TWEE EN TWINTIGSTE BRIEF.

_Bordeaux 25 September._

's Morgens van den 23 dezer wandelde ik langs de kaai van den eenen

kant tot den anderen, dat een frissche kuijer is [186]. Men ziet daar

een menigte gnappe gebouwen; maar het geen mij inzonderheid vreemd

voorkwam, waren de menigte _Hollandsche_ opschriften op uithangborden

enz. als: Allerhande soorten van Scheepsbehoeftens; N. N. Schoenmaker

maakt en verkoopt, enz. Verwer en Glazemaker en dergelijke. Voorheen

zag men hier dan ook een groote menigte van onze Vaderlandsche

varensgasten; thans zijn het meestal _Amerikanen_, _Deenen_, _Zweden_,

en _Pruisschen_. De schepen die 'er in menigte op stroom lagen, voerden

ook die vlaggen, en waren daar mede, wijl het Zondag was, bijzonder

opgesierd. De kaai maakt, zoo als ik u reeds gezegd heb, genoegzaam

een halven cirkel, te weten van het eene eind tot het andere, zoo ver

'er huizen staan, en de vesting _le Chateau Trompette_ genaamd, ligt

omtrent in het midden van dezelve. Hier omstreeks stond een tempel

door de _Romeinen_ gebouwd, en aan de beschermgoden gewijd; dit gebouw

moet eenige overeenkomst gehad hebben met den tempel van Cajus Cæsar

te _Nismes_, waar van ik, daar zijnde, melding maakte. Ten tijde van

Lodewijk den XIV. bestond 'er nog een groot deel van dezen tempel,

omringd van 18 kolommen, welke van de 30, zoo men meent, staande waren

gebleven; en deze geweldenaar, waarschijnlijk ter bereiking van zijne

krijgs- en eerzuchtige oogmerken, deed deze merkwaardige gedenkteekens

der oudheid sloopen, om de voornoemde vesting te vergrooten, het geen

volgens het bestek van den vermaarden vesting-bouwkundigen de Vauban

werd uitgevoerd.

Van hier gingen wij naar de voorstad _le Chartron_ genaamd, waar

vele voorname kooplieden in fraaije gebouwen wonen, en vervolgens

in de Protestantsche Kerk, staande aldaar in een straat genaamd

_rue notre Dame au Chartron_. Men gaat 'er door een gangetje in,

want de Protestanten hadden deze Kerk reeds voor de omwenteling; op

zich zelve is het een eenvoudig maar net gebouw, 'er zijn galerijen

en een orgel in, en de gemeente was vrij talrijk; ik begrootte

ze op 4 à 500 menschen; de Predikant deed een eenvoudig zedelijk

vertoog; doch had vrij sterk de _Gasconsche_ uitspraak (_l'accent

Gasçon_). Op deze Kerk zag ik ook een torentje met een klok, welk

een en ander 'er zekerlijk na de omwenteling eerst opgekomen is. De

gemeene wandeling, _le Jardin Public_, voorheen _Jardin Royal_, ook

_le Champ de Mars_ genaamd, is niet ver van hier. Deze wandelplaats,

met regte lanen beplant, waar van de boomen over het algemeen gansch

niet weelderig staan, en daar bij hier en daar nog geschoren zijn,

is vrij ruim, met muren en ijzer hekwerk omringd; beelden heb ik 'er

niet ingezien, en eenige overdekte steenen galerijen aan de zijde zijn

het eenigste sieraad; althans deze zoogenaamde tuin beantwoordde in

't geheel niet aan het denkbeeld, dat ik 'er mij naar den _Franschen_

ophef van gemaakt had, en gelijkt niet naar onzen _Haarlemmer Hout_,

of het _Haagsche Bosch_ [187]. 'Er is een laan, waarin vooral heden

met de Zondag nog al verscheidene opgeschikte menschen, op en neder

wandelden. Men verhuurt hier ook stoelen, en ter zijde staat eene

nette houten loots, waarin men koffijhuis houdt.

