan het oude, fijn beschaafde, aristokratische Europa, waarvan

het zich voorstelde voortaan deel te zullen gaan uitmaken. Het was

eene eerste kennismaking, die vermoedelijk niet overal even gunstige

indrukken achterliet; maar al zeer spoedig moest men ondervinden

dat de nieuwe gast, dien men welstaanshave niet de deur had kunnen

uitwijzen, al stonden zijne manieren niet aan, van plan was eene

blijvende plaats in te nemen niet slechts, maar ook in allerlei

zaken en aangelegenheden, waarover het vroeger niemand inviel

zijn advies te vragen, een woordje en wel een beslissend woordje

mee te spreken. Vergelijk eens de positie, die Rusland bij den

aanvang der achttiende eeuw onder de mogendheden van Europa innam,

met die waarop het honderd jaar later stond, met die welke het thans

bekleedt: is daar merkwaardiger, romantischer, bijna zouden wij zeggen

fantastischer geschiedenis dan deze? En wat spelt dit stout begin;

wat, die aan het ongeloofelijke grenzende ontwikkeling, die toch

nog op verre na haar eindpaal niet heeft bereikt? Wat zal deze reus

vermogen, als het innerlijk evenwicht--misschien mede door Peters

al te roekeloos ingrijpen verstoord--hersteld zal zijn; als zijne

onmetelijke kracht harmonisch zal zijn ontwikkeld; als hij het volle

bewustzijn zijner kracht en vooral de vrije zelfstandige beschikking

over zijne kracht zal hebben verkregen; als het nu nog voor een goed

deel mechanisch saamgevoegde ontzaglijke rijk een levend organisch

geheel zal zijn geworden? Zal dit jongste lid in de europeesche

volkenfamilie tegenover de staten van Europa dezelfde rol spelen, die

het gehelleniseerde Macedonië heeft gespeeld tegenover de uitgeputte,

door inwendige verdeeldheid verscheurde, door ouderlingen naijver

machtelooze staten van Griekenland; en is de slavische wereld bestemd,

gaandeweg de plaats in te nemen, die achtervolgens aan de romaansche

en aan de germaansche heeft behoord?

Ziedaar vragen, welker gewicht niemand miskennen zal, maar die wij

gelukkig niet geroepen zijn op te lossen, en waarin wij ons dan ook

verder niet zullen verdiepen. Het zou inderdaad onbegrijpelijk zijn,

dat deze en dergelijke vragen ons juist thans konden bezighouden,

ware het niet dat van de verschillende steden, door Peter gedurende

zijn verblijf in ons land bezocht, Zaandam de eenige is, die een

aandenken aan hem heeft bewaard. Ook daarom zeker wordt steeds in de

eerste en voornaamste plaats, bijna uitsluitend, van zijn verblijf

te Zaandam gewaagd.

Wij zijn van ons uitstapje naar het beroemde huisje teruggekeerd en

staan weder op den Dam bij de sluizen, waar het vooral omtrent het

middaguur vrij druk is. Wij werpen even een blik op het raadhuis,

een wit gepleisterd karakterloos gebouw, in dien ongelukkigen

pseudo-klassieken stijl, die voor veertig, vijftig jaren de

alleenheerschende was, maar die vooral in deze omgeving een

allerwonderlijksten indruk maakt. En nu, laat ons de stad inwandelen.

Ik zeide reeds, dat Zaandam zich langs beide oevers van de Zaan

uitstrekt, en wel aan iedere zijde met eene hoofdstraat, waarvan een

aantal zijsteegjes of laantjes uitgaan. Aan de westzijde, waar wij

ons thans bevinden, heeft deze straat de lengte van ruim een half uur:

dat wil zeggen, over die lengte behoort zij nog tot Zaandam, maar zij

zelve zet zich voort door de dorpen Koog-aan-de-Zaan en Zaandijk,

die met Zaandam een aaneengeschakeld geheel vormen. Ware het niet,

dat voorbij Zaandijk de meer dan twee uren lange straat door open

plekken en weiland wordt afgebroken, dan zou ook nog Wormerveer tot

deze zeldzame trits van dorpen kunnen gerekend worden. Ge ziet toch

niet tegen de wandeling op? Het is uitnemend weêr: een frissche wind

tempert de warmte en de zon kleurt en bezielt het landschap. Laat

mij u vooruit de verzekering geven, dat de tocht u niet verdrieten

en niet lang vallen zal.

