DRIE EN TWINTIGSTE BRIEF.

_Bordeaux, 1 October._

Daar ik hier in een der voornaamstte wijnlanden van _Frankrijk_

ben, en het omstreeks deze stad thans juist in het hartje van den

wijnoogst (_vendeange_) is, wilde ik dien zien, en ging ten dien

einde den 26en dezer naar het kasteel _Hautbrion_, 3/4 uurs van de

stad, of van de _St. Juliaans_ poort, (_porte St. Julien_) welke

men uitgaat, gelegen. Die poort is een modern en niet onaanzienelijk

gebouw. Door de voorstad, die 'er gnap uitziet, en een aangenamen weg,

langs tuinen en wijngaarden loopende, komt men te _Hautbrion_. Men

was 'er in het drukste van den oogst. De wijngaarden hier omstreeks

doorloopende, vonden wij 'er eene menigte mannen en vrouwen, jongens

en meisjes bezig, met de druiven te snijden, en 'er uit te dragen;

zij zongen tusschen beide half _Fransch_ en half _Patois Gascon_, en

schenen zeer vrolijk. Een man met een stokje in de hand, was gesteld,

om de kinderen in order te houden. Buiten den wijngaard werden de

druiven in kuipen of tonnen op een kar, met twee ossen bespannen,

geladen, en zoo naar het pershuis gebragt; bij dit pershuis was eene

niet onaardige wooning. De rentmeester van het landgoed, waar van de

eigenaar, naar hij ons verhaalde, te _Parijs_ woonde, ontving ons,

hoewel wij hem niet kenden, of geene de minste aanbeveling aan hem

hadden, zeer vriendelijk, en liet ons de wijze, op welke de wijn

gemaakt werd, zien. Als vele onzer landslieden zagen, hoe daar mede

gemorst wordt, zij zouden ligt huiverig zijn, om 'er van te drinken

[201]. In het pershuis waren twee vierkante houten bakken, hebbende

naar gissing omtrent 10 à 12 voet lengte, even zoo veel breedte,

en ongeveer 2 voet diepte; zij stonden eenige voeten van den grond

verheven; in deze bakken werden de druiven geworpen, en vijf à

zes menschen vertreden die dan met hunne bloote voeten, dit noemt

men _Fouler le Vin_; het sap liep door een gat, aan de voorzijde

gemaakt, in kuipen, en twee andere mannen droegen het van daar in

eene andere groote en hooge kuip, daar zij met eenen trap naar toe

moesten klimmen. Deze kuip was nog nieuw van eikenhout gemaakt, en met

ijzeren hoepels omringd; de rentmeester verhaalde mij, dat dezelve £

1500--gekost had; men verkiest voor diergelijke kuipen het eikenhout,

hier omstreeks groeijende, boven het vreemde, omdat het minder hard

is. In deze kuip liet men het sap en de verpletterde druiven 10 à 12

dagen staan, eer men ze verder uitperste en op vaten deed. De witte

wijn, dien men hier minder teelt dan de roode, was reeds in de vaten,

en gistte aanhoudend, zoodat de schuim door het bomgat, dat openstond,

uitliep; deze wijn, hoewel pas 14 dagen oud, was reeds zuurachtig. Men

liet ons ook den wijn van voorleden jaar, en van dien, welke eenige

jaren oud was proeven; deze laatste vooral was zeer lekker. De wijn

van _Hautbrion_ behoort tot de beste en fijnste wijnen, die in deze

gansche landstreek geteeld worden, doch om goed te zijn, moet men ze

ouder laten worden dan doorgaans de _Medoc_, en ze niet eerder drinken,

voor dat zij 5 à 6 jaren oud is. De druif is hier klein, donker van

kleur, hard van schil, en niet zeer aangenaam van smaak. De wijnoogst

was ook hier over het algemeen goed, echter hadden de wijngaarden

door de voorjaarsvorst nog wat geleden.

Ik heb opgemerkt, dat de behandeling van den wijngaard in de

onderscheidene streken van _Frankrijk_ verschillende is. In _Bourgogne_

wordt de stam al vrij kort gehouden, en de ranken tegen een regt

overeind staand stokje opgebonden. In _Provence_ en _Languedoc_ laat

men de stammen langer, en men bindt de ranken niet op, maar doet ze

over den grond kruipen, omdat dezelve daar door beschaduwd zijnde,

minder zouden uitdroogen. Naar de kanten van de _Pyreneën_ worden de

stammen nog hooger, en sommigen zijn vrij dik. In het Departement

der hooge _Pyreneën_ zelfs groeijen de wijngaarden, die somtijds

vrij zwaar zijn, zoo als ik u gezegd heb, tegen kersen of andere

boomtjes op, en in deze streek worden zij weder kort gehouden en

tegen stokjes opgebonden.

Al wat men ons in _Holland_ voor _Bordeauxsche_ en _Medoc_ wijnen

verkoopt, moet men niet gelooven, dat in die landstreek groeit;

een groot gedeelte _Languedocsche_ wijnen loopt daar onder. Al die

wijnen verbeteren veel door de reis over zee, en wij hebben daar bij

beter slag, om ze te bereiden dan de _Franschen_ zelve, en welligt is

'er onze luchtstreek ook beter toegeschikt. De _Bourgogne_-wijnen

worden in _Frankrijk_ vrij algemeen voor gezonder gehouden dan

de _Bordeauxsche_, vooral voor lieden, die met jicht, graveel of

diergelijke kwalen gekweld zijn.

