II

Zal ik den indruk vertolken, dien Zaandam bij het eerste gezicht

op mij maakte, dan weet ik dat niet beter te doen dan met den

uitroep, die mijn reisgenoot ontsnapte: "Eene stad uit een

speelgoeddoos!" Inderdaad, zoo is het. De kleine, lage, nette,

groen en geel geverfde huisjes, zoo netjes op eene rij geplaatst en

afgewisseld door geboomte, ze herinneren aan niets zoo levendig, als

aan die neurenberger doozen, waarmede wij als kinderen plachten te

spelen en die volkomen hetzelfde slag van huisjes bevatten. Grootsch

en indrukwekkend is de aanblik in het minst niet, maar daarentegen

karakteristiek in hooge mate, ja en ook schilderachtig. Hoe geestig

stoffeeren ze het landschap, die veelvervige huisjes, die allen, hoe

klein ook, een zeker air van comfort, van welvaart, van welgedaanheid

hebben, dat u aangenaam aandoet. En dan dat vele groen van boomgaarden

en tuintjes, waartusschen de huizen zoo aardig komen uitkijken; die

paar torens van kerken, en vooral die kring van molens, die, moge hij

bij vergelijking met vroeger ook gedund zijn, toch altijd nog een

der kenmerkende trekken van het landschap vormt. De breede stroom

vernauwt zich, de dicht bebouwde oevers naderen tot elkander: wij

komen aan den dam in de Zaan, waaraan het stedeke zijn naam ontleent,

en houden stil in de onmiddellijke nabijheid der sluis. De passagiers

voor Zaandam stappen hier uit, en daaronder ook wij; dan wordt de

boot door de sluis geschut om langs de Zaan haar tocht te vervolgen.

Daar staan wij op een klein pleintje en werpen een blik in het

rond. Voor ons de breede rivier, die hier eene soort van kom vormt,

waarlangs de stad zich aan beide zijden uitstrekt: huizen, tuinen,

geboomte, weiland. Op het stille, kabbelende water, enkele schepen

en vaartuigen van verschillende grootte en vorm. Doen wij een paar

schreden verder en plaatsen wij ons op de vrij smalle brug over

de sluis, dan dwaalt onze blik wederom over de breede rivier, ter

wederzijde omzoomd door tuinen, koepeltjes, huizen, rijen geboomte. En

wandelen wij verder..... maar laat ons eerst iets zeggen over de

ligging der stad, want juist deze draagt er niet weinig toe bij, om

haar dat eigenaardig karakter te geven, dat, dunkt mij, vooral voor

den vreemdeling zeer curieus moet zijn, daar het zelfs ons Hollanders

als iets bijzonders treft.

Zaandam is gebouwd ter wederzijde van de Zaan, die voor eene rivier van

zoo weinig beteekenis, door hare vrij aanmerkelijke breedte eene zeer

statige vertooning maakt. De Zaan was oorspronkelijk wel niet anders

dan de uitloop van de talrijke meren en poelen, waarmede deze gansche

landstreek tot in de buurt van Alkmaar bedekt was; van die meren en

poelen zijn de meesten thans in vruchtbare polders herschapen, maar

de Zaan is gebleven en vervult nog heden voor een deel der provincie

de oude dienst van uitwatering. In die rivier de Zaan, niet verre van

het punt waar zij hare wateren in het IJ uitstortte, werd reeds voor

langen tijd--wanneer, weet men niet juist, maar stellig reeds vóór het

einde der veertiende eeuw,--voor rekening van eenige naburige dorpen

een dam gelegd, waarin, ten behoeve van scheepvaart en uitwatering,

sluizen werden gebouwd. Die dam scheidt de rivier in twee deelen,

waarvan het eene de Binnen- of Achterzaan, het andere de Buiten-

of Voorzaan wordt genoemd.

