_Bordeaux, 23 September._
Gisteren omtrent den middag zijn wij in deze stad, vooral door den
Koophandel bij ons zoo algemeen bekend, aangekomen. Geene gelegenheid
gehad hebbende, om onder weg een brief aan u aftezenden, bekomt gij
hier bij het vervolg van mijn dagverhaal.
Den 17 dezer vertrokken wij 's morgens om 7 uren van _Bagnères_, met
den gewonen postwagen van _Tarbes_. Het was tijd, dat wij heen gingen,
want het had den ganschen nacht aanhoudend geregend, en deed zulks
nog zeer sterk, en als het hier daar mede in dit jaargetij begint,
kan men rekenen, dat het aangename weder genoegzaam voorbij is.
Het was ruim tien uren, toen wij te _Tarbes_ aankwamen, en hier
moesten wij tot den volgenden morgen blijven, om met den postwagen van
_Bayonne_ naar _Toulouse_, tot _Auch_ te rijden. De postmeester alhier,
aan wien wij van _Bagnères_ geschreven hadden, had voor de plaatsen
(ingeval zij 'er waren) gezorgd, en zelfs ook de vriendelijkheid gehad,
van naar _Auch_ te schrijven, om ze van daar op _Agen_ voor ons te
bestellen. Deze is wel de hupschte en vriendelijkste postmeester,
dien ik immer ontmoet heb [178]; ik had zulks reeds in het heengaan
ondervonden, en werd 'er nu nog volkomener van overtuigd. Alle
reizigers, die hier bekend waren, spraken met lof over hem; zijn naam
is Pauillac. Ik stel denzelven hier met een dankbaar gevoel ter neder,
en wenschte hem aan alle redelijke reizigers, die hier heen mogten
komen, te kunnen doen opteekenen.
De aanhoudende regen maakte, dat wij hier weinig wandelen konden;
gelukkig hadden wij een vrij goede herberg, dezelfde, waar wij in
't heen gaan geweest waren.
Bij ons heeft men veel de slordige gewoonte van op de glasruiten der
herbergen te schrijven, in _Frankrijk_ ziet men dat bijna niet; doch
men vindt 'er dikwijls de muren beklad; in de spijszaal alhier las
ik onder anderen eenige laffe spotternijen tegen den nieuwen Keizer
en Keizerin, en een _Engelsch_ versje, dat hier toen al heel aardig
te pas kwam, waarom ik het u mededeel:
"Of eartly goods the best is a good wife.
A bad the bitterest curse of human life." [179]
Een vrouw, die ook tot ons reisgezelschap behoorde, en in 't geheel
geen gemakkelijk peuzeltje scheen te zijn, deze regels ziende, vroeg
mij, of ik die taal verstond, en geantwoord hebbende, dat ik 'er
althans genoeg van wist om haar dit getrouwelijk te kunnen overzetten,
verzocht zij mij het te doen. Ik liet mij niet bidden, en het scheen,
of zij zelve de toepassing maakte; want spijtig glimlagchende ging zij
heen, en bemoeide zich niet meêr met het geen op den wand geschreven
stond.
Hoe zeer die beekjes van helder water, welke hier aanhoudend door de
straten vlieten, eene frissche doorspoeling geven, moet het toch ook
in de huizen, die veelal laag zijn, vrij wat vochtigheid veroorzaken.
Den 18 dezer 's morgens om vier uren vertrokken wij van hier. Op de
hoogten, voor dat men te _Meillan_ komt, wandelende, vermaakte ik
mij nog eens met het genot van dat schoone gezigt, en zeî met een
soort van aandoening, de hooge _Pyreneën_ (_les hautes Pyrenées_)
welk Departement men hier omstreeks verlaat, vaarwel.
Van _Auch_ behoef ik u niets meer te zeggen, dan dat het zich van
dezen kant Amphithéaters-gewijze liggende, zeer aardig vertoont. Bij
Alexander _den Dikken_ vonden wij weder een zeer goed avondmaal en
goed gezelschap; onder de personen die met ons van _Tarbes_ gekomen
waren, en naar _Toulouse_ gingen, bevonden zich twee juffrouwtjes,
van _Bagnères_ komende, die zich tot nu toe bijzonder zedig gedragen
hadden, doch hier wat gemeenzamer wordende, vernamen wij, dat zij te
_Bordeaux_ t'huis hoorden, en konden haar bedrijf ligtelijk gissen. Ik
geloof niet, dat 'er een volk bestaat, dat zich onder den schijn van
wellevendheid, door kleeding enz. beter weet te vermommen, dan de
_Franschen_, vooral die van _Parijs_ en de voorname steden.