In de stad terug gekeerd, ging ik het _Panorama_ van _Lyon_ bezigtigen,

omdat ik die stad en omstreken juist van dezelfde plaats gezien had,

van waar het _Panorama_ geteekend is. Ik vond het zeer wel gelijkende,

en deze vertooning was voor mij des te aangenamer, daar het mij

duidelijk, al het geene ik te _Lyon_ gezien had, herinnerde. Jammer

was het, dat de begoocheling hier en daar benomen werd door eenige

plooijen, die in het doek waren. Het zelve opgerold van _Toulouse_

op hier in een lekke schuit ingescheept geweest zijnde, was vochtig

geworden, en aan de kanten wat verstikt; hier door kon men het

op sommige plaatsen niet goed spannen, dit gebrek was echter wel

te verhelpen. Op de plaats, achter deze vertoonplaats, zag men

_le Bellier Hydraulique_ van Montgolfier; dit werktuig, dat gij

ongetwijfeld kennen zult, bragt hier het water 42 voeten hoog. Nog

zag men hier een werktuig, dat men _la Pendule merveilleuse_ [202]

noemt. Deze wijst een woord, dat men geschreven heeft aan, op deze

wijze: het briefje waar op een of twee woorden geschreven zijn, gaf

ik het aan de vrouw die het werktuig laat zien; deze zag het in, en

wees met een wijzer op den muur over de pendule, alwaar al de letters

van het Alphabet stonden, een voor een dezelfde aan die ik geschreven

had; daarna wond zij de pendule, die naar gissing 10 of 12 voeten

van daar stond, op, en deed de slinger bewegen, en nu werden op de

wijzerplaat, waarop insgelijks de letters van het A. B. C. stonden,

dezelfde letters die ik geschreeven had aangewezen. Deze pendule is

afgezonderd (_geisoleerd_), staande op een glazen of kristallen kolom,

waar men door heen zien kan, en rondom vrij. De werking kan echter,

dunkt mij, niet anders dan door een _compère_ [203], en door den

magneet geschieden: waartoe anders ook de aanwijzing van de letters

op den muur. De uitvinder van dit werktuig, die zich Alexandre noemt,

en ook _directeur_ is van het _panorama_, zegt, dat het op eene andere

wijze werkt.

's Avonds ging ik het Tooneel _de la Gaité_ weder bezoeken, Majeur

speelde zeer aardig de _Ricco_. _Le foyer_ (de koffijkamer zou men bij

ons zeggen) van dit Schouwburgje is eene nette en fraaije zaal; 'er

is ook een tuintje achter, daar men in kan gaan wandelen, om tusschen

beiden eens lucht te scheppen. Alles ziet 'er nog nieuw en frisch uit;

want het is nog geen jaar geleden, dat het gebouw voltooid is.

Den 27 dezer zag ik bij den Heer Lacour, voornaam schilder

alhier, en correspondent van het Instituut te _Parijs_, eenige

fraaije schilderijen en teekeningen. Onze landgenoot de Heer van

Spaendonck, Professor in de schilderkunst, (zijnde een der voornaamste

bloemschilders thans bekend) en lid van het Instituut te _Parijs_,

had mij een aanbevelingsbrief aan dezen Heer medegegeven [204]. Onder

de schilderijen die ik hier zag, waren eenige goede stukken van

_Nederlandsche_ meesters, zoo als Ruisdaal, Wouwerman, Teniers, Adriaan

Brouwer, Poelenburg enz. Onder de teekeningen munten uit twee groote en

uitvoerige met de pen op perkament, door Willem de Heer, in den smaak

van Ostade; ook bezit de Heer Lacour eene zeer schoone schilderij,

behoorende tot de _Venetiaansche_ school, en zijnde waarschijnlijk van

Sebastien del Piombo, ook Sebastiano Veneziano genaamd; het verbeeldt

Judith in de tent van Holofernes, dien zij het hoofd heeft afgeslagen,

het welk zij in een zak werpt, die door eene andere vrouw opgehouden

wordt. Dit stuk is zekerlijk lang verloren geweest, zijnde zoo vuil

en zwart, dat men niet kon erkennen, wat 'er op stond, toen de Heer

Lacour het alleen om het paneel kocht. Gevallig ontdekte hij naderhand,

dat het der moeite waardig zou kunnen zijn, om schoon te maken; het

geen dan ook ondernomen werd, en men beklaagde zich zulks in 't geheel

niet. Daar de stukken van dien beroemden meester, en om de kunst, en

omdat zij vrij zeldzaam zijn, veel geacht worden, zou deze schilderij,

hoe schoon ook buitendien op zich zelve, nog van veel meerder waarde

zijn, als men bewijzen kon, dat het van den voornoemden meester

is. In eenige werken over de schilderkunst wordt gesproken van een

gegraveerde plaat, verbeeldende de geschiedenis van Judith, naar eene

schilderij van Sebastien del Piombo. De Heer Lacour en zijne vrienden

te _Parijs_ en elders, hebben zich al veel moeite gegeven, om deze

plaat op te sporen; doch zijn daarin tot nog toe niet geslaagd. Zoo

gij somwijlen gelegenheid mogt hebben, Vriend! om dien aangaande iets

te ontdekken, laat dezelve dan niet voorbijgaan, zonder 'er het meest

mogelijke gebruik van te maken. Den achtingwaardigen eigenaar van het

stuk daar door dienst doende, zult gij mij tevens veel vriendschap

bewijzen. In eene geschiedenis van het Oude en Nieuwe Testament,

(_Histoire de l'Ancien et Nouveau Testament_) langwerpig 4to [205],

staat ook een plaatje, waar van de teekening, hoewel op zich zelve

niet veel beduidende, naar deze schilderij schijnt gevolgd. De zoon

van bovengemelden Heer Lacour, een bekwaam plaatsnijder, heeft dit

stuk verkleind (want de figuren zijn weinig minder dan levensgrootte)