Even als de Dam te Amsterdam, zoo is ook hier deze dam met zijne

drie sluizen het middelpunt der stad, de band, die beide deelen

met elkander verbindt. Want aan dat pleintje en zijne onmiddellijke

omgeving sluiten zich ter wederzijde van de rivier twee lange straten,

waarvan de huizen aan den eenen kant met hunne tuinen aan de rivier

uitkomen; terwijl zich aan de tegenovergestelde zijde, van afstand tot

afstand, smalle grachten of zoogenaamde paden landwaarts uitstrekken

en, zoo als men zegt, in het weiland dood loopen. Overal, waar u

tusschen de huizen een kijkje gegund wordt, ziet ge water en groen:

aan den eenen kant de rivier met haar zoom van tuinen en boomen; aan

de andere slooten, vaarten en weiland. Gij zijt in de stad, die zich

ver langs de rivier uitstrekt, en krijgt toch voortdurend den indruk,

dat ge u buiten bevindt: want telkens en telkens dwaalt uw blik over

het groene weiland, waar de runderen grazen, en waar in de schemerende

verte de horizon wegduikt in den fijnen wazigen, zilvergrijzen nevel.

Ook langs de Voorzaan breidt de stad zich ter wederzijde uit, maar

deze buurten dragen meer het karakter van achterbuurten en loopen,

vooral aan de oostzijde, spoedig in het land te niet. Vroeger vond men

vooral hier talrijke scheepstimmerwerven, maar die zijn bijna allen

verdwenen. Immers de scheepsbouw was weleer, met name in de zeventiende

eeuw, een hoofdbron van bestaan voor de bewoners van Zaandam. In 1609

werd er, aan het westeinde van den dam, een dusgenoemde overtoom

gemaakt, om de schepen, die op de werven langs de Binnenzaan waren

gebouwd, naar buiten in het IJ te kunnen brengen. Toen die overtoom,

in 1718, aanzienlijke herstellingen behoefde, werd hij opgeruimd

en het terrein opgehoogd en bestraat. De scheepsbouw was toen niet

langer het voornaamste bedrijf der Zaankanters, die zich andere en

rijk vloeiende bronnen van welvaart hadden geopend.

Ik ben onwillekeurig over den vroegeren tijd gaan spreken, waarop wij

nog wel een en andermaal zullen moeten terugkomen. Laat mij er dan nu

aanstonds bijvoegen, dat Zaandam zeker eene der jongste steden van

ons land is: eerst in 1811 werd het, door Keizer Napoleon, tot stad

verheven. Vroeger bestond die stad uit twee dorpen, Oost-Zaandam en

West-Zaandam, die wel den gemeenschappelijken naam van Zaandam voerden,

maar toch ieder op zich zelf stonden. De nieuwe stad heeft van hare

verheffing niet lang pleizier gehad. Toen met het jaar 1848 voor

Nederland eene nieuwe aera begon, verloor Zaandam weer den nog zoo

pas verworven rang van stad. Steden en dorpen werden voortaan allen

gemeenten genoemd en allen precies op dezelfde wijze, naar dezelfde

regelen, bestuurd, onverschillig of ze Amsterdam, dan wel Terheide

of Zandvoort heetten.

Zeer waarschijnlijk zouden wij uwe aandacht en belangstelling op

te zwaar eene proef stellen, indien wij ons gingen verdiepen in

nasporingen omtrent de vroegere geschiedenis dezer dorpen, waarbij dan

ook niemand belang heeft. Reeds in de eerste jaren van de vijftiende

eeuw stond op de plaats, waar thans, aan de oostzijde van den dam, eene

van de twee hervormde, kerken verrijst, eene kapel, behoorende onder de

parochiekerk van Oostzaan, en waaraan allengs, ongetwijfeld tengevolge

van het toenemen der bevolking, alle voorrechten eener parochiekerk met

een eigen pastoor werden verleend. Tijdens de troebelen, in de tweede

helft der zestiende eeuw, werd deze kerk een prooi der vlammen. Nadat

de bloedige kamp, waarin ook de Zaanstreek rijkelijk deelde, eenigszins

tot bedaren was gekomen en de oorlog zich althans uit het hart des

lands meer naar de grenzen had verplaatst, werd de kerk herbouwd,

maar nu natuurlijk voor de hervormde eeredienst ingericht.