Na den middag onze wandeling vervolgende, bewonderde ik vooral dat

gedeelte, waar de groote Schouwburg geheel op zich zelven staat,

en van waar men verder door een breede met fraaije huizen bebouwde

straat, langs de beurs op de kaai komt. Men noemt deze wijk, die met de

bijgelegen _allées de Tourny_, de schoonste is, die ik in _Frankrijk_

gezien heb (althans naar mijn zin) _le Quartier du Chapeau Rouge_

[188]. De plaats achter de beurs op de kaai, werd voorheen _la place

Royale_ [189] genaamd; omdat de stad, in het midden van dezelve, omtrent

de eerste helft van de vorige eeuw, ten haren koste het beeld van den

Koning Lodewijk den XV. te paard zittende, en van metaal gegoten,

deed oprigten. De fraaije vleugels van de beurs, aan den eenen, en

van het tolhuis aan den anderen kant, maken de twee zijden van deze

plaats, thans _la place de la Liberté_ [190] genaamd, uit.

Het inwendig gedeelte van de oude stad, ziet 'er gansch niet bevallig

uit: de straten zijn 'er veelal naauw en krom, behalve die, welke _les

fosses des Salinières_, _de la Commune_ _etc._ genaamd wordt. Deze

zijn breed en met boomen beplant. Aan het Stadhuis, dat in dezelve

staat, is niets bijzonders te zien. Daar over is de halle of groote

markt. De nieuw aangelegde straten, die _le Cours Messidor_ en _le

Cours Thermidor_ genaamd worden, zijn ook fraai, regt, breed en

met boomen beplant, en het plein dat men _Place Nationale_ noemt,

is ruim en rondom regelmatig gebouwd. _Bordeaux_ bevalt mij dan wat

het plaatselijke aanbelangt, meêr dan _Marseille_, dat de eenigste

van de _Fransche_ steden is, die ik gezien heb, is, waarbij zij kan

vergeleken worden; hoewel de laatstgenoemde over het algemeen, niet

minder regelmatig bebouwd is. Ik zal u een nieuw plan van deze stad

trachten te doen toekomen; 'er zijn verscheidene nieuwe straten in

hetzelve geteekend, die men voornemens schijnt, om te maken; als dat

werk geheel voltooid is, en men in de oude stad ook wat verbeteringen

heeft gemaakt, zal _Bordeaux_ al een zeer fraaije stad zijn. Orde

en netheid heerschen hier ook meêr dan in zoo vele andere plaatsen,

die ik op deze reis gezien heb, en het is duidelijk te bemerken, dat

deze hier zoo wel als te _Marseille_ een gevolg zijn van den omgang

met vreemdelingen door den handel, en van de bloei en welvaart,

die deze aanbrengt.

's Avonds ging ik in den sedert de omwenteling nieuw opgerigten

Schouwburg, _le Théatre Français_ genaamd, staande niet ver van

de _place Nationale_. De bouworde beviel mij niet zeer, zijnde dit

gebouw, tusschen twee straten staande, zoo dat de voorgevel op den

hoek tusschen beide komt, van voren smal en van achteren breed; maar

zich naar de plaats moetende schikken, heeft men dit waarschijnlijk

niet wel anders kunnen maken. Van binnen is het met smaak gemaakt. De

schermen (_decorations_) waren ook zeer voldoende. Ik zag 'er een paar

kluchtjes, die men te _Parijs_ op het _Théatre de Montansier_ geeft,

eene Armant aapte daar in den befaamden Brunet [191] na. Men eindigde

met een _Pantomime à grand Spectacle_ [192]. De beste vertooners op

dit tooneel, waren niet meêr dan middelmatig, Bijna schuins over dezen

Schouwburg is een andere plaats voor het openbaar vermaak gebouwd en

de _Vauxhall_ genaamd; men geeft 'er bals, vuurwerken, enz. Door den

sterken regen was 'er heden niets van belang te doen.

