_Parijs, 11 October._
Dingsdags den 2 dezer, 's morgens om 6 uren vertrok ik van _Bordeaux_,
en gisteren ben ik hier weder aangekomen, na mij een paar dagen te
_Tours_ te hebben opgehouden; zie hier mijne aanteekeningen aangaande
die reis.
De reizigers van _Bordeaux_ naar _Parijs_, stappen doorgaans aan
den overkant van de _Garonne_, ter plaatse _la Bastide_ genaamd,
op den postwagen. Ik was tijdig genoeg aan het veer, doch moest
'er wel een groot kwartier wachten, omdat 'er geen schuitjes waren,
zoodat ik vreesde van te laat te zullen komen; het bestuur van dit
veer schijnt niet zeer naauwkeurig te zijn, want, naar ik vernam,
had diergelijk verzuim wel eens meêr plaats. De bagagie wordt daags
te voren in de stad op den wagen geladen. Men betaalt daar voor
tot _Tours_ £ 25- per quintaal en £ 60- de persoon voor een plaats
binnen in. Buiten ons, was 'er alleen eene vrouw met een ziek kind
op den wagen, zoo dat het gezelschap niet zeer mede viel. Langs een'
vrij goeden weg met kleine steentjes opgeworpen, en hier en daar wat
stijgende, komt men omtrent 3 uren van _Bordeaux_, aan den oever
van de _Dordogne_. Men ziet langs dien weg eenige buitenplaatsjes
en landhuizen, en veel wijngaarden, waarin men drok bezig was. Deze
landstreek schijnt wel bewoond. De _Dordogne_ is hier eene aanzienlijke
rivier, en daar 'er eb en vloed gaat, zeer bevaarbaar. Ondertusschen
moest de wagen hier ontladen worden, om aan dezen kant te blijven
staan: aan den overkant vindt men een' anderen; dit lossen en laden
houdt zeer lang op. De _Franschen_ mogten hier en daar wel eenige
van onze doorgaans zoo gnappe veerlieden overlaten komen, om met
ponten en diergelijke schuiten te leeren omgaan. Aan den anderen kant
een klein eind weegs landwaards in, ligt het dorpje _St. André de
Cubsac_; dit rekent men 3 posten van _Bordeaux_. Hoewel het pas 10
uren was, werd 'er het middagmaal gehouden; het was maar redelijk,
doch de prijs ook gering. Te _Cavignac_ 2 1/2 post verder kregen wij,
uithoofde van den slechten weg, waarvan wij reeds een gedeelte gehad
hadden, en nog een erger hebben moesten, acht paarden. De landstreek
scheen hier niet zeer vruchtbaar; men ziet niet anders dan eenige
wijngaarden, en hier en daar wat hout. De weg wordt hoe langer hoe
slechter; de grond is tamelijk effen, maar meest onbebouwd; veel
heide, waarop men niet anders dan hier en daar wat denneboomen, en
eenige andere struiken ziet; de gezigten gelijken nu en dan wat naar
die, welke men op sommige plaatsen in de _Meijerij van den Bosch_
aantreft. Het steedje _Montlieu_, waar wij door kwamen, ziet 'er
niet voordeelig uit, 'er was echter nog al eene overdekte halle. Nu
waren wij in het Departement _de la Charente Inferieure_. _Montlieu_
is 8 1/2 post van _Bordeaux_. Het begon al duister te worden; en een
half uur verder op een plaatsje _Chevenceau_ genaamd, namen wij het
avondmaal en nachtverblijf, dat nog al redelijk was.
Den volgenden morgen, om 5 uren, stapten wij weder op den wagen. De
weg werd wat beter, doch de landstreek is meest heide; verder op
echter wordt zij aangenamer, hier en daar boschjes, veel notenboomen,
akkerland, en tusschen beide eenige kleine heuvels.
Omtrent _Barbezieux_ begint het Departement _de la Charente_. Wij
hielden 'er op, om het middagmaal te nemen, ondertusschen ging ik het
plaatsje, dat zich nog al aangenaam opdoet, doorwandelen, doende mijn
ontbijt met brood en druiven, dat ik onder weg kocht. De herberg ziet
'er hier anders zeer wel uit, doch, daar het pas negen uren 's morgens
was, en ik den vorigen avond wel gegeten had, had ik niet veel honger
[223]. De wandelingen bij dit stadje zijn aangenaam met lindeboomen
beplant; in hetzelve ziet het 'er nog al redelijk welvarende uit. Ik
zag 'er verscheidene linnenwevers, men scheen 'er ook veel druiven
te droogen, en, naar ik vernam, waren de kapoenen van _Barbezieux_
beroemd. Van een oud kasteel, dat in het steedje staat, en thans tot
eene gevangenis dient, wist men mij niets bijzonders te vertellen. De
Onderprefect houdt hier zijn verblijf, en het getal der inwoners
wordt op ruim 2700 begroot. De weg wordt goed, en de gezigten hier
en daar nog al aangenaam, vooral op een hoogte omtrent 1 1/2 uur
van _Barbezieux_; men komt vervolgens door een eikenbosch, waarin
echter weinig of geen zware boomen. Ik verwonderde mij gedurende
de gansche reis, dat men in _Frankrijk_ niet beter zorgt voor de
beplanting, vooral, daar dit land zoo aanmerkelijk veel brandhout
noodig heeft. Men ziet weinig bosschen, en de wegen zijn slechts hier
en daar beplant. De prijs van het brandhout stijgt, bijzonder ook
te _Parijs_, van jaar tot jaar: sinds jaren schijnt men het gebrek