Wij merkten reeds den eigenaardigen bouwtrant op. De meeste huizen

zijn ook nu nog van hout, hetzij geheel, hetzij alleen voor het

bovengedeelte, terwijl de benedenverdieping van steen is. Geheel

steenen huizen, al is hun aantal in den laatsten tijd toegenomen,

vormen toch nog verreweg de minderheid. Deze huizen hebben bijna zonder

uitzondering maar eene bovenverdieping en een schuin toeloopend

dak; maar wat vooral de aandacht trekt, dat is de veelheid der

verwen, waarmede zij prijken. Al het houtwerk is geverfd: groen

in verschillende schakeeringen schijnt de meest geliefde kleur,

maar daarnevens ziet ge ook geel en blauw en rood. Zie daar dat

huis eens. Van onderen is het van donkerrooden baksteen, waarvan

de witte voegen helder uitkomen. De lijsten en posten van deuren en

ramen zijn wit beschilderd; de naar buiten openslaande luiken zijn

helder groen, met witte en roode randen om de paneelen, even als de

deur zelve. Groen is ook de houten bovenverdieping, grasgroen; en

ook hier ontbreken langs de smalle vensters de roode en witte biezen

niet. Ter afwisseling zijn nu de luiken rood geverfd, met groene en

witte randen. Het puntige dak springt een weinig vooruit en prijkt op

den top met een vergulde windvaan of een of ander sieraad van gesneden

hout. Dit kleurrijke huis staat in een tuintje met smalle paden en

kleine bloemperken; een paar doornhagen en een paar geschoren wilgen

herinneren nog aan den vroegeren aanleg. Jammer, niet waar, dat de

bewoner heeft gemeend aan den modernen smaak te moeten offeren,

door midden in zijn tuintje een wit pleisterbeeld te plaatsen,

een sober gekleed jongske, dat een korf of schelp omhoog tilt: deze

karakterlooze pop hoort daar niet. Dat alles blinkt van zindelijkheid

behoef ik niet te zeggen; dat de met kiezel bestrooide paadjes in

den tuin netjes zijn geharkt; dat de met veelkleurige bloemekens

omzette randen der perken onberispelijk in orde zijn; dat het huis

zelf er uitziet, als ware het zoo pas uit eene doos te voorschijn

gehaald:--dat spreekt immers van zelf. In dit alles is overdrijving,

overdrijving die schade doet aan het pittoreske en, het moet gezegd

worden, over het algemeen en op den duur den indruk maakt van iets

kleingeestigs en kinderachtigs. Maar al glimlacht ge ook over deze

zwakheid, ge moogt daarom niet verzuimen een oog te hebben voor het

betooverend spel van licht en schaduw, voor den rijkdom van kleuren

en tinten, voor het schilderachtig effekt--meestal geheel ongewild

en ongezocht--dat u telkens en telkens treft. De straat neemt steeds

meer het karakter aan van een laan; zij is nu eens breeder, dan weer

smaller, en slingert zich in breede kronkelingen al verder en verder,

steeds aan beide zijden door huizen omzoomd. Maar die huizen staan

niet, als soldaten in het gelid, op eene rij naast elkander; zelfs

van eene rooilijn kan men maar bij uitzondering, beleefdheidshalve,

spreken. Blijkbaar heeft ieder zijn huis gebouwd naar eigen smaak en

fantazie: nu eens vlak aan den weg, dan een weinig meer achterwaarts,

dan weer schuin of overdwars, elders in groepjes van drie of vier

naast elkander. En deze afwisseling waarborgt u telkens nieuwe kijkjes

en nieuwe verrassingen en bant alle eentonigheid, die, ware een meer

moderne bouwtrant gevolgd, niet kon zijn uitgebleven. Voorts is daar,

als aan een buitenweg past, groen in overvloed. Schier bij elk huis

behoort een grooter of kleiner tuintje; langs den weg zijn boomen