Den 19 dezer 's morgens om 4 uren vertrokken wij met den gewonen
postwagen van hier op _Agen_. De landstreek scheen vrij vruchtbaar, de
weg was goed, en door de verscheidenheid van gezigten, buitenverblijven
(_Castels_), groote boerenhoeven (_méteries_) enz. gansch niet
onaangenaam. De Turksche tarw (_Maioc_) was nu gesneden, en men was
druk bezig met ploegen.
_Fleurance_, een stadje, waar wij doorkwamen, ziet 'er ongemeen slordig
uit. Ik liep eens heen en weder in de Kerk, die niet eens bevloerd
was, wij zagen hier meer ganzen en varkens dan menschen. Wolweverij
scheen een voornaam bedrijf der ingezetenen te zijn. 'Er was ook,
zoo als op de meeste plaatsen in deze landstreek, eene overdekte
marktplaats. Langs een bosch van hakhout en jonge heesters, en vele
weilanden met vee, kwamen wij te _Lectoure_, 4 posten van _Auch_, op
eene aanzienelijke hoogte, langs welker voet de weg loopt, gelegen;
zoo dat dit stadje van daar geene onaardige vertooning maakt. Even
buiten hetzelve hield de wagen stil, om het middagmaal te houden,
het was omtrent 10 uren, en de Conducteur zeide, dat wij hier tot
omtrent 1 uur blijven moesten, omdat, deze wagen niet van paarden
verwisselende, dezelve wat moesten rusten. Wij klommen dan langs een'
vrij steilen weg in de stad; zij bestaat meest in een regte straat,
waarin eenige gnappe huizen. In de Hoofdkerk, die aan het eind staat,
en waar naast het voormalige Bisdom is, zag ik niets bijzonders,
doch van het _terras_ achter dezelve, waarop eenige boompjes staan
te kwijnen, heeft men zeer een fraai en uitgebreid gezigt, tot
tegen de hooge _Pyreneën_. Aan het andere eind van de straat staat
een schoon gebouw. Het is een Gasthuis, door een achtingwaardigen
Bisschop, genaamd Narbonne-Pellet, gesticht. Niet alleen kranken en
afgeleefde lieden worden daar in verzorgd, maar men verschaft 'er
ook werk aan behoeftigen, die nog in staat zijn, om te arbeiden. Een
ruime plaats, met boomen beplant, en een fraai ijzerhek 'er voor,
geeft een vrolijk aanzien aan dit weldadig gesticht, dat nog niet
oud schijnt te zijn. Het is gebouwd op de puinhoopen van het in de
oude geschiedenissen zeer bekende Kasteel. Men moet van daar ook
een verrukkelijk gezigt hebben. Het stadje zelve ziet 'er doodsch
en naar uit. De verteringen van den Bisschop en zijn Kapittel, gaven
'er voorheen nog al eenig vertier, dat nu ook ophoudt. Voorheen was
_Lectoure_ zeer sterk, en met een dubbelen rij muren omgeven, waarvan
men nog eenige vervallen overblijfsels ziet. Het getal der ingezetenen
wordt op ruim 5500 geschat, en 'er is eene Onderprefecture. Eenige
opschriften van den tijd der _Romeinen_, welke hier nog bestaan,
bewijzen de oudheid van deze stad. In het dal, onder dezelve, stroomt
het riviertje _le Gers_, en brengt zeer veel toe tot de vruchtbaarheid
van hetzelve. Om de stad zijn eenige leêrlooierijen. Men zeide mij,
dat dit hier een voornaam bedrijf was.