daar aan te voorzien, en nog vindt men 'er onbebouwde gronden, en
weinig boomen langs de wegen [224]. Het steedje _Roulet_, waar wij
door kwamen, ziet 'er vrij wel uit. De weg blijft aangenaam,--hier
en daar buitenplaatsen en papierfabrieken met watermolens, die op
beken staan.--Eenige rotsen maken geene onaardige vertooning. Men
zeide mij, dat dezelve goede steengroeven opleverden. Hier omstreeks
is de weg beplant, en de stad _Angoulême_, op eene hoogte gelegen,
vertoont zich aan het einde van dezelve op eene bevallige wijze. Om 3
1/2 uur na den middag stapten wij af aan de herberg _la Croix d'Or_,
in de voorstad _du Homo_, even buiten de genoemde stad, en na het
avondmaal besteld te hebben, klom ik naar dezelve; 'er is een groote
halle bij de plaats _de la Commune_. De straten zijn 'er doorgaans
naauw. Anders ziet het 'er nog al vrij welvarende uit. Men heeft hier
ook een' Schouwburg, die van buiten nog al een fraai gebouw is, hij
staat op een plein, dat men _Place de la Comedie_ noemt. Naast den
Schouwburg is een zeer fraai Koffijhuis, met een tuin en ruime zaal,
waarin drie billarten; ik nam daar eenige ververschingen. Uit een der
kamers heeft men een zeer fraai gezigt. Van de _Place de la Comedie_
gaat men op de gemeene wandeling, van waar men ook een schoon gezigt
heeft, vervolgens van daar den wal rond. Het gezigt blijft altijd
fraai. De hoofdkerk, die ik in het voorbijgaan zag, ziet 'er inwendig
zeer eenvoudig uit, en levert niets bijzonders op. Den wal volgende,
komt men op _de Place Beaulieu_, zijnde een fraaije wandeling op een'
terras, van waar men, alzoo de stad op een vrij hoogen heuvel ligt,
een verrukkelijk en zeer uitgestrekt gezigt heeft. Door het dal ziet
men de rivier _la Charente_ kronkelen. Over dezelve ligt een fraaije
steenen brug, en zij maakt door haren slingerenden loop verscheiden
eilandjes. Verder ziet men de haven, waarin eenige schuiten lagen,
en de voorstad _du Homo_, die zeer uitgestrekt is. Aan de andere zijde
ziet men den fraaijen grooten weg, en eenige bergen in het verschiet;
op dit terras, dat vrij groot is, zijn eenige lanen van lindeboomen,
doch zij waren hun blad meestal kwijt; het fraaije gebouw dat men
op hetzelve ziet, was voorheen een Nonnenklooster. Thans dient een
gedeelte van hetzelve voor de Stadsboekerij. Omstreeks deze stad
zijn verscheidene papierfabrieken, en het papier van _Angoulême_ is
door geheel _Frankrijk_ beroemd, en wordt tot het drukken van werken
van belang gebruikt [225]. Ik zag hier ook in het voorbij gaan een
fabriek van speelkaarten. De Ingezetenen drijven veel handel in wijn
en brandewijn. Het stadje _Cognac_, van welker beroemde brandewijnen
wij zeer veel trekken, behoort ook tot het landschap _Angoumois_,
waar van _Angoulême_ de hoofdstad plagt te zijn. Thans is zij de
hoofdplaats van het Departement _de la Charente_. Het getal harer
ingezetenen wordt op 11,500 begroot, doch, naar men mij verzekerde,
zijn de voorsteden te zamen genomen grooter, dan de stad zelve. Men
zegt, dat de ingezetenen over het algemeen vrij los en ongedwongen
van levenswijze zijn. De levensmiddelen, en zelfs de huishuren zijn
'er, naar ik vernam, niet goedkoop. Hier omstreeks wordt ook veel
saffraan geteeld.--Dit stadje is vooral om de schoone gezigten wel
der moeite waardig om te zien.
Tot onze groote verwondering, vonden wij in onze herberg, die 'er
gansch niet oogelijk uitzag, een zeer goed avondmaal; de postwagen
naar _Bordeaux_, ook aangekomen zijnde, aten wij met 12 à 15 menschen,
waar onder een paar niet onaardige vrouwen waren. Onder andere spijzen
zettede men ons een soort van kleine vogeltjes voor, die men in de
wijngaarden vangt, en _becsigues_ noemt; ik had ze onder weg reeds
meêr gegeten, en vond ze smakelijk, wij hadden ook, voor _Frankrijk_,
zeer lekkeren sausbaars, en overvloed van uitmuntende rivierkreeftjes,
de wijn was tamelijk goed, en men had alzoo geen reden, om over den
prijs (zijnde slechts £ 3-:-:) te klagen.
Deze stad heeft door de religieoorlogen veel geleden. Johannes Calvinus
verpligt zijnde, om _Parijs_ te verlaten (in 1533), nam eerst de
wijk naar deze stad, en vervolgens naar _Poitiers_. In 1568 werd
dezelve door den Admiraal de Coligny, aan het hoofd van het leger
der Hugenoten genomen.
Na het avondmaal, in plaats van naar bed te gaan, stapten wij weder op
den wagen, om den nacht door te rijden. Het was helder sterrelicht,
en de weg zeer goed. Ik sliep tusschen beiden nog al wat, want men
heeft in _Frankrijk_ bij den nacht minder reden, om ongerust te zijn
voor ongelukken dan bij ons; omdat de persoon, die de paarden leidt,
op een van dezelven zit, en dus beter zien kan, dan een koetsier,
op den bok zittende.