geteekend, en is voornemens, om deze fraaije teekening eerstdaags

in het koper te brengen. De Heer Lacour de vader is thans bezig aan

een groot stuk, verbeeldende een gedeelte van de kaai en haven van

_Bordeaux_; het gezigt van den kant _des Chartrons_ genomen. Het

wordt zeer fraai en naauwkeurig geschilderd, en de huizen enz. op

de plaats zelve uitvoerig geteekend; het laat zich reeds aanzien,

dat deze schilderij wel beantwoorden zal aan den roem van den meester.

's Avonds ging ik weder in den groote Schouwburg, doch niet meêr in

het _parterre_; om door Talma _de Othello_ van Shakespear te zien

spelen. Het is een van de rollen, waarin hij uitmunt,--nimmer zag

ik hem beter;--welk eene woeste en afgrijsselijke houding,--en zoo

ziet 'er toch een mensch, door woedende driften vervoerd, uit.--Hij

deed mij somtijds ijzen, en eene koude rilling gevoelen [206]. Deze

verdienstelijke schouwspeler brengt het in dit vak vooral al ongemeen

ver. Zijne vrouw speelde ook goed voor de minnares, en een van Hove,

tot dit Tooneel behoorende, voldeed wel in de rol van den Vader, en

schijnt een goed schouwspeler te zijn; echter was hij niet zeer vast

in zijn rol. In het begin was 'er door het gedrang in het _parterre_,

zoo een sterk geraas, dat de vertooning daar door tusschen beide

werd verhinderd, zoo dat de vertooners een en andermaal moesten

stilzwijgen, en dit is aan niets anders toe te kennen dan aan de

verkeerde inrigting, die aan dat gedeelte der aanschouwers geen

zitplaatsen vergunt. Naderhand werd het evenwel stilder. Talma

en zijn vrouw werden ongemeen sterk toegejuicht; een lauwerkrans,

als het hoogste blijk van genoegen, werd op het tooneel geworpen,

en deze beide vertooners met algemeene stemmen gevraagd [207]. _Les

trois Frères Rivaux_ [208] van la Font, werd door de _Bordeauxsche_

schouwspelers ook vrij wel vertoond. Om meêr plaatsen te winnen,

had men die van de muzijkanten voor de aanschouwers ingeruimd, en

nog was het overal stikkend vol.

Den 28 dezer, na bij den Heer Lacour nog eenige kunststukken en

oude medailles, waarvan een gedeelte alhier omtrent de voorstad

_St. Seurin_ gevonden werd, gezien te hebben, ging ik met hem

het Museum van Natuurlijke Historie, Schilderijen, Oudheden; enz,

bezigtigen. Het behoort aan bijzondere personen, die het voor geld

laten zien; doch daar de Heer Lacour met hun bekend was, kostte

het ons niets. In eene ruime en fraaije zaal, waarin het licht van

boven invalt, ziet men verscheidene schilderijen, waar onder eenige

fraaije: op de lijsten van de meesten leest men den naam van den

een of anderen voornamen meester. In dezelfde zaal ziet men eenige

wapenen en andere werktuigen van zoogenaamde Wilden, eenige opgezette

en in wijngeest bewaarde dieren, mineralen, enz. doch de opgezette

dieren waren zeer door de mot beschadigd; twee mummien of gedroogde

lijken van _Teneriffe_, een groote oude lijkbus van gebakken steen,

die te _Toulouse_ gevonden was, eenige aardevaten der ouden, fraai

gemaakt, en glad en blinkende, of zij verglaasd waren, enz. In een

andere pot of lijkbus met een deksel, toonde men nog eenige half

verbrande beenderen, die men zeide dat 'er in gevonden waren. Men

liet 'er ook eenige traanflesjes (_lacrimatoires_) die hier omstreeks

gevonden waren, zien; doch het geen ik bijzonder merkwaardig vond, was

een genoegzaam vierkante steen, naar gissing omtrent 3 voeten hoog,

en wat minder breed; op drie zijde was beeldhouwwerk _en basrelief_

van eene goede teekening, verbeeldende de middelste en breedste zijde

Jupiter en Ganimedes, en de twee anderen Juno en Leda. De zoon van

den Heer Lacour heeft deze beeldtenissen geteekend en gegraveerd. Ik

zend 'er u hier nevens een afdruk van. De trekken die gestipt zijn,

heeft hij, als genoegzaam verwoest, bijgeteekend. Deze steen is pas

omtrent drie weken geleden gevonden, bij het graven van een' kelder

voor een nieuw huis dat gebouwd wordt, ter zijde van het Hotèl van de

voormalige _Intendance_, en de straat genaamd _rue des Fosses_ [209]