In onze herberg terug komende, vond ik in de kamer, die men ons had
aangewezen, eene bejaarde Dame, met welke wij van _Auch_ gekomen waren,
de houding van eene slapende Venus willende nabootsen, uitgestrekt
op een bed; kwanswijs wakker wordende, toen ik in kwam, bleef zij
echter liggen.... Deze oude coquette was over _Noord-Amerika_ uit
_St. Domingo_ gekomen, en ging naar _Parijs_, waar zij t'huis hoorde,
en waar zij onder die soort van vrouwen, welke men 'er in zulk een
groote menigte vindt, zekerlijk eene eerste plaats verdient. Een
kwinkslag, dien men aan Cicero toekent, toen hij van eene vrouw
van 50 jaren, die voorgaf maar 20 te zijn, sprekende, zeide:
"men moet haar wel gelooven, terwijl zij het reeds sedert 30 jaren
zegt." Dezen kwinkslag, zeg ik, kon men hier ook zeer gevoegelijk
te pas brengen. Hoe belagchelijk het gedrag van zulke vrouwen ook
zijn moge, heeft hetzelve nogthans in het oog van den naauwkeurigen
opmerker niets verwonderlijks. Trek om te behagen is bijna de eenigste
bedoeling, en de drijfveer van genoegzaam alle de werkzaamheden,
bij de zoogenaamde vrouwen _du bon ton_: van hare kindschheid af,
houden zij zich daar mede bijna alleen bezig. Zelfs door het huwelijk
wordt deze bezigheid in plaats van zich te bepalen, veel sterker. Eene
_Parijsche_, of naar de _Parijsche_ mode levende vrouw, is dan meêr
vrij en ongedwongen. Voor het huishouden (ik spreek hier nog maar van
zoogenaamde voorname en zelfs mindere burgerlieden) heeft zij hare
_bonne_ [180], en de kinderen worden, zoo dra zij ter wereld komen, op
het land te minne gezonden. Zelfs zij, die een winkel hebben, ziet men
daar in gekapt, geblanket, en opgeschikt zitten. Wat zullen nu deze
menschen doen als zij oud worden; zij hebben die plooi aangenomen,
genoegzaam niets anders geleerd, en zijn onbekend met wezenlijker,
en hare jaren meêr voegende genietingen. Deze verkeerde handelwijze
komt dan ook bij allen niet voort uit eene onkuische drift, maar is
bij velen het gevolg van een dwaze hebbelijkheid [181].
Onze overige reisgenooten moet ik u toch ook leeren kennen; behalve
de genoemde Dame, waren 'er op den wagen, een gekwetst officier van
_St. Domingo_ met zijn knecht en papegaai; een voormalige _Chevalier
de St. Louis_, en een _Gasconjer_, die als jager onder het _Fransche_
leger in _Egypte_ gediend had, en die zeer Republikeinschgezind scheen;
en onder anderen zeide: "Hoewel de Republiek niet meêr bestaat,
'er bestaan toch nog Republikeinen." De anderen waren het altijd
niet met hem eens; en dit een en ander leverde voor mij een niet
onvermakelijk gesprek op.
Het middagmaal was naauwelijks redelijk, de _Gasconjer_ bezorgde 'er
ons de koffij nog bij, om het wat te vergoeden. De soepen, die men in
deze landstreek eet, zijn doorgaans zoo dik door het brood, dat men ze
bijna met een vork eten kan. Van knoflook houdt men veel. Spottender
wijze wordt die dan ook wel _Truffes de la Gascogne_ genoemd.
Daar 'er veel te klimmen was, verkozen wij een eind weegs te voet te
gaan. De landstreek is aangenaam, en schijnt zeer vruchtbaar. Overal
hier omstreeks ziet men veel tam gevogelte, zoo als ganzen, kalkoenen,
hoenderen enz. Door de menigte weilanden is 'er het rundvee ook
overvloedig. Men teelt 'er zeer veel hennip. Wij ontmoetten een
aantal menschen, die van de kermis van _Agen_ kwamen. Het steedje
_Astaffort_ [182], dat 'er nog al gnap uitziet, en aangenaam gelegen
is, door zijnde, komt men over een steenen brug over het riviertje
_le Gers_, en omtrent een paar uren verder wordt men _de Garonne_
overgezet met den postwagen: het geen zeer onhandig in zijn werk
gaat. De wagen moest uitgespannen, en door menschen in de schuit
gewerkt worden, en hoewel 'er de rivier omtrent half zoo breed was,
naar het mij toescheen, als de _Maas_ voor _Rotterdam_, was men
met dat overzetten bijna een uur bezig. Mij verveelde het niet,
want wij hadden ons met een klein schuitje laten overroeijen, en
zaten aan den anderen kant te wachten; het was daar zeer drok door
de menigte karren, menschen te voet en te paard, vee, enz. die van
de kermis of jaarmarkt van _Agen_ kwamen. Altijd door een aangename
landstreek rijdende, kwamen wij ruim 7 uren des avonds in die stad,
liggende nog omtrent 1 1/2 uur van het opgemelde veer, aan. _Agen_
is van _Lectoure_ 4 1/2, en dus van _Auch_ 8 1/2 post.