Den 4 dezer. 's Morgens bij het opgaan van de zon, was het mistig en
zeer koel, de grond tamelijk effen en de weg goed. Men ziet hier geen
wijngaarden. Omtrent het dorp _Chaunay_, 8 1/2 post van _Angoulême_, en
waar wij van paarden verwisselden, begint het Departement _la Vienne_;
hier omstreeks zag ik veel schapen, die de akkers afweiden; de boomen,
die men 'er het meeste ziet, zijn noten en castagnes, hier en daar
een' enkele eik. Wij ontbeten te _Couhé_, 1 1/4 post verder, bij het
riviertje _la Dive_ gelegen; 'er is een groote hal, anders schijnt
het niet veel te beteekenen; hier, en in deze landstreek, wordt veel
noten-olij gemaakt.--Altijd zagen wij veel noten- en castagne-boomen,
die op dezen grond, die niet van de beste schijnt te zijn, nog al
redelijk tierig staan. Tusschen beide ziet men ook veel onbebouwde
gronden, en de landbouw schijnt hier niet zeer ter harte genomen te
worden, doch de streek kwam mij ook weinig bevolkt voor. _Vivonne_,
2 1/2 post van _Couhé_, was voorheen een stadje; thans is het een
armoedig vlek; men kan zich naauwelijks een slordiger en onoogelijker
plaats voorstellen. De inwoners zagen 'er vuil en afzigtig uit, en de
ellende was bijna op alle gezigten te lezen. Ondertusschen levert dit
plaatsje bij het inkomen een niet onaardig en zelfs schilderachtig
gezigt op. Men ziet 'er, hier en daar ruwe en naakte rotsen, de
vervallen muren van een oud Klooster op eene hoogte, tegen dezelve
eenige slordige woningen, lager groene beemden, door een kronkelend
beekje bespoeld; welk beekje, dat men de _Vonne_ noemt, zich een
weinig verder met het riviertje _le Clain_ vereenigt, en waar over
hier eene houten brug ligt; wij verwisselden daar van paarden; ik
had dus den tijd, om het op mijn gemak te beschouwen, en mij dunkt
dat dit alles door de hand van een' bekwamen meester uitgevoerd, een
fraaije teekening of schoone schilderij zou zijn. De landstreek blijft,
verder voortreizende, woest en onbebouwd, het weinige hout, dat men
hier en daar ziet, bewijst, dat de natuur slechts behoeft geholpen
te worden, omdat in eene grootere hoeveelheid voort te brengen. Naar
mate dat men _Poitiers_ nadert, wordt de landstreek aangenamer, en de
weg is aan beide zijden beplant. Deze stad is wederom op eene hoogte
gelegen. Wij kwamen daar omstreeks vier uren aan, en stapten af aan de
herberg _les Trois Pilliers_ genaamd. In een tuin, niet ver van deze
herberg, ziet men nog eenige geringe overblijfsels van een _Romeinsch_
gebouw, alhier onder den naam van _Palais Galliën_, of _l'Amphithéatre_
bekend; het scheen van gebakken steen enz. op dezelfde wijze als
dat van _Bordeaux_ gemetseld te zijn geweest [226]. Van daar ging
ik naar de wandelplaats, die men _le Parc_ noemt. Het is een fraai
boschje, aan een' hoek van de stad op de hoogte gelegen, en waarin
verscheidene lanen zijn; deze wandeling is bijzonder aangenaam,
omdat men van de voormalige stadswallen, die dezelve omringen, een
heerlijk gezigt heeft. Door een lagchend en aangenaam geschakeerd
landschap, kronkelt het riviertje _le Clain_; ook ziet men van hier
omtrent een kwartier uurs ver, eenige poorten of bogen; het zijn
de overblijfsels van een _Romeinsche Aquaduc_. Vervolgens langs de
stadswallen of muren, naar den kant van _le Clain_ voortwandelende,
heeft men het gezigt op aangename moestuinen, groene weilanden,
een' watermolen, schilderachtig gelegen, een brug, _le pont Joubert_
genaamd, de overblijfsels van een _Benedictijner_ Klooster, dat een
fraai gebouw schijnt geweest te zijn, en een fraaije steenen brug, die
'er nog nieuw uitziet, en welke men _le Pont Neuf_ noemt. Vervolgens
komt men in een laan met Italiaansche populieren, die al eene tamelijke
hoogte bereikt hebben, beplant. Van hier ziet men aan den overkant
van de _Clain_, de rotsen, die men hier en daar voor zware vervallen
muren of overblijfsels van oude gebouwen zou aanzien; tegen en in
deze rotsen zijn ook eenige woningen gemaakt. Een fraai en nog nieuw
gebouw met een _colonnade_ 'er voor, langs dezen weg staande, dient,
om de baden te gebruiken. Aan den eenen kant zijn de vertrekjes voor
de vrouwen, en aan den anderen die der mannen. Een weinig verder
heeft men de allerliefste en zeer romaneske wandeling, die hier _la
Promenade du pont Guillon_ genoemd wordt; ik wil trachten om 'er u,
zoo goed mij doenlijk is, een denkbeeld van te geven; verbeeld u eene
plaats van eene onregelmatige gedaante, door zware en digte boomen
beschaduwd; het riviertje _le Clain_, welkers boorden hier en daar met
struiken begroeid zijn, stroomt 'er langs; aan dien kant, en zelfs in
het water ziet men eenige torens en overblijfsels van een oud Kasteel
voor verscheidene eeuwen, door de Graven van _Poitiers_, en thans door
de uilen en vledermuizen bewoond. In een der torens scheenen echter
nog menschen te huizen, en eenige doeken, die uit de venstergaten te
droogen hingen, maakten hier geene onaardige vertooning. Verder op
ziet men de rotsen aan den overkant van de _Clain_, en aan de andere