Den 24 dezer ging ik mijne krediet- en aanbevelingsbrieven

overhandigen, en was verwonderd van deftige kooplieden in naauwe en

donkere straten, waar zij woonden, te moeten opzoeken; in een derzelven

_la rue de la Rousselle_ genaamd, en daar omstreeks, rook het al zeer

onaangenaam, door de menigte gedroogde labberdaan en andere visch,

alsmede kaas en olij, die daar bijna huis aan huis verkocht werd,

en waarmede geheele pakhuizen waren opgevuld. De uitwaseming van deze

waren schijnt echter niet ongezond, maar integendeel een behoedmiddel

tegen aanstekende ziektens te zijn; want men heeft meêr dan eens

opgemerkt, dat ten tijde dat 'er besmettelijke krankheden in deze

stad plaats hadden, deze wijk daar van bijzonder bevrijd bleef. Zoo

is alles, wat wij onaangenaam vinden, niet niet schadelijk, even zoo

min als alles wat aangenaam genoemd wordt, voor ons nuttig is.

Thans was het op de _Fosses des Salinieres_ zeer drok; men hield 'er

markt van oude kleederen en andere waren. Een soort van kwakzalver en

kwakzalveres, die ik daar zag, waren al zeer wonderlijk toegetakeld. De

vrouw in eene misselijke gegalonneerde Amazone kleeding, zat op

een klein paardje, aan beide kanten van het zadel hingen omtrent

een vijf en twintig gedroogde ratten, en op de kop van het paard,

zat een levendige sperwer. De man, die voor het paard staande, op den

trommel sloeg, zag 'er ook niet alleen wonderlijk in de kleederen uit,

maar had om den bol van zijn' hoed een' krans van overeind staande

gedroogde ratten; boven op dezelve eene gedroogde zeeschildpad, en daar

op de gedroogde muil van een' grooten visch, waarin eene opgezette

aap zat; en wat denkt gij dat die lieden te koop veilden?--Middelen

om ratten, muizen en wandluizen te verdrijven. Hunne vreemde opschik

trok een menigte volk, en zij bragten daar door van hunne waren, die

denkelijk niet veel beteekenden, nog al wat aan den man. Zoo draagt

de eene mensen een' krans van gedroogde ratten op het hoofd, en een

ander weder iets anders; alles met oogmerk, om met de dwaasheid van

het volk voordeel te doen. Nu zoo deze middelen tegen de ratten en

weegluizen niet veel baten, misschien schaden zij ook niet; doch ik

heb mij verwonderd, dat de Politie, die anders in _Frankrijk_ over het

algemeen vrij naauwkeurig en oplettend is, geen strenger maatregelen

gebruikt tegen die groote menigte kwakzalvers en marktdoctoren,

die zich met de geneeskunde bemoeijen, overal openlijk hunne gewaande

algemeene geneesmiddelen uitventen, en hunne kunsten zelfs met gedrukte

billetten bekend maken; als ook, dat men het trekken van horoskopen,

waarzeggen, in de hand kijken, kaart leggen, enz. niet belet. Dit

ziet men haast op alle plaatsen, en inzonderheid ook te _Parijs_,

openlijk langs de straten; en niet alleen het zoogenaamde gemeen,

maar zelfs zoogenaamde voorname of fatsoenelijke lieden, houden zich

daarmede bezig, en hij, die met verscheidene Godsdienst-stellingen den

spot drijft, slaat geloof aan de ellendige sprookjes van een oud wijf,

of de gewaande voorspellingen van een' Astrologist, die zich beter

verstaat op het beurzensnijden, dan op de sterrekunde.--En dit heeft

plaats onder deze, zich zoo bij uitnemendheid verlicht noemende,

_Franschen_, en die het ontegenzeggelijk ook wat de kunsten en

wetenschappen aangaat, al zeer ver brengen.