De kerk aan de westzijde is van jongeren datum. De bewoners van

West-Zaandam, die tot dusver mede van de kapel en de latere kerk

aan de oostzijde hadden gebruik gemaakt, verzochten en verkregen in

het jaar 1637 vergunning, om voor eigen rekening eene kerk te mogen

bouwen en een eigen predikant beroepen. In het volgende jaar werd met

den bouw een aanvang gemaakt, en reeds op den 18den October 1640 werd

in de kerk de eerste predikatie gehouden.

Dat noch de oude, noch de nieuwe kerk, die beiden in den loop der

zeventiende eeuw belangrijk werden vergroot, uit een architektonisch

oogpunt eenige waarde heeft, behoeft haast niet gezegd. Ge kunt ze

dan ook bij uw bezoek aan Zaandam gerust voorbijgaan, en behoeft

u ook niet te laten verlokken door de geschilderde ramen, die ge

zoowel in de eene als in de andere vindt. Op de nieuwe kerk aan

de westzijde moeten wij echter nog even terugkomen, omdat weleer

binnen hare muren, door eene schilderij waarvan wij onzen lezers de

afbeelding kunnen aanbieden, de herinnering werd bewaard aan een

voorval, dat inderdaad buitengewone sensatie maakte. Vergun mij,

u dit voorval mede te deelen met de eigen woorden van de inscriptie,

bij de schilderij in de kerk geplaatst; en duid het mij niet ten kwade

als de beschrijving u wat al te realistisch dunkt. Onze voorvaderen

hadden op dit gebied eigenaardige begrippen. Ziehier dan de historie.

"Op den 29 Augustus 1647, zijn Jacob Eg en Trijn Jans, echte man en

wijf, woonende in 't quartier van Westsardam en den Zeeburg, door de

verwoedheydt van haar eigen roode stier, dewelke in 't veld agter haar

huys van 't zeel losgeraakt was, in zulker voege aangerand, gestooten

en gescheurd, dat zij beyde daarvan zijn komen te overlijden, op den

laatsten Augustus deszelven jaars, namelijk de voorz. Trijn Jans vijf

uren tijds na haren man, zijnde beyde ter aarde besteld in de Nieuwe

kerk alhier. Trijn Jans op 't uyterste zwanger gaande, wierdt bij

den stier op de hoornen genomen, omhoog geworpen, en haar buyk van

de regterheup opengescheurt, zo dat deur dezelve opening de vrucht

uit haar lichaam gerukt, en in een waterplas geraakt was, liggende

de moeder en 't kind, beyde levendig, omtrent een huys lengte van

malkanderen verscheyde; het kind alhier gedoopt zijnde met den naam

van Jacob is den 23 Mey 1648 gestorven en bij zijne ouders begraven."

Ge ziet, geene enkele bijzonderheid wordt u gespaard en aan de

verbeelding niet veel over gelaten. En als ware dit vrij onsmakelijk

proza nog niet genoeg, moest het treurig feit ook nog in rijm worden

herdacht.

Ter eeuwiger geheugenis.

Als men schreef zestien honderd zeven en veertig, ziet,

Is 't Augustus 20 en 9 tot Westerdam geschied,

Dat een stier wreed en boos, niet eens maar menigmalen,

Zijn meester werpt omhoog en doet hem aan veel kwalen;

De vrouw komt om den man te helpen in dees nood,

Hij doet haar desgelijks en scheurt haar op de schoot,

Waardoor een jonge zoon zeer schielijk kwam te voren,

Lag van de Moer in 't veld vier vaam door des stiers toren;

Dees man en zijne vrouw na ses en dertig uuren,

Moesten met groote pijn beide de dood bezuuren.

En 't ongebooren kind heeft geleefd maanden negen,

Is doen mede gerust; genieten 's Heeren zegen.

Door 't woede van de stier werd Jacobs egte wijf

Een kraamvrouw in het veld, een weeuw' en zielloos lijf'.