zijde, naar den kant van de stad, is een rijweg, onder water staande,
en door hooge boomen, somber beschaduwd; juist kwam daar een driftje
beesten en een vrouw op een ezel gezeten door, en nu was het volmaakt
een schilderij in den smaak van uw beroemden stadgenoot Nicolaas van
Berchem. De zon bijna ondergaande begunstigde het schilderachtige
nog van dit schoone landschap. Niet ver van deze wandeling gaat men
door de poort, _la porte de Paris_ genaamd, in de stad; in de rotsen
over dezelve zijn ook eenige woningen gemaakt. De stad van dezen kant
ingaande, loopen de straten zeer steil; inwendig is zij meestal zoo
lelijk en onaangenaam als de omstreken fraai en bevallig zijn [227];
naauwe, kromme en misselijk bebouwde straten; een menigte thans
veelal vervallen of half verwoeste Kerken en Kloosters, en andere
gothische gebouwen. De Hoofdkerk is zeer groot, en heeft misschien
voor liefhebbers van diergelijke gebouwen hare schoonheden. Voorbij
een straat gaande, die men _la rue Neuve_ noemt, zag ik een pyramide
met een basrelief in den muur, op den hoek van dezelve. Eenige
vrouwen die daar omtrent aan haar deur zaten, verhaalden mij met
een soort van eerbied, dat het een gedenkteeken was van een groot
wonderwerk door den Heiligen Hilarius, Bisschop alhier, gedaan. In
het begin van de omwenteling was het, hier digt bij staande, om
ver geworpen, en nu had men het sedert eenigen tijd weder opgerigt,
en in den muur gemetseld. Hoewel Calvinus in deze stad nog al wat
aanhangers gemaakt heeft, thans is 'er het getal der Protestanten
niet groot, en de Roomschgezinden zijn 'er meestendeels bijgeloovig en
onverdraagzaam [228]. Voor de omwenteling waren hier omtrent 50 Kerken
en Kloosters. Deze Stad heeft, ten tijde van de religieoorlogen,
bloedige tooneelen opgeleverd; de Maarschalk St. André, dezelve
ingenomen hebbende, gaf ze, om zich op de Protestanten te wreken,
aan de plundering en baldadigheid zijner soldaten over; de gruwelen,
die aldaar toen gepleegd werden, zijn allerafgrijsselijkst. De getergde
en vervolgde Protestanten moorden en martelden wel niet, maar begingen
vele buitensporigheden in het plunderen der Kerken, en het verwoesten
van verscheidene merkwaardige gedenkteekenen en kunststukken.
De markt is eene ruime plaats; doch dat is ook al wat men 'er van
zeggen kan. Na den Schouwburg, die deze avond speelde, vragende,
wees men mij naar een achterstraatje. De ingang van het huis waar in
de zaal was, was zoo laag, dat de schildwacht, die 'er naast stond,
boven de deurstijlen uitkwam. Inwendig was het nog al redelijk; men
vertoonde 'er de _Tartuffe_ van Molière; waarlijk dit stuk kwam hier
niet te onpas! Over het geheel werd het nog al redelijk wel gespeeld,
en 'er waren tamelijk veel aanschouwers, waar onder echter veel
militairen. _Poitiers_ is een groote stad, doch naar evenredigheid
slecht bevolkt; zij bevat nog geen 18,300 inwoners. De hoofdplaats
van het Departement de _la Vienne_ zijnde, is zij de zetel van de
Prefecture; ook is 'er een Bisdom. Voorheen was zij de hoofdstad
van de Provincie _Poitou_, en is over _Angoulême,_ enz. 33 3/4
post van _Bordeaux_. De handel is 'er niet aanmerkelijk. 'Er zijn
eenige fabrieken van kousen, sommige wollestoffen, krep, enz. Bij
het avondmaal, dat vrij goed was, werden wij lastig gevallen door
verscheidene koopvrouwen in messen, scharen en dergelijken. Nu, die in
_Frankrijk_ reist, mag zich wel van een mes voorzien, want men komt in
verscheidene herbergen, waar men wel eten en drinken, lepels en vorken,
maar voor ieder geen mes vindt, en men is daar gewoon, dat de reizigers
die mede brengen. De levensmiddelen zijn hier vrij overvloedig en niet
duur. Wij betaalden dan ook voor het avondmaal en slapen maar £ 3-:-:
Den 5 dezer, 's morgens om 5 1/2 uur vervolgden wij onze reis. De
weg is goed en vrij aangenaam. Aan de linkerhand heeft men rotsen,
en aan de regter een fraai gezigt over de beemden langs de _Clain_,
heuvels, wijngaarden, enz. In en omtrent het dorp _Jaulnais_, waar
wij door kwamen, zag ik eenige vrouwlieden met een soort van kappen,
bijna als die der Nonnen op; naar ik vernam, is het de dragt van
die streek. Niet ver van den weg aan de linkerhand, zag ik op eene
hoogte de overblijfsels van een Kasteel, dat aanmerkelijk moet geweest
zijn, zijnde nog heden een groot en hoog gebouw; men zei mij, dat
het _la Tour de Beaumont_ genaamd was, en dat men hetzelve op een'
afstand van 22 uren zien kon. Ons gezelschap was vermeerderd door
twee Gedeputeerdens van _Poitiers_, om bij de aanstaande krooning
van Keizer Napoléon tegenwoordig te zijn; een van die Heeren had
eene lieve vrouw, en in 't geheel scheenen het hupsche en geschikte
menschen, dit maakte het onderhoud nog al levendig en aangenaam. Een
dorp, waar wij doorkwamen, gaf door zijn' zonderlingen naam geen
gunstig denkbeeld van deszelfs inwoners; het heet _la Tricherie_
(de bedriegerij); verscheidene vrouwen kwamen 'er ons vruchten te
koop aanbieden. De landstreek is bij aanhoudenheid vrij aangenaam.