_de l'intendance_. Men veronderstelt dat deze steen gediend heeft tot

een piedestal van het beeld van Jupiter; hebbende de ruwe of onbewerkte

zijde tegen den muur gestaan, misschien in den tempel van Jupiter, waar

van ik hier voor gesproken heb. In vroegere tijden is hier, zoo als de

naam van de straat nog aanduidt, een gracht geweest, en deze steen is

daar welligt met andere afbraak in geworpen om dezelve te dempen. Het

gemelde huis en kelder nog niet voltooid zijnde, zag ik daar nog

verscheidene bewerkte steenen, half in den grond liggen; op sommigen

was loof- en lijstwerk van een' goeden smaak, doch ik zag 'er ook een,

waarop eenige beeldtenissen waren, die 'er vrij Gothisch uitzagen. Alle

deze steenen, geelachtig van kleur, behooren tot de soort, die men

hier omstreeks en in de meeste steengroeven van _Frankrijk_ vindt,

en doorgaans gebruikt wordt, om te bouwen. Oudheidkundigen zullen

hunne gevoelens over den opgemelden steen denkelijk wel bekend maken.

Verder gingen wij het kabinet van schilderijen van den Heer

Journu-Aubert lid van de _Senat Conservateur_ bezigtigen, in

een huis niet ver van den grooten Schouwburg, _Rue des Fosses du

Chapeau Rouge_. Vier stukken van Joseph Vernet [210], schilder van

verscheidene Zeehavens enz. verdienen daar in bijzonder opgemerkt

te worden; die meester heeft ze voor dit Kabinet, dat niet groot is,

doch waar in men behalve deze nog verscheidene fraaije stukken ziet,

geschilderd. De namen van vele voortreffelijke meesters zijn ook op

de fraai vergulde lijsten te lezen.

In dit zelfde gebouw, dat vrij groot is, ziet men ook eene danszaal,

en eenige anderen daar bij behoorende vertrekken, op de wijze van

een grot, aardig geschilderd en versierd. Deze plaats, waar van men

vooral met den vasten-avondtijd (_Carnaval_) gebruik maakt, moet bij

avond verlicht zijnde, geene onaardige vertooning maken. Men noemt

dezelve _Frascati_.

Na het middagmaal zag ik in de voorstad, achter de _Jardin Public_

wandelende, aan het eind van dezelve een fraai lusthuis en tuin; een

gedeelte daar van was afgezonderd, en diende thans om danspartijen

en zoogenaamde landelijke feesten (_Fètes Champêtres_) te geven. Men

noemde het _Tivoli_, alles om _Parijs_ na te apen, waar men ook zulk

een _Frascati_ en _Tivoli_ heeft.

's Avonds ging ik _au Théatre Français_; men gaf 'er een nieuw stuk,

dat niet veel beteekende, en een ander dat ik te _Parijs_ reeds gezien

had. Hier betaalt men 15 _sols_ in het _parterre_, dat ook slechts eene

staanplaats is. Ondertusschen, daar de avonden lang beginnen te worden,

zijn diergelijke plaatsen voor de vreemdelingen goed, om 'er een uurtje

in door te brengen. Die van _Bordeaux_ schijnen nog al liefhebbers van

het Tooneel te zijn; doch naar ik vernam, bestaat hun uitspanning en

pracht bijzonder in de goede sier, en het houden van maaltijden, als

een blijk hier van onder anderen, vindt men in hun voornaamste Almanak

(_Calendrier de la Gironde_) van het laatst afgeloopen _Fransche_

jaar, achter een lijst van de Departementale en Stedelijke Besturen,

Regtbanken, Bankiers, Makelaars, Kooplieden enz. eene onderrigting,

om eene tafel voor twaalf personen aanteregten (_Instruction pour

regler le service d'une table de douze couverts_.) Nu het is hier ook

in der daad een soort van luilekkerland, goed vleesch, vooral rund

en schapen, haperen 'er niet, daar _Gascogne_ nog al wat weiland

oplevert, zoo min als versche zee- en riviervisch; de omstreken

leveren ook onderscheidene soorten van wildbraad en tam gevogelte

in menigte op, waarbij men veeltijds de beroemde truffels, die het

naburig land van _Périgord_ oplevert, voegt; _Perigueux_ de hoofdstad

van dat land is beroemd om de patrijzen-pastijen; en de wijn begrijpt

gij dat bij dit alles niet hapert, hoewel de fijne en lekkere soort

'er gansch niet algemeen en bijna zoo duur is als bij ons. De wijn,

dien men in de herbergen, zelfs in de voorname, gewoonlijk drinkt,

is maar redelijk; en als men een flesje extra wil hebben, moet men

'er al 4 of 5 _livres_ voor neêrtellen, en dan heeft men nog van den

allerbesten niet. Over het geheel zijn de levensmiddelen hier duur,

zelfs houdt men _Bordeaux_ voor de duurste plaats van _Frankrijk_;

het geen ik voornamelijk aan den overvloed van geld, die 'er althans

in vredestijd plaats heeft, toeschrijf. Menschen, die rijk zijn,

en het voornamelijk om lekker eten en drinken te doen is, zou men

deze stad wel tot eene woonplaats kunnen aanraden.