Wat verder stond een liedjeszanger, die 'er onder anderen een zong,

dat nog al aardig was. Over de tegenwoordige kleederdragten handelende,

kwam 'er in, dat, indien de broeken van de mans nog hooger werden,

men daar wel dra mouwen aan zou moeten zetten, en zoo de lijfjes van

de vrouwen nog korter moesten worden, zij weldra genoodzaakt zouden

worden, om de rokken over de schouderen te dragen. In diergelijke

aardigheden moet men bekennen, dat de _Franschen_ andere volkeren

aanmerkelijk overtreffen. Onder hunne volksliedjes zelfs van jaren

herwaards, zijn al zeer aardige en vol geestige trekken; 'er zijn

aanmerkelijke verzamelingen van gedrukt, en sommige dier werkjes

worden, wanneer zij op verkoopingen voorkomen, duur betaald.

De _St. Andréas_ of Hoofdkerk (_Eglise de St. Andrée_), is een groot

Gothisch gebouw, en pronkt met twee vrij hooge spitse torens, waarin

geen klokken hangen, aan den eenen kant. Aan den anderen schijnt men

'er ook twee te hebben willen maken, en op een van die begonnen torens,

hangen eenige klokken; deze kan dan eenigzins als een derde toren

worden aangemerkt, het geen aanleiding geeft tot eene nog al aardige

woordspeling: _l'Eglise de St. Andrée_, zegt men, _à trois clochers,

et deux cens (deux sans) cloches_ [193]. Die dit pas hoort en hier

onbekend is, verwondert zich niet weinig over zulk een groot aantal

klokken. Ik zelve was 'er ook mede bedrogen, en meende in het eerst,

dat het een klokkespel was, waarbij een meenigte kleine klokjes waren,

en dan zou het eene dubbele merkwaardigheid geweest zijn, want zoo

algemeen als de klokkespelen bij ons zijn, zoo zeldzaam treft men die

in _Frankrijk_ aan; en ik herinner mij niet van 'er op deze gansche

reis van _Parijs_ af [194] een gehoord te hebben. Inwendig zag ik

niets bijzonders in deze Kerk; men was bezig met dezelve op te maken;

'er lagen hier en daar verscheidene grooten roode marmeren kolommen,

naar ik vernam, waren zij afkomstig uit een in de omstreek afgeschaft

Klooster of Abdij, en moesten dienen, om deze Kerk mede te versieren.

Het voormalig Aartsbisschoppelijk Paleis staat digt bij deze Kerk,

en is een groot _modern_ gebouw, met een ruim voorhof (_basse cour_)

en ijzer hekwerk. Mij kwam het niet zeer merkwaardig voor. Bij het

afbreken van het oude paleis, dat een fraai Gothisch gebouw moet

geweest zijn, heeft men veel overblijfsels van een' ouden tempel

gevonden, welke deskundigen meenen, dat aan Jupiter toegewijd was,

zoo als stukken en brokken van geribde kolommen, kapiteelen volgens de

Corinthische bouworde, fraai gebeeldhouwd lijstwerk, _basreliefs_, enz.

De Aartsbisschoppelijke tuin, die vrij groot was, plagt ook voorheen

ten algemeene wandeling te verstrekken, en was zeer lommerrijk; doch

dat is ook al veranderd. Thans wordt dit Paleis door den Prefect

Charles de la Croix, voorheen _Fransche_ Minister in _den Haag_,

bewoond. En de tegenwoordige Aartsbisschop van _Bordeaux_ heeft een

andere woning.