Gelukkig hadden wij adres aan een herberg; anders zouden wij geene
bedden, door de kermis drokte, hebben kunnen krijgen; nu bezorgde
de hospes ons die in een burgerhuis, waar wij zeer zindelijk en
wel waren. Om goede herbergen te hebben, en niet duur te zijn, moet
men trachten, om aanbevelingen te hebben van reizende Kooplieden,
die van tijd tot tijd zulk een togt doende, hunne vaste herbergen
houden. Men wordt dan ook voor een reizend Koopman (_Voyageur de
Commerce_) aangezien, als een vaste klant behandeld, en alzoo minder
gekneveld. Althans heb ik mij daar dikwijls wel bij bevonden. Wij aten
's avonds in een ruime en gnappe zaal, aan eene tafel, die rondom
in dezelve stond, en waar aan wel 50 menschen zaten, en deden een
goeden maaltijd. Hoewel het kermis was, had men hier weinig openbare
vermaken, 'er was geen schouwspel, geen danspartijen, noch diergelijke;
en de handel scheen meêr het oogmerk van deze jaarmarkt te zijn,
dan het vermaak. _Agen_ is de hoofdstad van het Departement _du Lot
et Garonne_, en bevat een groote 10,000 inwoners. Voorheen was het
de hoofdplaats van het landschap _Agénois_. Van de overblijfsels,
die hare oudheid plagten aan te toonen, is thans weinig of niets
meêr overig. Aan de _Garonne_ gelegen, drijft zij veel handel in de
voortbrengsels van deze landstreek, vooral ook in wijnen en brandewijn,
die het omliggende land veel oplevert; de wijnen zijn veelal zwaar,
en worden grootendeels naar _Bordeaux_ gezonden; alwaar zij zuiver
of gemengd, voor ons, of voor _Engeland_, worden ingescheept. De
hennip is ook een aanzienlijke tak van handel. Men heeft hier ook
eenige Fabrieken van sergies, die men _Serges d'Agen_ noemt, van
zeildoek en van eene soort van linnen, dat ook van hennip gemaakt,
en veel naar _Spanje_ verzonden wordt.
De moord en vervolging der Protestanten is hier ook
allerverschrikkelijkst geweest. De beroemde Josephus Julius Scaliger,
die hier in 1540 geboren werd, en in 1609 te _Leijden_, waar hij
gedurende 16 jaren Hoogleeraar was, stierf, heeft deze bloedige
gebeurtenis omstandig aangeteekend.
Den 20 dezer vroeg opstaande, begon ik met de schoone gemeene wandeling
of _Cours_, die digt bij ons verblijf was, te bezigtigen. Het is
de schoonste, die ik tot hier toe in _Frankrijk_ gezien heb, om de
lommerrijke beplanting met verscheidene rijen boomen, breede lanen,
en bijzonder de aangename ligging aan de _Garonne_, waar over men
een bekoorlijk gezigt heeft. In de stad zag ik niets bijzonders. 'Er
is een groote overdekte halle, en rondom waren verscheidene winkels
en kramen; op het ruim van de markt, werden ook velerlei soort van
goederen verkocht; doch eigenlijk scheen het niet meêr dan het geen
men bij ons een groote boeren kermis noemt.
Onze reisgezellen, de verminkte offiçier en de oude ridder, die
verpligt waren geweest, om den nacht op stoelen door te brengen,
hadden intusschen vernomen, dat 'er een schuit gereed lag, om de
rivier af te varen tot _Bordeaux_, en sloegen ons voor, om, van
die gelegenheid gebruik te maken. Wij besloten hier toe geredelijk,
daar hier toch niet veel meêr te zien scheen, en na raad gehouden
te hebben, ging men om voorraad van spijs en drank uit, en stapte
omtrent den middag aan boord.
Onze herberg aanbeveling verdienende, geef ik u het adres op, men
kan niet weten waar zulks te pas kan komen; het is _A l'Hotèl des
Ambassadeurs, sur les allées du Gravier, chez_ Taverne. De vader
van die Taverne is ook als een groot man, in zijn vak beroemd;
hij was de uitvinder van een beroemd soort van pasteijen, die men
_Terrines de Nerac_ [183] noemt, en die hij zelf nog, tot _Parijs_
en verder verzendt.