Den 29 dezer; daar men mij de Kerk der voormalige _Carthuizers_, in

een der voorsteden, als bezienswaardig had opgegeven, ging ik die

heden bezigtigen. In het voorbijgaan zag ik die van _St. Seurin_,

waarin steenhouwers, metselaars, en andere werklieden, drok bezig

waren met dezelve op te gnappen; merkwaardigheden vond ik 'er

niet. Het koor van de _Carthuizer_ Kerk is rondom van marmer; maar

vooral verdient het schilderwerk van het gewelf in deze Kerk, om de

aardige uitwerking die het maakt, bewonderd te worden; het bestaat

slechts in eenig loofwerk enz. en boven het koor ziet men een koepel,

rondom met glasramen; deze inzonderheid is zoo natuurlijk geschilderd,

dat men zou meenen dat hij wezenlijk bestond.

In het terug keeren las ik op den hoek van een straat _rue plus de

Rois_, en op die van een anderen _rue haine aux Tyrans_. Gij begrijpt

dat 'er deze opschriften van daag of gisteren niet gezet zijn. Thans is

'er ook een straat, die men _rue Bonaparte_ noemt.

Heden was het weder vrij zacht, anders hebben wij hier, hoewel op

44 graden, 50 minuten noorderbreedte, en pas in het begin van den

herfst, al eenige dagen gehad, dat het 's morgens en 's avonds een

weinig koud was.

Onze landgenoot de Heer van Erichem, Doctor in de medicijnen alhier,

onthaalde ons op een lekker middagmaal naar den _Hollandschen_ trant,

waarbij zelfs watertongetjes, die zeer goed waren; die hupsche en

vriendelijke man, welke hier reeds verscheiden jaren woont, en als een

kundig Geneesheer bekend is, heeft echter nog veel van de _Hollandsche_

gebruiken behouden, onder anderen is hij nog een groot liefhebber van

de pijp, en zijne echtgenoote, hoewel eene _Fransche_, is redelijk

genoeg, om zich hier na te schikken. De _Fransche_ vrouwen zijn anders

over het algemeen zeer tegen het tabak roken, en een pijp is genoeg,

om haar een gezelschap te doen schuwen.

Na den maaltijd gingen wij met den Heer van Erichem en zijne huisvrouw,

den tuin achter het huis van den Heer Gramont, een der voornaamste

Kooplieden van deze stad, bezigtigen; dit huis is aangenaam gelegen

aan het eind van de kaai, naar den kant van de scheepstimmerwerven. De

tuin is niet onaardig, en gedeeltelijk in den _Engelschen_ smaak

aangelegd; een gemetseld grachtje met stil staand water, waarin

eenige zwanen en eenden, loopt 'er door. Doch hij, die _Hollandsche_

tuinen en buitenplaatsen gezien heeft, vindt hier in 't geheel niets

bijzonders. In een klein park had men ook een paar reeën, en het

geen vreemd was, een van de twee scheen zeer boosaardig, zoo dat,

als 'er iemand in het park kwam, zij terstond naar hem toe liep;

zij zette zich voor hem op de achterste pooten, en krabde met de

voorste. De tuinman was 'er zelfs bang voor, doch wij wapenden ons

ieder met een tak van een boom, na een paar slagen, stelde zij zich

niet meêr te weêr, maar liet zich zelfs streelen.

In het terug keeren, niet ver van daar op de kaai, toonde men mij het

Vondelinghuis, ook _l'Hôpital de la Manufacture_ genaamd, het is een

groot en aanzienlijk gebouw; 's jaarlijks werden 'er doorgaans 400 à

500 vondelingen in gebragt; zij worden in een draaipoortje (_tour_)

gelegd, en men waarschuwt door een bel die daar naast hangt [211]. Hoe

zeer deze gestichten strekken ter voorkoming van afgrijsselijke

misdaden, moet men toch bekennen, dat zij aanleiding geven, en

een ruime deur openzetten voor ongeregeldheden en liefdeloosheid;

vooral bij _Fransche_ moeders in voorname steden, welke zoo algemeen

de afgrijsselijke gewoonte hebben, van hare zuigelingen, zoodra zij

geboren zijn, van zich aftestooten, en aan vreemden buiten de stad,

en dikwijls eenige uren van daar overtegeven, en dus de ongevoeligheid

omtrent haar kroost al zeer ver hebben gebragt. Zulke moeders zien

dikwijls eene henne met hare kiekens, en zij blozen niet.--Welke

gevolgen moet dit voor het vervolg op de opvoeding, en dus ook op de

Maatschappij, niet hebben? Diergelijke gebreken vindt men in menigte

in die maatschappelijke inrigting, die men ons als zoo goed en zoo

verkieslijk aanpreekt; en hij die zich durft vermeten, om 'er iets

tegen te zeggen, wordt voor een Jacobijn of Filozoof, twee nieuwe

scheldnamen, uitgedacht, om redelijke menschen hatelijk te maken,

uitgekreten [212].

's Avonds ziet men hier in de Koffijhuizen (waar onder 'er verscheiden,

die zeer fraai en net zijn) veel bier drinken [213]. Het Hollandsen

bier is hier ook bijzonder geacht; hier en daar leest men nog op de

uithangborden _Bierre de Hollande_; en wij zelve maken 'er zoo weinig

werk van, dat deze trafiek geheel in verval geraakt. Men maakt hier

ook anijsdrank onder den naam van _Anisette de Bordeaux_ bekend; doch

hij is op zijn best half zoo goed als onze _Amsterdamsche Anisette_

uit het _Loosje_, of van Fokke; dit bekennen de _Franschen_ zelve, en

maken van de _Anisette_, zoo wel als van de _Curassau de Hollande_ [214]

ongemeen veel werk, en wij laten die soort van goed uit _Frankrijk_

komen, en betalen het duur.