Hier onder leyd de moer en vaar

En d'ongebooren bij malkaar.

Men moet wel aannemen dat deze droevige gebeurtenis inderdaad een

buitengewonen indruk op de bewoners van Zaandam heeft gemaakt, want zij

werden niet moede, die in alle bijzonderheden af te beelden. Vooreerst

had men de schilderij in de kerk, welke daaraan den zonderlingen naam

van de Bullekerk had te danken. Eerst in 1834 schijnen kerkvoogden tot

het inzicht te zijn gekomen dat deze schilderij minder eigenaardig in

eene kerk tehuis behoorde; althans in dat jaar werd zij overgeverfd;

het stuk, dat nog in de kerkekamer hangt, is eene kopie. Doch niet

alleen op deze schilderij, maar op doek en papier, op koper en in

houtsnede, op schotels, borden, koppen, theeblaadjes en tal van andere

voorwerpen werd dit tafreel van "Stiers wreedheyd" voorgesteld; bij

herhaling werd dit feit beschreven, bezongen, en in prent gebracht;

zelfs had men bekertjes en andere dingen uit de horens van den

beroemden stier vervaardigd.

Doch reeds vraagt gij, met eenig ongeduld, wanneer wij de groote

merkwaardigheid van Zaandam, het huisje van Tsaar Peter, zullen

gaan zien. Immers, de vreemdelingen, die Zaandam bezoeken, doen

het in de eerste plaats ter wille van deze relikwie; en wanneer,

bij het uitstappen uit den trein aan het stille station, of bij het

verlaten van de boot aan de drukker en levendiger sluis, een gids

of commissionair, aan uw vragend rondzienden blik bemerkende dat ge

vreemdeling zijt, u zijn diensten komt aanbieden, dan zal hij dadelijk

voorstellen, naar het klassieke huisje te gaan. Nu, al hebben wij

daarmede minder haast gemaakt, al dunkt ons Zaandam zelf ruim zoo

merkwaardig als het huisje waarin de russische alleenheerscher eenige

dagen doorbracht, toch mogen wij niet verzuimen, deze merkwaardigheid

in oogenschouw te gaan nemen.

Het huisje staat in eene achterbuurt--die echter in Peters dagen geene

achterbuurt was--letterlijk verloren te midden van andere woningen en

tuintjes. Wij gaan door een paar smalle steegjes, over een paar hooge

smalle houten brugjes, en hebben weldra de beroemde plek bereikt. Wij

treden door een hokje op eene soort binnenplaats, en zien daar een

laag steenen gebouwtje met een rood pannen dak voor ons: dat is echter

het huisje zelf niet, maar een soort van overdak, dat om en over het

huisje heen is gebouwd, om het voor volkomen ondergang te bewaren: de

schrijn waarin de relikwie geborgen is. En deze voorzorg is inderdaad

niet overbodig: het huisje, dat geheel uit ruwe planken is opgetrokken,

staat zoo scheef en ziet er zoo bouwvallig uit, dat het zonder deze

bedekking waarschijnlijk reeds voor de vijandige werkingen van weer

en wind bezweken zou zijn. Tusschen die omkleeding en het huisje

zelf is een gangpad opengehouden, zoodat wij de relikwie aan alle

kanten kunnen bekijken. Wij treden binnen. De hut, want een anderen

naam verdient dit krot waarlijk niet, bestaat uit twee vertrekken,

het eene iets grooter dan het andere, maar beiden zonder eenig

sieraad, tenzij ge de met tegeltjes bekleede schouw als zoodanig

mocht laten gelden. Het ameublement, eene vierkante houten tafel en

een paar zeer ongemakkelijke houten stoelen, is meer dan eenvoudig;