Te _Chatellerault_, 5 posten van _Poitiers_, kwamen wij omtrent 11
uren voormiddag aan, en vertoefden 'er om het middagmaal te houden. De
rivier _la Vienne_, waarmede zich de _Clain_, een eindje boven deze
stad vereenigt, is hier bevaarbaar, en 'er ligt een fraaije steenen
brug, welke men van dezen kant in de stad komende, overgaat; dezelve
is door den Hertog de Sully, vriend van Hendrik den IV., en een der
voorname steunen van de Protestanten, gesticht. Deze rivier is, naar
ik vernam, tamelijk vischrijk; wij hadden een snoek op tafel van wel
12 à 15 ponden, en deze zijn in _Frankrijk_ zoo algemeen niet, als
bij ons; even zoo min als de goede boter, die hier echter ook zeer
lekker was. Gedurende den maaltijd werden wij weder bestormd door
eene menigte koopvrouwen in messen, scharen, pennenmessen, enz. Zij
hielden op eene bedelachtige wijze aan, om wat te verkoopen, en werden
het somtijds oneens onder elkander. De messenmakerij is het voorname
bedrijf van de ingezetenen, en zij hebben 'er nog al wat in te doen,
leverende daar van aan _Parijs_, en meêr andere plaatsen, behalve het
geene zij den reizigers verkoopen of opdringen. Hun werk is fraai op
't oog, doch de hoedanigheid van het staal is, zegt men, niet best,
en dat van _Moulins_ wordt voor beter gehouden. Deze landstreek
levert ook het ijzer, dat hier verwerkt wordt, op. De omstreek van
deze plaats scheen aangenaam en vruchtbaar. Door den zwaren regen
werd ik veel belet, om hier te wandelen, echter zag ik 'er eenige
gnappe huizen, en het ziet 'er over het algemeen vrij wel uit. Het
getal der ingezetenen wordt op ruim 7700 begroot. In de rivier voor
de stad lagen verscheidene schuiten.
De weg loopt vervolgens door een aangenaam landschap, latende
de rivier aan de linkerhand. Aan beide zijden op een' zekeren
afstand van den weg, ziet men groene heuvelen, en hier en daar
buitenverblijven. Vooruit ziet men in de verte een soort van vrij
hoogen toren. Welhaast naderden wij denzelven: het is een steenen
kolom, waar een wenteltrap omslingert, staande op het _moderne_ Kasteel
_les Ormes_ genaamd, en behoorende aan den Heer Voyer d'Argenson. Het
is een groot en prachtig gebouw, met uitgestrekte tuinen en boschjes;
terwijl men van paarden verwisselde, hadden wij den tijd, om hier eens
rond te loopen. Aan den anderen kant van den weg zijn de stallen,
en dit alles gelijkt naar een Vorstelijk verblijf. Het ligt 2 1/2
post van _Chatellerault_. Wij reden nog een goed eind weegs langs
de muren, die de aangelegen erven van dit landgoed omringden;--deze
landstreek schijnt zeer bewoond, en wij kwamen door eenige dorpen over
eene brug, over de kleine rivier _la Creuse_ liggende [229] en langs
eenen beplanten weg, omtrent 7 1/2 uren te _St. Maure_, een steedje,
waar wij ons avondmaal en nachtverblijf moesten houden; hebbende heden
9 1/2 post afgelegd. Voor den gewonen prijs van £ 3-10-: hadden wij een
vrij goed avondmaal en ligging, doch konden van de laatste niet lang
gebruik maken: alzoo wij den 6 dezer, 's morgens om 3 uren, weder voort
reisden. Het had wat gevrozen, en deed zulks nog, toen wij afreden. De
zon ging helder op, en het was een schoone herfstmorgen. Langs den weg
stonden eenige ijpenboomen; men was bezig met de bladeren van dezelve
aftestroopen; zij dienen tot voeder voor het vee, niet omdat het gras
of ander voedsel thans buitengewoon schaars is, maar omdat men meent
dat deze bladeren goed en gezond zijn, inzonderheid voor de koeijen,
welke dezelve ook gaarne lusten. Ik geloof toch, dat indien men hier
even zoo als in _Bataafsch_ en _Fransch Braband_, rapen en spurrie
zaaide op de zoogenaamde korenstoppelen, zulks veel voordeeliger en
beter zou zijn; doch zoo als ik reeds gezegd heb, over het algemeen is
'er aan den landbouw in _Frankrijk_ nog veel te verbeteren. Hier en
daar zijn wel Landbouwkundige Genootschappen, welke bespiegelingen
maken, prijsvragen uitgeven, en boeken schrijven; doch de landman
kan dikwijls niet lezen [230], of zoo hij het al kan, heeft hij 'er
den tijd en den lust niet toe, en blijft ook liever zoo maar op den
ouden voet voortslenteren, daar eene nieuwe behandeling doorgaans in
het begin meerder moeite, althans meerder oplettenheid, en somtijds
ook eenige onkosten veroorzaakt. Landbouwkundige Genootschappen zijn
dan wel goed, en zelfs zeer goed, doch zij moesten, mijns bedunkens,
de _practijk_ bij de _theorie_ voegen, en ieder genootschap moest