Den 30 dezer, zijnde zondag, ging ik de groote misse in de

_St. Andréas_ Kerk hooren; 'er werd vrij goed gezongen, en het

orgelmuzijk was zeer aangenaam; deze en eenige andere Kerken, die

ik bezocht, waren tamelijk vol volk. Die van _Bordeaux_ worden voor

zeer gehecht aan den regeringsvorm, zoo als die voor de omwenteling

bestond, gehouden, en zijn dus ook ijverige Roomschgezinden. Deze

plaats zeer veel handel met _Engeland_, zoo wel als met _Holland_

drijvende, welke handel thans genoegzaam geheel gestremd is, kunt gij

begrijpen hoe de Kooplieden gezind zijn; want de handel is hier even

als in onze kooplieden de spil, waarop alles draait, en de handelgeest

de voorname drijfveer van de bemoeijingen der meeste ingezetenen.

Hier is ook eene school van Koophandel, (_Ecole de Commerce_) waar de

gronden van den beoefenenden Koophandel onderwezen worden, benevens

de Aardrijkskunde tot den koophandel betrekking hebbende, deszelfs

regten en wetten, en de zedekunde van den Koopman. De lessen worden

in het openbaar, en om niet (_gratis_) dagelijks, behalve op Zon- en

Feestdagen, gegeven; en de onderwijzers zijn H. C. Guille Professor,

en Chalret toegevoegde (_suppléant_).--Was dit voor ons geen voorbeeld

ter navolging?

De wallen van het _Chateau du Haa_, dat niet ver van deze Kerk

gelegen is, zijn gesloopt, en sommige muren afgebroken; het ziet

'er dan hier door de puinhoopen enz. woest en onoogelijk uit. Het

Kasteel zelf dient thans voor een gevangenis. Deze sterkte werd,

benevens _le Chateau Trompette_, in 1451 of 1452 onder Karel de

VII. gebouwd, en beide zijn in de geschiedbladeren van _Frankrijk_,

vooral met opzigt tot de burgeroorlogen, zeer bekend.

Behalve de _allées de Tourny_, is 'er nog een lange regte en vrij

breede straat, loopende van de _Place Nationale_, tot voorbij de

_Jardin Public_, zij is aan beide zijde met boomen beplant, en dient

ook voor eene wandelplaats; men noemt dezelve _le Cours de Tourny_. De

_Allées de Tourny_, hebben wel iets van de _Boulevard du Temple_ te

_Parijs_ in het klein; 'er is een kleine Schouwburg, Marionnetten,

koorddansers of springers en andere spellen, waar men zeldzaamheden

enz. laat kijken; de twee _Engelschen_ welke een soort van geschubde

huid hadden, en die ik reeds te _Parijs_ gezien had, waren thans

ook hier. Ook zag ik 'er eene vrouw, van, naar het mij voorkwam,

ruim 30 jaren, hebbende een' zwaren baard van zes duim lengte,

ongemeen sterke wenkbraauwen, en bijzonder op hare beenen zeer veel

haar. Deze vrouw was nog maar vijf dagen geleden in de kraam bevallen,

en het kind was ook op verscheiden deelen van het ligchaam met haar

bewassen, had reeds bakkebaarden, en zeer zware wenkbraauwen; het was

bruinachtig van vel, doch zag 'er anders zeer gezond uit. De moeder

liet het zuigen, en ik verwonderde mij over de blanke borsten van

die vrouw, waarop die rosachtige en grijze baard eene afzigtelijke

vertooning maakte; over het geheel scheen deze vrouw niet kwalijk

gemaakt, doch was zeer zwak van gezigt, en had behalve den baard,

zeer onbevallige wezenstrekken. Ondertusschen heeft zij toch nog een

minnaar in een oppasser of knecht gevonden; zoo vreemd en misselijk

is somtijds de smaak der menschen. Volgens de bekendmaking, zou haar

een _Hollandsch_ Koopvaarder uit _Noorwegen_ mede gebragt hebben;

ondertusschen sprak zij tamelijk _Fransch_, en hare stem, zelfs in

het zingen, was juist niet onaangenaam. Naast den kleinen Schouwburg

is ook een huis, waar openlijk verscheidene soorten van dobbelspelen

dagelijks gespeeld worden; men ziet 'er niet anders dan ambagtslieden,

varensgasten, en diergelijke, tot den zoogenaamden lagen burgerstand

behoorende; ook zag ik 'er verscheidene aankomende jongelieden;

'er was doorgaans veel volk. Ik herhaal het, hoe is het mogelijk,

dat men zoo iets in eene geregelde maatschappij duldt?

Na den middag ging ik naar eene soort van tuin, even buiten de

stad, naar den kant van de voorstad _St. Seurin_, men noemt dezelve

_Plaisance_; 'er werd gedanst, en eenige spellen, zoo als in een

molen draaijen, op een plank wippen, schommelen enz. gespeeld; doch

door het gure en onaangename weder, was 'er niet veel volk.