een ladder voert naar den zolder. In een woord: het is een verblijf,

waarin de armste daglooner van den tegenwoordigen tijd zich kwalijk

schikken zou. Een eenigszins zonderlingen indruk maken, bij deze kale

armoede der woning, de later aangebrachte versieringen: schilderijen

en platen, portretten van Peter I of voorstellingen op hem betrekking

hebbende; opschriften, gedenksteenen en andere voorwerpen van dien

aard. Boven de schouw prijkt de wit marmeren tafel met de inscriptie

_Petro Magno Alexander_, door Keizer Alexander I, tijdens zijn

bezoek te Zaandam in 1814, met eigen hand in den wand geplaatst;

men wijst u nog het bankje, waarop de Keizer bij die gelegenheid

zal hebben gestaan. Voorts een gedenksteen van Koning Willem I en

van de toenmalige Prinses van Oranje, later Koningin Anna Paulowna,

en nog enkele andere vorstelijke souvenirs. Dat overal de houten

wanden met namen zijn bekrabbeld, behoef ik wel niet te zeggen: dat

kinderachtig bedrijf schijnt voor een groot aantal menschen eene

onwederstaanbare verzoeking te zijn. Onder de inscripties bevindt

zich ook dat vers van den russischen staatsraad Schukowski, waarvan de

hollandsche vertolking door Van Lennep in geene beschrijving van het

Petershuisje ontbreken mag. Het gedicht werd geschreven tijdens het

bezoek van den toenmaligen Tsarewitsch, den lateren Keizer Alexander

II; de hollandsche vertaling of bewerking luidt aldus:

Buig in deez' arme hut, waar de englen Gods omzweven,

Buig, Grootvorst, hier het hoofd in stillen ootmoed

neer:

Zij was de wieg uws rijles, ze omsloot de kiem weleer,

Die grootheid moest aan Rusland geven.

Dit zweemt naar bombast, niet waar? En dat te meer, wanneer men bedenkt

dat de Tsaar niet langer dan acht dagen in deze hut en te Zaandam

heeft gewoond. Maar tegenover dit onloochenbare feit treft ons te meer

de zonderlinge nadruk, die, niet alleen hier in dit huisje, maar over

het algemeen, door schrijvers en door de traditie, op dit kortstondig

verblijf wordt gelegd. Onwillekeurig verkeert men in de meening, dat

Peter hier geruimen tijd heeft gewoond, en dat dit verblijf te Zaandam

het hoofdmoment is geweest van zijn verblijf in Holland. Wellicht

moet men deze zonderlinge, onopzettelijke overdrijving voor een deel

verklaren uit de schier verbijsterende tegenstelling, die aanstonds

voor onzen geest oprijst, als wij ons den geweldigen alleenheerscher,

den herschepper van Rusland, voorstellen en dan een blik werpen op

deze meer dan armelijke omgeving. Denken wij ons hem in deze omgeving,

als knecht arbeidende op de timmerwerf, dan dunkt het ons als zou

een zoo kort oponthoud bijna alle beteekenis aan het feit ontnemen;

en als van zelf verbeelden wij ons, dat de Tsaar hier langen tijd,

ettelijke maanden voor 't minst, moet hebben vertoefd.