ook tevens eenige morgens akkerland onder den ploeg hebben, tot bosch
aanleggen, en van tijd tot tijd die streken gaan bezoeken, welke het
meeste verbetering behoeven, aldaar eenigen tijd verblijven, en met
de landlieden en hunne gebruiken kennis maken. In _Duitschland_
reizende, zag ik daar op sommige plaatsen Predikanten die in
der daad boeren waren; doch zij hebben met dat al doorgaans eene
beschaafde opvoeding en opleiding tot meêr andere wetenschappen
dan de Godgeleerdheid alleen, gehad. Men vindt daar zeer hupsche
en achtingwaardige Patriarchen onder; en welke zich niet door hunne
opgeblazenheid, maar alleen door meerdere deugd en eenvoudige kunde
van hunne gemeente trachten te onderscheiden, en alzoo bij dezelven
zeer bemind zijn. Zou men niet weldoen, van dit voorbeeld aangaande
onze Predikanten, Pastoren en Dorpschoolmeesters te volgen; was het
niet nuttiger dat de eerstgenoemden zich op de Hooge Schole, op de
studie van den landbouw, dan op die der Hebreeuwsche en Chaldeeuwsche
talen toeleiden, en zou men bij het doen der examens, geene bewijzen
van hunne kundigheid hier omtrent kunnen vorderen, gelijk ook van de
Dorpschoolmeesters? Ik deel u deze aanmerking mede, omdat mij dunkt,
dat gij dienaangaande wel eens een voorstel bij de Maatschappij _tot
Nut van 't Algemeen_ zoudt kunnen doen. Doch keeren wij tot mijne
reisbeschrijving weder terug. Langs een' goeden weg, en door een
aangename landstreek, kwamen wij, om de koude meestal wandelende, te
_Montbazon_, een niet onaardig stadje, en dat een welvarend voorkomen
heeft. Bij hetzelve ziet men de overblijfsels van eene oud Kasteel,
en een fraaije steenen brug over de kleine rivier _l'Indre_. En
nu komt men aan de bekoorlijke toegangen van _Tours_; van de hoogte
heeft men een verrukkelijk gezigt op dezelve, en de aangename landouw,
waarin zij gelegen is. Daar de wagen om eene brug, welke men herstelde,
verpligt was een' kleinen omweg te maken, verkozen wij, om langs den
gewonen weg, zijnde een fraaije laan, een groot kwartier uurs lang,
naar de stad te wandelen; aan het eind van deze laan komt men door
een mooi ijzer hek in dezelve en die hier nooit geweest is, staat
verwonderd over het fraaije, nette en regelmatige van dit gedeelte
van de stad: zijnde een vrij lange en breede straat, aan beide zijden
met verheven en wel gestraatte voetpaden, en zeer fraaije huizen van
gehouwene steen, in eene geregelde en sierlijke order gebouwd. Wij
kwamen hier om 9 1/2 uur 's morgens aan. _Tours_ is, langs den weg dien
wij gekomen waren, 48 3/4 post van _Bordeaux_. De postwagen vertoeft
'er, om het middagmaal te houden, en ik voornemens zijnde, om hier
een paar dagen te blijven, nam mijn intrek in het _Hotèl d'Espagne_,
hetzelfde, waar de passagiers van den postwagen spijzigen.
De fraaije straat, waarin verscheidene mooije winkels en Koffijhuizen
zijn, doorgaande, komt men regt over dezelve aan een der schoonste
steenen bruggen van _Frankrijk_ over de _Loire_, die hier vrij
breed is, gelegen; zij is niet boogsgewijze maar plat (_horisontal_)
gebouwd, en rust op 15 bogen, waar van 'er door den ijsgang in de
winter van 1790, vier verwoest zijn; dit gedeelte is in hout weder
hersteld, doch thans is men bezig om hetzelve weder in zijnen vorigen
staat te brengen. Eer dat men van den kant van de stad op de brug
gaat, heeft men eene fraaije plaats, waarop aan den eenen kant het
Stadhuis, en aan den anderen de voorgevel (_facade_) voor een gebouw,
in denzelfden smaak, om eene regelmatige gedaante aan deze plaats te
geven; dit laatstgenoemde gebouw staat al sedert verscheidene jaren
onvoltooid. Wat verder, aan beide zijden, zijn _terrassen_, die men met
eenige trappen beklimt; zij zijn met eenige rijen jonge boomen beplant,
en langs dezelven zijn op eene regelmatige wijze een groot aantal
kleine winkels gemaakt, om, ten tijde van de kermis, tot kramen voor
de Kooplieden te dienen. Aan het eind van deze terrassen zijn fraaije
getimmertens, dienende voor Koffijhuizen; van deze terrassen langs
de plaats tot aan de brug, zijn steenen leuningen (_balustrades_),
waarop eenige groote bloempotten (_vases_) van wit marmer staan. Op de
brug zelve, heeft men een allerschoonst gezigt, op een gedeelte van
de stad, en een lange dreef met populieren beplant, aan het eind van
de kaai, de met boomen beplante eilanden in de _Loire_, en de heuvels,
wijnbergen, buitenplaatsen en dorpen aan den overkant.