geplant, oude, eerwaardige boomen ook, die hun lommer uitbreiden over

de stille woningen, en door wier gebladerte het zonlicht zoo geestig

speelt op de bont gekleurde geveltjes. Straks krijgt de straat nog

meer het karakter van een buitenweg. Ter linkerhand loopt langs

den vrij smallen weg eene tamelijk breede sloot, en over die sloot

welven zich tal van, natuurlijk wederom beschilderde, houten brugjes,

die toegang geven tot de erven en woningen aan de overzijde.--Hier en

daar wordt de reeks der eenvoudige zaanlandsche woningen afgewisseld

door een molen, waarvan de kap wederom groen is geverfd met roode en

witte banden; door eene fabriek, waarvan de donkere muren en de hooge

schoorsteen een scherp contrast vormen met deze ouderwetsche omgeving;

door een of ander heerenhuis of villa in modernen stijl, die de plaats

heeft ingenomen der voorvaderlijke woning. Somwijlen ook krijgt ge nog

enkele exemplaren te zien van den echten, ouderwetschen tuinaanleg:

geschoren hagen, regelmatig afgepaste perkjes, die geometrische figuren

vormen; voorts grotwerk en gekleurde beeldjes, mannen en vrouwen in

nationale kleederdracht, schippers, boeren, kooplieden. Dit alles is

op kleine schaal en dus ontegenzeggelijk kinderachtig en min of meer

smakeloos: deze wijze van tuinaanleg kan eerst werkelijk begrepen

en gewaardeerd worden, waar het vorstelijke lusthoven geldt, waarvan

een trotsch, monumentaal kasteel het middelpunt vormt; maar hier zijn

deze ouderwetsche tuintjes, wier aantal zeer klein is, u toch welkom

als herinneringen aan vroeger eeuw.

Nu en dan kunt ge, soms maar door een smal steegje, een blik werpen op

de breede rivier, wier dansende golfjes schitteren in het zonnelicht,

of laten de huizen en tuinen eene ruimte open, die u een vrijer

en wijder blik gunt op de veel bezongen Zaan. Veel vaart is er nu

op de rivier niet; maar karakteristiek voor hare boorden zijn de

talrijke molens, die overal uit het groen te voorschijn treden,

en wier zwaaiende wieken rondwentelen in, ijlende vlucht. Toch

is ook het getal dier molens merkelijk geslonken, deels door den

achteruitgang of den geheelen ondergang van sommige weleer bloeiende

takken van nijverheid, deels door de toenemende heerschappij van den

stoom. En dat men ook hier met de veranderde tijdsomstandigheden

rekening heeft weten te houden en zich beijvert om aan de eischen

der moderne industrie te voldoen, dat bewijzen de groote fabrieken,

die ge hier en daar, met name te Wormerveer, ziet verrijzen.

Toch zijn ook voor de Zaanstreek de gouden dagen van vroeger

voorbij. Ik weet niet, in hoeverre de aanteekening in Bädeker

vertrouwen verdient, dat er onder de dertienduizend inwoners van

Zaandam verscheidene millionnairs gevonden worden; maar wel weet ik,

dat ge slechts een gesprek behoeft aan te knoopen met den kastelein! in

het koffiehuis waar ge even toeft, of met den eerzamen bewoner van

een dezer aardige huisjes, om te hooren verhalen van den rijkdom,

die hier vroeger heerschte en namen te hooren noemen van zaanlandsche

familiën, waarvan de vader of de grootvader bij zijn sterven millioenen

naliet. En die rijkdom openbaarde zich niet zoo zeer in uiterlijke

pronk en schittering, in vertooning naar buiten, maar in die degelijke

soliede pracht, waarvan wij nader zullen hebben te spreken, als wij

zullen pogen het beeld van een ouderwetsch zaanlandsch huis voor u

te teekenen.