De _St. Michiels_ Kerk verdient, om zijn Gothische bouworde bijzonder

gezien te worden. De toren staat ter zijde een eindje van de Kerk af,

op dezelve plagt een zeer hooge en fraaije spits te staan, (men zegt

dat zij hooger was dan die van _Straatsburg_) en dit ontzaggelijk

gevaarte werd in 1767 door een orkaan ter nedergeploft, het geen een

vreesselijken slag veroorzaakte; gelukkig echter is 'er niemand onder

verongelukt. De muren van het koor zijn zeer zigtbaar binnenwaarts

gebogen; men had 'er een dwarsbalk tusschen gezet, om ze te schragen,

zoo dat dit gebouw al vrij bouwvallig wordt.

Aan het bezigtigen der Kerken zijnde, ging ik verder van hier een lange

straat, zuid-oostwaards, door, tot aan de Kerk van het heilige kruis;

tot eene Abdij van dien naam behoord hebbende. Volgens de bouworde

van den voorgevel te oordeelen, schijnt zij zeer oud te zijn. De

toren was ook waarschijnlijk hooger. Inwendig was het nog al netjes

opgegnapt, doch merkwaardige schilderijen, beeldhouwwerk, zag ik

'er niet. Een levensgroot Christus beeld aan het kruis hangende,

trok echter mijn aandacht; men had het eene soort van zijden damasten

japon met groote gekleurde bloemen aangetrokken; ik had dat hier

en hier omstreeks al meêr gezien, doch deze door de sterke kleuren,

en in 't licht geplaatst, viel bijzonder in het oog. Voor iemand, die

daar niet aan gewoon is, maakt dit eene misselijke vertooning. Dat de

Roomschgezinden een kruis, en sommige andere beelden in hunne Kerken

plaatsen, kan ik als overeenkomstig met hunne leerstellingen, zeer wel

toegeven. En ik heb van hunne Kerken gezien, waar de beelden zoodanig

gemaakt, en op zulk eene wijze in geplaatst waren, dat zij daar door,

en door de verdere wel ingerigte versierselen, wezenlijk een deftig

aanzien hadden. Doch verstandige Geestelijken moesten mijns bedunkens

niet dulden, dat men door het plaatsen van gedrogtelijke poppen,

aanleiding gaf tot spotternij; hier onder behooren ook die gekroonde

met allerlei stoffen behangen, en wonderlijk opgeschikte lieve

vrouwenbeelden; immers deze beeldtenis is geheel niet overeenkomstig

de geschiedenis, maar behoorde eene aanminnige en teedere moeder, in

een zedig gewaad te verbeelden, en zulk een beeld natuurlijk gemaakt,

best van wit marmer of hout, het marmer na bootsende, moet ieder een

van welke Godsdienstige begrippen hij ook zijn moge, natuurlijker

wijze met genoegen zien. Vele anderzins redelijke en achtingwaardige

Roomsche Geestelijken, loopen diergelijke min of meêr aanstootelijke

ongerijmdheden, minder in het oog dan ons, omdat zij 'er van hunne

jeugd af aan gewoon zijn; maar ik ben verzekerd, dat, als zij 'er

bedaard en onpartijdig over denken, zij zullen moeten bekennen, dat ik

gelijk heb, en dat vooral onze eeuw zulke en diergelijke verbeteringen,

volstrekt noodzakelijk maakt. Gij ziet, Vriend! dat ik u mijne invallen

onder het schrijven of beschouwen getrouwelijk mededeel. Komt 'er

zoo al eens wat in voor, dat u van geen belang is, de vrijheid om

het ongelezen te laten, kan, noch wil ik u betwisten. Het geen de

Kerken aanbetreft, ditmaal voor afgehandeld houdende, zal ik van het

stuk van het ware kruis, (_Morceaux de la vraie croix_) dat in deze

laatstgenoemde Kerk vertoond wordt, niet spreken.