Voorleden Zondag had ik al hooren aankondigen, en aangeplakt gezien,

dat men 's avonds in het Marionnettenspel de Geboorte van J. Christus

zou vertoonen, zoo als zulks toen ook geschied was, en heden avond

moest hetzelfde weder plaats hebben; zulk eene zonderlinge vertooning

willende zien, ging ik 'er heen. Men begon met den Engel, die Maria

de boodschap bragt, vervolgens zag men de aankomst van Maria en

Joseph aan de herberg, de Geboorte, de Wijzen uit het Oosten, den

Kindermoord, de vlugt naar _Egypten_, enz. De toestel was voor zulk

eene soort van vertooning nog al zoo heel slecht niet, maar de waard

van de herberg, als een _Fransche_ kok gekleed, en een Pastoor met

een zwarte tabbaard aan en een vierkante muts (_bonnet carré_) op,

kwamen 'er misselijk in.--In eene plaats, waar men nog al werk van

den kerkelijken eerendienst schijnt te maken, zulk eene onteerende

vertooning--welke ongerijmdheid! Met dat al was 'er veel volk, en

de meesten zaten met de grootste aandacht te kijken.--Wat zegt gij

hier van, Vriend! zoudt gij zoo iets in deze tijden, en in een der

voornaamste steden van _Frankrijk_ wel gezocht hebben?

Den 1en October, voornemens zijnde om morgen niet den postwagen van

hier op _Tours_ te vertrekken, had ik reeds voor eenige dagen plaatsen

besproken; want men moet het thans op het laatst niet laten aankomen,

omdat 'er al eenige nieuwsgierigen, om het aanstaande krooningsfeest

te zien, op reis gaan.

Niets willende overslaan, ging ik de vesting _le Chateau

Trompette_ genaamd, ook van binnen bezigtigen, doch vond 'er niets

merkwaardigs. Naar men mij verzekerde, bestaat 'er reeds sedert

eenige jaren een ontwerp, om deze vesting geheel te slopen, den

grond te doen bebouwen, en dit schoone gedeelte van de stad, alzoo

aanmerkelijk uit te leggen.

Daar het heden markt was op de plaats, bij de poort _St. Julien_,

ging ik daar henen, om de boeren van _de Landes_ (heigronden) [215]

welke op stelten loopen, te zien; digt bij de markt ontmoette ik

'er een, zijne stelten waren zoo hoog, dat hij wel drie voeten van

den grond verheven was [216]; en door de wijde schreden, die hij daar

mede deed, vorderde hij zoo sterk, dat men hem op een drafje loopende

niet bijgehouden zou hebben; hij had een' langen stok in de hand,

om zich te ondersteunen; sommigen, naar ik vernam, gebruiken die ook,

om zittende op te rusten, doch dan is hij korter en met eenen platten

knop 'er op. De kleeding van dezen man bestond in een kort kamizool

van rooden stof, met mouwen tot op de hand, en een ander wat langer en

wijder met mouwen tot aan de elleboogen, van bruinachtig grof laken

of pij 'er over; hij had een plat gebreid mutsje op van bruine wol

(_berette_) zoo als de boeren van het landschap _Bearn_, waarvan ik

reeds gesproken heb. Op de stelten stond hij blootvoets, en had om de

beenen stukken schapenvel met de wol naar buiten, als een soort van

slopkousen; in den winter of bij slecht weder, heeft hij ook een soort

van overrok zonder mouwen van schapenvellen, met de wol naar buiten,

aan. Onder aan hun stok en stelten is, in plaats van ijzer of koper

beslag, een stuk van een ossenbeen gemaakt. Hunne haren kammen zij

genoegzaam nooit uit, maar ontwarren die slechts met de vingeren,

zij staan dan ook steil en als borstels van het hoofd af. De reden,

waarom deze lieden op stelten loopen, is, om beter door de hoog en

digt begroeide of zandige heiden, als mede over de sloten en groeven,

die zich in hun weg opdoen, te kunnen komen, misschien ook om spoediger

te vorderen; de herders [217] op deze stelten staande, kunnen ook hunne

kudde beter overzien. Om de stelten aan te binden, gaan zij doorgaans

in hunne hutten op een hooge kas of op den schoorsteenmantel, die

vrij hoog is, zitten; en in het veld zijn zij dikwijls verpligt,

wanneer 'er zich geen heuveltjes of diergelijken opdoen, om op een

boom of struik te klimmen. Hunne vrouwen maken zich eene soort van

hoog opstaande kap, van twee of drie doeken als servetten; twee

punten daar van zijn van achteren bij elkander gespeld; zij hebben

een kort jakje aan, van de een of andere grove stof; overigens zag

ik aan hunne kleeding niets bijzonders [218]. Deze menschen, naar ik

vernam, zijn even als de bewoners van de hooge _Pijreneën_, het geen

men ruw en onbeschaafd noemt, daar bij ook zeer bijgeloovig, zoodat

men ze door een vertelling van weerwolven of spoken, ligter dan door

geweld, zou kunnen verjagen; zij hebben ook hunne bijzondere zeden

en gebruiken, doch zijn door de gemeenschap met de naburige steden,

alwaar zij schapen, houtskolen, oesters [219], wild, enz. ter markt

brengen, veel verbasterd en bedorven. Zij staan in dit opzigt alzoo

met de goede eenvoudige bergbewoners niet gelijk.