Den zeventienden Augustus 1697 kwam de vijf-en-twintig jarige monarch

te Amsterdam en begaf zich van daar onmiddellijk naar Zaandam, waar

hij in de woning van zekeren smid, Gerrit Kist, dien hij uit Moskou

kende, zijn intrek nam. Want reeds sedert eenigen tijd stonden de

republiek der Vereenigde-Nederlanden en Rusland--of, zoo als het toen

nog meer algemeen genoemd werd, Moskovië--met elkander in levendig

verkeer. De buitenlandsche handel van Rusland was voornamelijk in de

handen van hollandsche kooplieden; hollandsche timmerlieden hadden

Peter te Woronesh, bij den bouw zijner vloot geholpen; met hollandsche

schippers had hij in Archangel verkeerd. Meer nog: voor de poorten van

Moskou lag de dusgenoemde duitsche voorstad, de Sloboda, waarvan de

bevolking uit Schotten, Engelschen, Hollanders en Duitschers bestond,

die hier, in de onmiddellijke nabijheid van de hoofdstad van het toen

nog meer dan half aziatische Tsaren rijk, eene europeesche kolonie

vormden, welke met westelijk Europa in gestadig verkeer stond en aan

het geestelijk en wetenschappelijk leven der eeuw zooveel mogelijk

deel nam. Reeds in zijne jeugd had Peter met de bewoners van deze

voorstad betrekkingen aangeknoopt; en het is zeker niet onjuist,

wanneer wij aannemen, dat de indrukken, die hij bij het verkeer met

deze vertegenwoordigers der west-europeesche beschaving ontvangen

had, krachtig zullen hebben medegewerkt om hem tot een bezoek te

doen besluiten aan die landen, van welker meerderheid op elk gebied

van kennis en wetenschap hij zich door eigen waarneming had kunnen

overtuigen. Dat Holland daarbij niet het laatst in aanmerking kwam,

lag voor de hand. De nederlandsche republiek--al waren de dagen

harer grootheid toen ook reeds geteld--was toch nog op het einde der

zeventiende eeuw eene mogendheid van den eersten rang, die wat den

omvang van haar handel en scheepvaart, haar rijkdom, haar industrie,

haar koloniaal bezit aanging, door geene andere overtroffen, misschien

alleen door Engeland geëvenaard werd. De Tsaar, met een meer dan

gewonen aanleg voor mathematische en technische wetenschappen begaafd,

en wien, in dit tijdperk zijner regeering, misschien niets zoo na aan

het harte lag, als het scheppen eener vloot, om die te gebruiken in

den oorlog tegen Turkije, moest zich dus wel tot Holland getrokken

gevoelen, en in Holland niet het minst tot Zaandam, waar destijds de

scheepsbouw op den hoogsten trap van ontwikkeling stond, en dat om

zijn werven, molens en fabrieken wijd en zijd vermaard was.

Te Zaandam arbeidde Peter op de werf van den scheepsbouwmeester

Lynst Teeuwisz Rogge, legde bezoeken af bij de familiebetrekkingen

van in Moskou gevestigde ambachtslieden, bezichtigde verschillende

werkplaatsen en fabrieken, waar hij zich de geheimen van het vak liet

verklaren, en maakte tochtjes op de rivier, de omliggende wateren en

het IJ. Zoo als men weet, reisde de Tsaar in streng incognito, onder

den naam van Peter Michaïlow, in het gevolg van het groote gezantschap,

dat naar de hoven van westelijk Europa was afgevaardigd. Maar was reeds

de verschijning van zulk een gezantschap iets buitengewoons--ongeveer

evenzoo, als, voor ruim twintig jaren, de verschijning van een

gezantschap uit Japan voor ons was;--het spreekt wel van zelf,

dat de tegenwoordigheid van den Tsaar zelven niet lang een geheim

blijven kon. Geen wonder dus, dat de verschijning van den vreemden

gast te Zaandam groot opzien wekte en dat met name de straatjeugd

hare nieuwsgierigheid niet bedwingen kon. Botsingen met zaandamsche

straatjongens noopten Peter zich aan burgemeesteren bekend te maken;

maar nu stroomden de nieuwsgierigen van alle kanten toe en kon de Tsaar

geen voet verzetten, zonder door de menigte omstuwd en aangegaapt te

worden. Toen hij den vier-en-twintigsten Augustus bij het winden van

een schip over den overtoom tegenwoordig zou zijn, was het gedrang zoo

groot, dat Peter, in ziedenden toorn ontstoken, geen voet buiten de

deur wilde zetten. Geen wonder, dat hem dit verdroot: den volgenden

dag vertrok hij, zich al vechtende een weg door de menigte banende,

ondanks den hevigen storm, met een boeier naar Amsterdam, waar hij,

door tusschenkomst van den burgemeester Nicolaas Witsen, met wien hij

zeer bevriend was, eene woning betrok op de werven der Oostindische

Compagnie. Daar ging hij, met eenige zijner gezellen, in de leer bij

meester Gerrit Klaas Pool, en werkte, met tusschenpoozen, vier en

eene halve maand aan den bouw van een fregat, dat den naam _Petrus

en Paulus_ ontving.