Hoe was die rijkdom verworven? Door noeste vlijt, rusteloozen arbeid

en taaie inspanning. Niet ten onrechte heeft men de Zaanstreek

met een bijenkorf vergeleken, waar elke werkelooze hommel met den

nek werd aangezien en iedere bij rusteloos bezig was met honig te

garen. Zeker was er in ons vaderland geene andere streek te vinden,

waar binnen zoo klein bestek de nijverheid zulk een omvang had

gekregen. Houtzaagmolens, papiermolens, pel-, verf- en tabaksmolens

werden bij tientallen, de eersten welhaast bij honderdtallen,

geteld; voorts had men er leerlooierijen, lijnbanen, oliefabrieken,

zeildoekmakerijen, om vooral de scheepstimmerwerven met haar

ganschen aanhang van ambachten en bedrijven niet te vergeten. Daar

is een tijd geweest, dat alleen langs de Binnenzaan vijf-en-twintig

scheepstimmerwerven aan vele honderden handen arbeid en welvaart

verschaften. Uit kleine beginselen was deze industrie tot zoo grooten

bloei gestegen. Aanvankelijk vergenoegde men zich met het timmeren

van kleine vaartuigjes, en de naijverige mededinging van het machtig

Amsterdam en van andere naburige steden, zooals Enkhuizen en Edam,

scheen de kans op verdere uitbreiding van dit bedrijf onmogelijk te

maken. Maar de Zaankanter was ondernemend en gaf niet licht iets

op. Men begon allengs grooter schepen te bouwen, en men deed het

zoo goed, dat de concurrentie weldra niet meer te vreezen was en

de Zaanstreek voor een tijd de groote scheepstimmerwerf van Holland

mocht worden genoemd.--Even ondernemend en doorzettend toonden zich

de Zaanlanders ook in andere opzichten. Nieuwe wegen te openen,

uitvindingen te doen, lag minder op hun weg; doch zij verstonden

uitnemend de kunst, de door anderen gebaande wegen te betreden en van

de uitvindingen van anderen profijt te trekken. Nauwelijks was de

houtzaagmolen uitgevonden, of daar stond er een aan de Zaan. Deze

eerste houtzaagmolen, het Juffertje genoemd, werd in 1592 door

Cornelis Cornelisz. van Uitgeest gebouwd. Amsterdam werd naijverig,

en de regeering van de snel in macht en invloed wassende koopstad

vaardigde het verbod uit, dat geen ruw hout naar Zaandam mocht worden

gebracht en geen gezaagd hout van daar ingevoerd. Het baatte niets. De

Zaandammers zetten het hout bij de molens te koop, en aan koopers

ontbrak het niet; straks voerden zij zelven het hout naar elders:

men vertrok met volle lading en keerde terug met volle beurs.

Niet anders ging het met de walvischvangst: nauwelijks was de weg

gebaand of de Zaandammers verschenen in de IJszee; en vele jaren lang

was dit bedrijf voor de geheele streek eene bron van grooten rijkdom.

Zoo stond de arbeid nooit stil in deze kleine eigenaardige wereld,

die inderdaad, onder meer dan een opzicht, een afgesloten geheel

vormde. Die Zaankant--zoo als wij de lange straat, die achtervolgens

Zaandam, Koog-aan-de-Zaan en Zaandijk heet, nu maar zullen

noemen,--maakt eenigermate den indruk van een reusachtig hofje. En voor

zoo ver wij aan dat woord het denkbeeld hechten van huiselijkheid en

goede buurschap, van onderling samenleven en afgeslotenheid, is het

beeld niet onjuist. Zijn dorp, zijn huis was voor den Zaanlander het

hoogste. Wel zag hij tegen geene verre zeereizen, geen tochten naar

den vreemde op: maar hij getroostte zich die vrijwillige ballingschap

om de te behalen winst, en met het gewonnen geld keerde hij naar zijn

geboortegrond terug. Hij versierde zijne woning met schatten, van

zilverwerk en porselein; hij hielp zijn dorp verfraaien, weeshuizen

en andere liefdadige inrichtingen stichten en begiftigen. In zijn dorp

leefde hij als in den kring zijner familie: hij had zitting in een of

meer colleges van bestuur; hij behartigde de zaken van de burgerlijke

gemeente, van de kerk, van den polder; en naijverig op zijn gezag,

duldde hij op zijn terrein geene inmenging van vreemden. Een praktisch

man in merg en been, had hij oog noch zin voor kunst en poëzie: wel

kleurde en beschilderde hij zijn huizen, zijn meubelen, schier alle

voorwerpen van huiselijk gebruik; maar te vergeefs zoudt ge in zijn

pronkkamer hebben omgezien naar een der kunstwerken van de meesters

der hollandsche school. De kunst kon niet tieren in eene omgeving,

waar geld verdienen en rijk worden welhaast het hoogste levensdoel was.