In de voorstad _St. Seurin_, ziet men nog de overblijfsels van het

oude Amphithéater van _Bordeaux_, verkeerdelijk _le Palais Gallien_

genaamd, omdat het onder de regering van dien Keizer, zoo men meent,

door Pivesuvius Tetricus, toen ter tijd Prefect van _Aquitania_, waar

van men meent, dat _Bordeaux_ de hoofdstad was, is opgerigt, omtrent

het midden van de derde eeuw der Christelijke jaartelling. Thans kan

men 'er de gedaante niet meêr van erkennen, en al wat 'er nog van

bestaat, is een klein gedeelte van den muur, die het omringde, en

waarin eenige boogsgewijze openingen (_portiques_); eenige vervallen

gewelven en een poort of hoofdingang, welke laatste wel het voornaamste

is van die merkwaardige oudheid; naar ik vernam, werd deze grond eenige

jaren geleden verkocht, en een groot gedeelte van de overblijfsels

van het Amphithéater weggebroken; deze verwoesting is echter door de

regering gestuit, en het verdere afbreken verboden. Ondertusschen zijn

'er eenige huizen in en tegen gebouwd, en deze met de vervallen muren

en puinhoopen misselijk door elkanderen staande, leveren niet anders

dan eene onbevallige vertooning op, en ik verwonderde mij zeer, dat

hier, waar men zich met het verfraaijen en verbeteren der stad veel

schijnt te bemoeijen, en waar de goede smaak ook niet moet ontbreken,

tot nog toe niet gezorgd is, om aan deze _Romeinsche_ overblijfsels

een bevalliger aanzien te geven; het geen niet moeijelijk zou zijn,

wanneer men 'er een' tuin van maakte, en naast deze oude muren eenige

Italiaansche populieren, cypressen- en accacia-boomen plantte; niet

langs de lijn of op eene stijve en regelmatige wijze, zoo als de

_Franschen_ gewoon zijn, maar als of zij door de natuur zelve daar

waren gesteld.

Dit Amphithéater, dat ook wel _les Arénes_ genaamd werd, diende

hoogstwaarschijnlijk tot hetzelfde gebruik als dat van _Nismes_; doch

het is niet als dit geheel van gehouwen steen, maar van gebakken en

kleine gehouwen steenen gebouwd; deze zijn laagsgewijze regelmatig op

elkanderen gesteld, en met een soort van kalk of cement bevestigd;

de gebakken steenen hebben eene andere gedaante dan die welke wij

gebruiken, en gelijken meêr naar onze roode vloertegels [195]. In

eene vorige heb ik reeds van dat soort van steenen gesproken, en

het schijnt, dat de inwoners van deze landstreek, te weten _le haut

Languedoc_ en _Gascogne_, nog deze wijze van de gebakken steenen te

vormen van de _Romeinen_ hebben behouden.

De straat van de plaats, aan het eind van de lanen van _Tourny_

tot bij het Amphithéater, is vrij breed, en genoegzaam lijnregt,

en wordt _rue Fondaudege_ genaamd; aan het eind van dezelve is men

digt bij de _Jardin public_.

Hoewel het middagmaal in mijne herberg wel beviel, ging ik heden

voor de verandering bij eenen zoogenaamden _restaurateur_ [196], die

men hier op dezelfde wijze als te _Parijs_ vindt, eten. De vertering

kwam al op hetzelfde, als aan de gemeene tafel in mijne herberg, uit.

's Avonds ging ik in het _Théatre de la Gaité_, waar Majeur mij door

zijn grappen nog al deed lagchen. Dat kleine Schouwburgje bevalt mij

wel, vooral omdat ik hier, moede gewandeld zijnde, kan uitrusten;

want men zit 'er in het _parterre_ even eens als te _Parijs_. De

prijs is zeer redelijk, en de vertooningen niet onaardig zijnde,

trekt dit Tooneel veel volk.