Overigens spreekt het wel van zelf, dat de Tsaar zich gedurende zijn

verblijf hier te lande ook nog met iets anders dan timmeren onledig

hield. Hij nam les in de stuurmanskunst en teekenen, in mathesis en

astronomie; hij kwam, vooral ook door bemiddeling van Nicolaas Witsen,

in aanraking met onderscheidene mannen van naam op wetenschappelijk

gebied, met professor Ruysch, met Boerhave, met Leeuwenhoek, met Van

der Heyden, den uitvinder der brandspuiten, met Coehoorn, en ook met

de voornaamste kooplieden en mannen van zaken te Amsterdam. Men kan

zich wel eenigermate voorstellen, welk een diepen en onvergetelijken

indruk het Amsterdam van die dagen en geheel het hollandsche leven

op den ontvankelijken vorst maken moest, die zich hier inderdaad

in eene nieuwe wereld, waarbij de zijne zeer ver ten achteren was,

zag overgeplaatst. Met eigenlijke politiek schijnt hij zich minder

te hebben bemoeid, al had hij een en andermaal eene samenkomst met

Willem III, en al kwam hij ook met de voornaamste regeeringspersonen

in aanraking. Bij de plechtige ontvangst van het russische gezantschap

door de Staten-Generaal, was Peter, als een gewoon edelman gekleed,

in een aangrenzend vertrek tegenwoordig; hij vertoefde bij die

gelegenheid een week lang in Den Haag.

Den zesden Januari 1098 vertrok Peter naar Engeland, vooral met

het doel om zich daar verder in de theorie der scheepsbouwkunst te

bekwamen. Willem III had twee oorlogschepen en twee jachten gezonden

om den Tsaar naar Engeland over te voeren.

Het huisje, waarin Tsaar Peter gedurende de acht dagen van zijn

verblijf te Zaandam had gewoond, werd na zijn vertrek weer door

anderen betrokken en geraakte vrij wel in vergetelheid. Eerst in de

jaren 1781 en 1782 werd er de aandacht op gevestigd, en wel door de

bezoeken van Keizer Jozef II, van Koning Gustaaf III van Zweden, van

den Grootvorst Paul; welke vorstelijke bezoeken sedert door andere,

ook dat van Napoleon en Marie-Louise, werden opgevolgd. Het huisje

behoorde toen aan zekeren Vergouw, die het verhuurde en er eene

gesloten bus in plaatste, waarin de bezoekers hunne vrijwillige

gaven konden storten. Eens in het jaar werd die bus geledigd en de

inhoud tusschen den eigenaar en den huurder verdeeld. Het huisje

begon intusschen bouwvallig te worden, en Vergouw, die geen lust had,

bij de slechte tijden, veel geld aan reparatie te besteden, stond op

het punt de woning af te breken, toen zekere Buising, kastelein in de

Eendragt, voor tweehonderd gulden de hut kocht, met en benevens een

gouden penning, met het borstbeeld van Katharina II versierd, door

een der graven Orlof, bij een bezoek, aan het huisje vereerd; welke

gedenkpenning sedert is zoekgeraakt. Het huisje werd nu opgeknapt

en niet langer bewoond, maar door een daartoe aangesteld persoon

den bezoekers, wier aantal van jaar tot jaar klom, getoond. De bus

was behouden gebleven on leverde niet onaardige winsten op. Later

werd het huisje het eigendom van de toenmalige Prinses van Oranje,

de latere Koningin Anna Paulowna, die er het overdak omheen liet

bouwen, en kwam het dus in het bezit der koninklijke familie. Mag

men het dezer dagen in de dagbladen voorkomende bericht gelooven,

dan zou Z.M. de Koning deze historische relikwie ten geschenke hebben

gegeven aan Keizer Alexander III van Rusland.

De Zaan en Waterland: Een kijkje in Noord Holland De Aarde en haar Volken, 1887 · 第 2 / 5 题