Toch, al mangelde het hem aan smaak en artistieke ontwikkeling,

gevoelde de rijk geworden Zaanlander behoefte, zijn huis, zijne

dagelijksche omgeving zoo fraai mogelijk in te richten. Nemen wij eens

een kijkje in zulk een ouderwetsch zaanlandsch huis, zoo als er voor

zestig, zeventig jaren eene menigte gevonden werden, zoo als er ook nu

misschien nog enkelen te vinden zijn.--De eigenaar is een welgesteld

man, dat bespeurt ge aanstonds aan de grootte en de bouworde van het

huis, waarvan het benedengedeelte van steen is. Wij gaan door een vrij

grooten bloemtuin met zijne regelmatig afgepaste perkjes, zijne heggen

en in zonderlinge figuren gesneden boomen, en staan voor het huis. Ter

wederzijde van de deur zien wij twee ramen met kleine ruitjes; maar

wat ons al dadelijk treft, is de eenigszins zonderlinge plaatsing der

voordeur, die niet tot den grond reikt, doch slechts langs een trap

is te bereiken. Meen niet, dat ge door die voordeur het huis betreden

zult; zij wordt slechts bij plechtige gelegenheden geopend en draagt

den minder uitlokkenden naam van dooddeur, hetzij dan omdat de lijken

der huisgenooten door die deur grafwaarts worden gedragen, hetzij omdat

zij in den regel gesloten blijft en niet gebruikt wordt.--Wij gaan om

het huis heen on vinden aan de achterzijde, die mede op den tuin en

verder op de rivier uitziet, eene openslaande deur gelijkvloers.--Wij

treden binnen en richten door de met tegels of blauwe steenen belegde

gang onze schreden naar de pronkkamer, een heiligdom dat maar zelden

ontsloten wordt, maar tot welks bezichtiging wij worden toegelaten.

Het is een ruim, maar eenigszins somber vertrek, laag van verdieping

en waarvan de wanden met eikenhout zijn bekleed. Neem u bij het

voortgaan een weinig in acht, want de fijne gele, zwartgestreepte

spaansche matten, die den vloer bedekken, zijn zoo glad gewreven

dat ge, zonder de noodige voorzichtigheid, zeer gemakkelijk zoudt

kunnen uitglijden en vallen. Niet ten onrechte treedt ge aanstonds

naar die kostbare, rijk verlakte tafel in het midden van het vertrek:

dat is een prachtstuk, misschien voor honderd of honderdvijftig jaren

uit de Oost medegebracht en sedert in de familie gebleven. Maar zoo

ge de tafel bewondert, vergeet ook niet een oogenblik uwe aandacht

te schenken aan het sierlijk gebeeldhouwde noteboomen theeblad, dat

daarop staat, en aan het prachtig servies van echt japansch porselein,

zonder twijfel mede een familiestuk, waarop de vrouw des huizes met

recht trotsch mag zijn.

Aan de eene zijde der kamer staan, langs den wand, zware stoelen van

noteboomhout, met hooge gebeeldhouwde ruggen en met fluweel bekleede

zittingen. Op de schilderijen aan den wand, portretten, gezichten op de

Zaan, afbeeldingen van schepen en molens, zullen wij maar niet letten:

zij hebben hoegenaamd geen kunstwaarde.--Meer waarde heeft die groote,

in juchtleder gebonden statenbijbel, met zilveren sloten en hoeken, die

daar op den fraai besneden houten lezenaar ligt: die Bijbel, in meer

dan één zin een familiestuk, die niet alleen van geslacht op geslacht

overgaat, maar waarin tevens alle belangrijke gebeurtenissen in de

familie, geboorten, huwelijken, sterfgevallen, worden opgeteekend,

en die voor de nakomelingen de herinnering bewaart aan de vaderen,

die dit huis hebben gesticht, die er hebben gewerkt en gebeden, genoten

en geleden en die, na volbrachte levenstaak, ter ziele zijn gegaan.

De Zaan en Waterland: Een kijkje in Noord Holland De Aarde en haar Volken, 1887 · 第 3 / 5 题