Den 25 dezer. In de herberg had men mij naar mijn paspoort gevraagd,

om hetzelve bij de politie te vertoonen, en het daar te laten

teekenen. De bediendens uit de herbergen zijn met de bezorging daar

van belast, men geeft hun die, en zij bezorgen dezelven, wanneer zij

ze niet verliezen, wederom. Ik verkoos zelf mede te gaan, en zou

zulks ieder reiziger aanraden; want meêr dan eens ben ik getuigen

geweest van de moeite en onaangenaamheden, welke men heeft, als men

zijn paspoort kwijt is. Men betaalt hier 5 _sols_ voor het teekenen,

het eerste geld, dat men 'er mij sedert _Parijs_ voor heeft afgenomen,

hoewel ik het betalen van deze kleinigheid, niet onredelijk vind,

daar men toch ten dienste van de vreemdelingen eenige onkosten moet

doen, maar dat men te _Parijs_ alleen voor de handteekening van den

Minister der Buitenlandsche Zaken, Talleyrand, dienende om die van

de Ambassadeurs te bewaarheden, £ 10-:-: moet neêrtellen, vindt ik

niet billijk, en vooral niet voor eene _Carte de Sureté_ [197] in

_Parijs_ zelve moetende dienen, omdat deze stad een groot deel van

zijn bestaan aan de vreemdelingen verschuldigd is. Men zegt, dat de

Ambassadeurs zich reeds meêr dan eens hier over bezwaard hebben, doch

te vergeefsch. Ik hoop, dat men toch bij ons wederzijds zal handelen.

De Beurs schijnt inwendig pas nieuw opgemaakt. Het plein, waar de

Kooplieden dagelijks verzamelen, is overdekt, en het licht valt 'er

van boven door eene zoogenaamde lantaarn; men klaagt dan ook, dat het

'er in den zomer zeer benaauwd zijn kan. Rondom aan den muur leest

men de namen van verscheidene landen, als _la Chine_, _l'Angleterre_,

_la Hollande_, enz. De Kooplieden zich bij deze teekens plaatsende,

vinden elkander daar door te gemakkelijker. Rondom de verzamelplaats

voor de Kooplieden is eene gaanderij, waarin veelerlei soorten van

winkels of kramen staan. Bij een prentenkoopman aldaar, zag ik eenige

plaatjes zoo zonderling geplaatst, dat ik niet wel denken kan, dat

zulks slechts bij geval was; boven eene afbeelding, waarop Lodewijk

de XVI. en zijne nabestaanden verbeeld werden, hingen de afbeeldingen

van de nieuwe Keizer en Keizerin, en daar bij een ander prentje met

een treurwilg, waar onder geschreven stond: _le saule pleureur_.

Boven deze gaanderij zijn eenige andere vertrekken, zoo als de

regtbank voor den koophandel (_Tribunal de Commerce_) wij zagen 'er

een _Engelsche_ prijs bij openbare veiling voor eene som van 36,000

_francs_ verkoopen; deze verkooping geschiedde bij het uitbranden

van de kaars [198], en werd door een trompetter aangekondigd. Achter

de beurs op de kaai staan doorgaans een menigte sleden, ieder met

twee ossen bespannen, waarmede hier de koopmanschappen in en uit de

pakhuizen gevoerd worden. Onder deze ossen vindt men 'er, die al vrij

groot zijn; genoegzaam alle zijn zij rood, en trekken met den kop,

de horens dikwijls zeer lang zijnde, worden aan den kant, waar zij met

de koppen tegen elkanderen zijn gespannen of gebonden, afgezaagd. Het

nommer van de slede hebben zij op een blikken plaatje voor den kop.