Terwijl wij over de kleederdragt handelen, moet ik ook een paar

woorden zeggen van die vrouwen en dochters alhier, welke tot de klasse

der ambachtslieden, dienstmaagden, enz. behooren: zij onderscheiden

zich, vooral wanneer zij uitgedoscht zijn, door zeer hooge mutsen,

en dragen, even als onze _Noord-Hollandsche_, eene menigte rokken over

elkanderen. In het algemeen zien 'er de vrouwen hier vrij wel uit. Men

ontmoet 'er ook op de wandel- en andere plaatsen, voor het openbaar

vermaak geschikt, zeer vele gerijfelijke juffertjes, waar onder men

'er vindt, die 'er zeer bevallig uitzien, en de houding en kleeding

van de zoogenaamde voorname vrouwen vrij wel weten na te volgen.

Het getal der schoensmeerders, meestal aankomende jongens, was hier

zoo groot, dat de Politie 'er voor de zeevaart, nog maar kort geleden,

eenige honderden heeft doen oppakken.

Daar de _Bordeauxsche_ wijnen bij ons genoeg bekend zijn, zal ik mij

niet ophouden, met u de soorten daar van optenoemen, maar alleen

zeggen, dat die, welke men _Vin de Grave_ noemt, en welke onder

de meest geachtste soort behoort, dus genaamd wordt, omdat zij op

eenen keizelachtigen zandgrond, die de _Franschen Gravier_ noemen,

geteeld wordt: de witte is het algemeenste, en wordt, benevens die

van _Sauterne_, hoog geschat. Van de roode _Medoc_- [220]wijnen,

maakt men zoo wel hier als bij ons zeer veel werk, doch dat land zou

al vrij wat grooter moeten zijn, om al de wijnen, die naar hetzelve

genoemd worden, te kunnen voortbrengen; maar, zoo als ik reeds gezegd

heb, de wijnen komen dikwijls met valsche doopceelen ter markt,

en om dagelijks een flesje echte _la Fitte_, _Chateau Margot_ of

diergelijke, op zijn tafel te hebben, is een burgerstuivertje maar

in 't geheel niet toereikende. Gelukkig dat men buiten dien zeer wel

gezond en vergenoegd kan zijn, en missen velen dat kostbare roode sap,

zij kunnen daar door ook beter de roode jichtbaai (dat toch gansch

geen aangename opschik is) missen. De wijnkoopers alhier schijnen

vrij algemeen te gelooven, dat de adem van ziekelijke of ongestelde

personen, schadelijk is voor den wijn, en laten daarom niet gaarne

menschen, die 'er ongezond uitzien, en vooral geene vrouwen, in hunne

pakhuizen, die men _Chais_ noemt.

Van de openbare gebouwen sprekende, heb ik nog vergeten, om van de

Kerk van _St. Dominicus_ melding te maken. Zij verdient inzonderheid

om het fraaije beeldhouwwerk op den voorgevel (_facade_) wel gezien

te worden; thans wordt zij, zoo ik meen, _la Paroisse Notre Dame_

genaamd, en staat tegen over een straat, uitkomende aan de _Allées de

Tourny_; van deze wandeling moet ik ook nog zeggen, dat zij genaamd

is naar den Rentmeester (_intendant_) Tourny den vader, aan wien

die van _Bordeaux_ deze wandelingen, en meêr andere aanzienelijke

verbeteringen in hunne stad, verschuldigd zijn, en wiens nagedachtenis

daar dan ook met reden in zeer veel achting is.

_Bordeaux_, een der oudste en aanzienlijkste steden van _Frankrijk_,

was voorheen de Hoofdstad van de Provincie, _la Guienne_ genaamd, thans

is zij het van het Departement _de la Gironde_, de naam van de rivier,

welke voortgebragt wordt door de vereeniging van de _Dordogne_ en de

_Garonne_. De bevolking van deze stad wordt op ruim 104,600 begroot;

zij is aan den linker oever van de _Garonne_, omtrent 15 uren van

de plaats, waar de _Gironde_ in zee valt, gelegen. Haar grondgebied

is zeer uitgestrekt, doch naar evenredigheid niet bevolkt, door

de moerassen, die 'er van het Noorden naar het Zuid-Oosten langs

liggen. Sommigen willen den naam van die stad afgeleid hebben van

_bord de l'eau_, of _bord des eaux_, (kant van het water) omdat

zij aan den waterkant gelegen is. In oude tijden werd zij _Aquita_,

en daar na _Burde Galla_ genaamd.

Deze stad heeft verscheidene beroemde mannen opgeleverd, waaronder de

waarlijk groote Michel Montaigne, hoewel niet in _Bordeaux_ zelve,

maar op het Kasteel _Esquem_ in het naburig Landschap _Perigord_

geboren, vooral niet moet vergeten worden. Die kloeke wijsgeer was

Maire van deze stad omtrent 1581, en stierf in 1592, in den ouderdom

van ruim 59 jaren. Het kostelijke werk, dat hij onder den nederigen

titel van _Essais_ heeft geschreven, is u ongetwijfeld bekend

[221]. Zulke mannen telt men toch maar weinig in de Geschiedbladeren.

Over mijn herberg _l'Hotèl des sept Frères_, bij Langueron, _petite

rue de l'Intendance_, was ik wel te vreden; het is 'er vrij zindelijk

en gnap, en voor _Bordeaux_ gansch niet duur [222].

Gij bekomt nu niet eerder tijding van mij, Voor dat ik te _Parijs_

ben.--Vaarwel!

Reize door Frankrijk In gemeenzame brieven, door Adriaan van der Willigen aan den uitgever · 第 28 / 56 题