Na den middag ging ik eene wandeling buiten de stad aan den overkant
der rivier doen; de landstreek is hier allerliefst, en het is niet
zonder reden, dat men het voormalig _Touraine_, waar van _Tours_ de
Hoofdstad was, den tuin van _Frankrijk_ (_le Jardin de la France_)
noemde. In de heuvels langs de rivier, heeft men hier en daar kelders
gemaakt, dienende tot bergplaatsen voor den wijn, en verder op hebben
zelfs de menschen woningen in de rotsen. Op de hoogtens klimmende,
heeft men hier en daar zeer fraaije en schilderachtige gezigten,
vooral ook bij de voormalige Abdij _Marmoutier_, in de voorstad
_St. Symphorien_, aan den regteroever van de _Loire_ gelegen, en welke
Abdij voor de oudste van het westen gehouden wordt; als zijnde door
St. Martin _de Tours_ in 371 gesticht [231]; zij is echter nog niet
vele jaren geleden op eene prachtige wijze bijgebouwd. De rotsen,
oude muren, enz. maken hier eene zeer romaneske vertooning. Verder
landwaards inwandelende, zag ik veel wijngaarden, en men was hier
en daar nog drok met den wijnoogst bezig. De wijnen hier omstreeks,
vooral die van _Vouvrai_, hebben nog al eenigen roem, en worden over
_Nantes_ ook wel naar ons Vaderland gezonden, waar zij onder den
naam van _Tours_-wijnen bekend zijn. Deze landstreek levert ook vele
vruchten en vooral pruimen op; de laatstgenoemde worden in eene groote
hoeveelheid gedroogd, en maken een' voornamen tak van koophandel uit
[232]. In de _Meijerij van 's Bosch_ wonende, heb ik ook meêr dan eens
van die vruchten, die dikwijls zeer overvloedig zijn, laten droogen;
en bevonden, dat, indien 'er behoorlijke zorg voor gedragen wordt,
men die bij ons ook al zeer goed kan hebben. In _Gelderland_ is dit
ook nog al gebruikelijk, doch over het algemeen maakt men anders van
het aankweeken en droogen van deze gezonde vrucht bij ons niet veel
werk, en wij moeten die ook al weder veel van vreemden krijgen [233].
Den 7 dezer, 's morgens vroegtijdig uitgaande, vond ik het koud; het
had dezen nacht weder een weinig gevrozen. Buiten het ijzeren hek,
waar wij in gekomen waren, heeft men aan beide zijden ook beplante
wandelingen; doch de boomen zijn nog zeer jong. Den wal omgaande,
zag ik verscheidene moestuinen, waarin de groentens zoo goed stonden,
dat ik ze maar zeldzaam zoo in _Frankrijk_ gezien heb. De wandeling
door de Italiaansche populieren laan [234] langs de rivier, welke meêr
dan een kwartier uurs lang is, is zeer aangenaam. Van daar te rug
komende, zag ik op de kaai, _le Quai du vieux pont_ [235] genaamd,
een oude sterkte met torens, en meende de overblijfsels van muren,
daar hetzelve opgebouwd was, voor Romeinsch werk te moeten erkennen;
zijnde op dezelfde wijze gemetseld als het zoogenaamde _Palais Galliën_
te _Bordeaux_, en te _Poitiers_. Deze overblijfsels van muren strekken
zich een eindje langs deze kaai uit, en vervolgens in de stad tot aan
het Aartsbisdom. Dit Aartsbisdom schijnt een fraai gebouw; boven de
poort van hetzelve las ik _Musée_; doch vernam tevens, dat men thans
bezig was met hetzelve naar een ander gebouw te verplaatsen, alzoo
zijne Hoogwaardigheid de nieuw aangestelde Aartsbisschop, zich hier had
neder gezet. De Hoofdkerk, die hier bijstaat, is een trotsch Gothisch
gebouw, pronkende met twee torens; het is ook, zoo men wil, door den
reeds genoemden St. Martin [236] in de 4de eeuw gesticht; 'er plagt
een boekerij bij dezelve te zijn, waarin zeer oude en merkwaardige
handschriften, op een soort van lessenaars, aan ketenen vastgeklonken
lagen. Merkwaardige beelden of schilderijen zag ik in deze Kerk niet,
maar het geen ik zonderling vond, was dat de vloer voor en achter
verheven gemaakt was: zoo dat men 'er met eenige trappen opklom, en
naar het midden, waar het groot altaar stond, afhelde; even eens als
een staanplaats of _parterre_ in een' Schouwburg. Men ziet duidelijk,
dat dit niet aanvankelijk, maar eerst in latere tijden gemaakt is.
Ik herinnerde mij, van kort voor mijn vertrek van _Parijs_, aldaar in
de vergadering van een Genootschap van Geletterden en Kunstenaars,
genaamd _Société Philotecnique_ te hebben hooren spreken van een
overblijfsel der oudheid, dat omstreeks deze stad nog moest bestaan,
en dat naar het gevoelen van oudheidkundigen, een tempel der _Druïden_
zou geweest zijn [237]; om dien aangaande nader onderrigting te
bekomen, vervoegde ik mij bij den opzigter (_conservateur_) van het
Museum alhier, die de vriendelijkheid had van mij de plaats, alwaar
het bestond, naauwkeurig te beduiden. Het Museum kon ik niet zien,
omdat, men bezig met verhuizen zijnde, alles nog overhoop lag; doch
ik vernam van gemelden Heer, dat deze verzameling meestal bestond uit
eenige schilderijen, beelden, enz. die men in de Kerken en Kloosters
had gevonden, benevens eenige weinige oudheden. Ik meende dan te moeten
besluiten, dat, indien 'er vooral onder de schilderijen stukken van
den eersten rang geweest waren, men dezelve denkelijk naar de galerij
van _Parijs_ zou hebben overgevoerd, en ik begreep wel, dat ik door
dit Museum niet te kunnen bezigtigen, weinig verloor [238].