De groote Schouwburg, zoo als ik u reeds gezegd heb, in de wijk _du

Chapeau Rouge_, en niet ver van de beurs staande, is het meesterstuk

van bouwkunde van den vermaarden bouwmeester Louïs en wordt voor

een der fraaiste, grootste en prachtigste Schouwburgen van _Europa_

gehouden. Dit gebouw bevat een Tooneel- en een Concertzaal. De

voorgevel (_péristile_) bestaat uit twaalf Corinthische kolommen,

op de lijst boven ieder derzelven staat een beeld, zoo als gij op de

naauwkeurig geteekende afbeelding, die ik u zal doen toekomen, zult

zien. Ter zijde zijn gaanderijen, waar onder verscheidene kooplieden

en kramers hunne onderscheidene goederen in daartoe gemaakte kramen

of winkels uitstallen. Dit schoone gebouw is van gehouwen steen, staat

geheel op zich zelve, en maakt eene zeer fraaije vertooning. Inwendig

beantwoordt het ook zeer wel aan de verwachting, die men 'er zich

door het uitwendige van gemaakt heeft. Men in een ruim en prachtig

voorportaal, en hier bewondert men een' breeden en groots gebouwden

trap, waarmede men naar de gaanderijen, loges enz. gaat; het licht

valt hier op door een lantaarn in het dak gemaakt, en geeft aan dit

alles een luisterrijk aanzien; hoewel mij dunkt, dat terwijl onze

tooneelen tot nog toe, zoo wel zomers als 's winters door kaars- of

lamplicht verlicht worden, men beter zou doen, van alle de toegangen

tot hetzelve insgelijks door kaarsen of lampen te verlichten, om

daar door het treffend onderscheid tusschen het dag- en kaarslicht,

en de onaangenaame gewaarwording daar door bij het inkomen der

Schouwburgzaal veroorzaakt, zoo veel mogelijk te matigen. De plaats

voor de aanschouwers geschikt, heeft de gedaante van een cirkel,

van omtrent 60 voeten middellijns (_diameter_), omtrent het vierde

deel afgesneden door het Tooneel. Zij is door 12 op zich zelve

staande kolommen van gemengde order (_l'ordre composite_) omringd. De

tweede en derde loges als _balcons_ tusschen deze kolommen gemaakt,

bevielen mij niet, omdat men uit die, welke bij het tooneel zijn, niet

goed moet kunnen zien, en omdat 'er door deze inrigting veel plaats

verloren gaat. Het platfond is fraai geschilderd [199], ik meen door

Robin. De geheele zaal is met smaak versierd en verguld; doch naar de

uitwendige gedaante te oordeelen, had ik haar nog grooter verwacht; men

verzekerde mij, dat 'er niet meêr dan 2200 aanschouwers in geplaatst

kunnen worden. In het _parterre_ kan men ook niet zitten; men betaalt

in hetzelve en op de bovenste galerij £ 1-2-: en voor de plaatsen in

het orchest de eerste galerij enz. £ 3-6-:--Het was 'er heden zeer

vol; want Talma en zijne vrouw speelden 'er in _Henry VIII. ou la mort

d'Anne Bouleyn_, Treurspel van Chenier, hoewel het beste niet, dat hij

gemaakt heeft. De kleeding van Madame Talma was ook zeer naauwkeurig,

waaromtrent de _Fransche_ Actrices anders dikwijls zondigen, vooral

als de kleeding, zoo als zij in het stuk te pas komt, niet bevallig

genoeg naar haar zin is. Dit Treurspel werd over het algemeen vrij

goed gespeeld, en Talma en zijne vrouw zeer sterk toegejuicht; doch

het geraas, dat 'er door het vreesselijk gedrang in het _parterre_

plaats had, was dikwijls hinderlijk. Ik had mij daar ook geplaatst,

maar was 'er gansch niet op mijn gemak. Na het Treurspel vertoonde

men 'er een stukje van Alexander Duval, genaamd _Shakespeare amoureux

ou la pièce à l'etude_. In dit blijspel, waarin maar drie vertooners

voorkomen, speelt Talma, die anders niet dan in het Treurspel voorkomt,

de hoofdrol, en verdient ook daar in wel gezien te worden [200];

Madame Talma, en een _Bordeauxsche_ Actrice voldeden ook wel.

Reize door Frankrijk In gemeenzame brieven, door Adriaan van der Willigen aan den uitgever · 第 27 / 56 题