Vroegtijdig gegeten hebbende, haastte ik mij, om den tempel der
_Druïden_ te gaan opzoeken, daar dezelve omtrent twee uren van de stad
afgelegen is. De hoogte aan den anderen kant van de _Loire_, tegen over
de brug _la Tranchée_ genaamd, opklimmende, wandelde ik langs een'
vrij aangenamen weg, tot het Dorp _la Membrolle_, en nam, hetzelve
door zijnde, links den weg naar het Kasteel _le Plessis les Tours_
[239]; het geen nog een goed eindje is; eer men aan dat Kasteel komt,
staat de vermeende Druïdentempel (bij de landlieden in deze streek
onder den naam van _Grotte_, of _Maisson des Fées_ bekend) aan het
eind van een akker, aan de regter hand; een landmeisje, dat ik daar
omtrent ontmoette, wees mij denzelven aan. Het is een langwerpig
vierkant van onmatig groote ruwe steenen gemaakt; acht van dezelven
over eind staande, maken de zijmuren rondom uit; zij zijn, hoewel
zeer ongelijk, naar gissing 2 à 3 voeten dik, 5 1/2 à 6 hoog boven den
grond, waar zij een weinig in stonden, en van onderscheidene breedte;
de negende steen aan den ingang staande, en die met een andere die
dwars in de zijwanden geplaatst is een soort van voorportaal maakt,
is kleiner: dit soort van gebouw is gedekt door drie steenen, die nog
grooter en dikker zijn dan de anderen [240]. Ik klom 'er boven op,
om denzelven aftredende te meten; die aan den kant van den ingang,
is ruim 5 treden in de breedte van het gebouw en 4 lang; de middelste
heeft genoegzaam dezelfde breedte, doch is maar 3 treden lang, en de
achterste is 4 treden breed en 3 lang; de dikte van den middelsten
steen is aan den eenen kant (naar gissing) 3 1/2 voet, en aan den
anderen omtrent 5; de twee anderen zijn minder dik, hier en daar staken
de deksteenen over de zijwanden uit. Inwendig was het omtrent 11 treden
lang, te weten het voorportaal omtrent 3, en het overige gedeelte 8,
de breedte was 3 treden; bij den ingang waren eenige boomen geplant,
boven op en ter zijde groeide hier en daar een weinig mos en gras. De
steenen van eene grijsachtige kleur zijn van de soort, die in de
steengroeven hieromstreeks gevonden wordt; zij schijnen in 't geheel
niet bewerkt, maar, zoo als zij uit die groeven gekomen zijn, hier
geplaatst. Ondertusschen moet het geen geringen arbeid gekost hebben,
om zulke verbazende zware brokken hier na toe en op elkanderen te
krijgen; en zij, die dat gedaan hebben, moeten toch, dunkt mij, eenig
denkbeeld van de werktuigkunde gehad hebben; hoe zeer het schijnt dat
zij geen Steenhouwers of Bouwmeesters geweest zijn. Mijne kundigheden
niet toereikende zijnde, om te beslissen in hoe verre het denkbeeld,
dat dit gebouw een tempel of offerplaats der Druïden zou geweest zijn
[241] al dan niet gegrond is, zal ik hier alleenlijk bijvoegen, dat 'er
in _Frankrijk_ meêrder gelijke opgerigte steenen gevonden worden, onder
anderen in het Departement _l'Aveiron_; doch zij zijn veel kleiner en
bestaan doorgaans slechts uit vier steenen, namelijk drie rondom en
een boven op. Volgens Monteil, Hoogleeraar in de Geschiedkunde, die
een beschrijving van dat Departement in het licht heeft gegeven [242],
zouden 'er na bij herhaling te hebben gegraven, lijkbussen, wapenen en
gedenkpenningen in gevonden zijn, waarom hij waarschijnlijker vindt,
dat het gedenkteekens van grafsteden zijn. Ik vroeg 'er een landman,
hier omstreeks wonende, na, doch hij zeide 'er niets anders van te
weten, dan dat hij wel van zijn' grootvader had hooren zeggen, dat
het sedert eeuwen bestond; ondertusschen kon ik wel merken, dat hij
'er een bovennatuurlijk denkbeeld aan hechte zoo als dit ook uit de
benaming van _Grotte de Fées_ blijkt; en ik houde mij verzekerd,
dat 'er de boer niet gaarne een nacht alleen in doorgebragt zou
hebben. Ongetwijfeld, indien het niet zoo stevig was, zou het lang
verwoest geweest zijn; doch dat zou niet gemakkelijk genoeg gaan,
om ter sluips te kunnen geschieden.
Langs een' anderen vrij aangenamen weg, voorbij akkers en wijngaarden,
keerde ik weder naar _Tours_ terug. Het gezigt dat men boven aan den
weg _la Tranchée_, staande over de brug, door de fraaije straat van
_Tours_, en vervolgens door de regte laan, tot tegen de andere hoogte,
heeft, is schoon.
's Avonds in een Koffijhuis gaande, vond ik daar wel 30 menschen
bezig met lotto-spelen; ieder tuurde aanhoudend op de kaarten, die
hij voor zich had liggen, terwijl de hospes de nommers oplas;--welk
een ellendig tijdverdrijf! ook was het hier voor iemand, die niet
mede speelde, niet om uit te houden.
Het vervolg en slot van mijn reisverhaal, zend ik u bij eene volgende
gelegenheid.--Vaarwel!