Onze eerste schuit met banken en een tent 'er over, zou geschikt
genoeg geweest zijn; doch wij werden met dezelve aan een andere,
en grootere, en vol vaten en andere koopmanschappen geladen, die een
half uur verder lag, gebragt; en hier schenen wij juist niet zeer op
ons gemak te zullen zijn, doch toen ieder zich zoo goed mogelijk een
zit- of legplaats onder het uitgespreide zeil of tent, gemaakt had,
schikte zich dat nog al redelijk. Nu men betaalde ook met de _bagage_
'er onder begrepen, maar £ 6-:-: de persoon tot _Bordeaux_. Wij waren,
behalve den schipper en zijn knechts, met 8 à 9 personen. Op een
soort van dijk, aan den oever, zag ik verscheiden menschen, door een'
trommelslager en fluiter voorafgegaan: het was eene bruid en bruidegom,
die naar 's Lands gebruik op deze wijze, door hunne dorpgenooten en
vrienden werden begeleid. De vrouwen van deze streek, en bijzonder
van _Agen_, zijn wegens hare schoonheid en bevalligheid beroemd;
sommige Schrijvers en Dichters maken daar melding van. Ik heb dan
ook nog al met aandacht rond gekeken, doch 'er geene bijzondere
schoonheden gevonden; hoewel ik moet bekennen, dat 'er de menschen
hier in 't algemeen veel beter uitzien dan in de hooge _Pyreneën_.
Onze schuit was meest geladen met brandewijn en gedroogde pruimen. De
pruimen van _Agen_ hebben een zekeren roem, en worden ook veel naar
ons Vaderland verzonden.
De boorden van de _Garonne_ leveren hier en daar vrij aangename
gezigten op. Wij voeren de plaatsjes _Port St, Marie_ en _Aiguillon_,
beide aan den regter oever gelegen, voorbij. Het laatstgenoemde
steedje, dat ook handel drijft in hennip, koorn, wijn en brandewijn,
had voorheen een sterk kasteel, in de geschiedenissen bekend. Men wil,
dat de eerste maal dat men zich van geschut (_canon_) bedient heeft,
is geweest in de belegering van _Aiguillon_, welke belegering plaats
had in de 14e eeuw. De belegerden hielden het 14 maanden uit, tegen
Jan, Hertog van _Normandiën_, daar na Koning van _Frankrijk_. Bij
dit steedje, voorheen een Hertogdom, loopt de rivier de _Lot_ in
de _Garonne_.
Wij ontmoetten een menigte schuiten, die door menschen, in het lijntje
loopende, tegen den stroom werden opgetrokken. Die lieden maakten een
aanhoudend geschreeuw. Onze schipper zeide, dat dit ter aanmoediging
diende; men zou zeggen, dat het veel eer vermoeijende moest zijn. Onze
schuit was zoo zwaar geladen, dat wij naauwelijks 1 1/2 voet boord
hadden; en daar de rivier, hier en daar vrij ondiep is, sleepten wij
somtijds over den grond, het geen men door het geraas en gestoot
gewaar werd. Deze schuiten moeten van onderen wel voorzien zijn,
om daar tegen te kunnen. Tegen den avond vloog 'er zoo veel haft,
dat het scheen als of 'er een nevel over het water hing. Zij kwamen
in menigte op onze hoeden, kleederen enz. De maan scheen helder,
het was stil, en alzoo daar wij met den stroom afzakten, op het
water alleraangenaamst. Op een zandplaat, daar wij voorbij kwamen,
waren zeer veel watersneppen.
Omstreeks half negen kwamen wij te _Tonneins_, een stadje mede aan
den regter oever gelegen, waar wij zouden vernachten. Men begroot de
aftand tusschen deze plaats en _Agen_, op omtrent 5 uren. Terwijl
men het avondmaal gereed maakte, liepen wij in de maneschijn het
steedje eens door. Het schijnt in de lengte vrij uitgestrekt; iets
der moeite waardig om op te teekenen, zag ik 'er niet. In den omtrek
van _Tonneins_ wordt veel tabak geteeld, die men in de stad bereidt.
Het avondmaal was nog al wel, doch een van onze reisgenooten werd door
de weegluizen ten bedde uitgejaagd. Naar men mij verhaalde, is men
'er hier in de huizen, waar veel tabak behandeld of geborgen wordt,
genoegzaam niet mede gekweld [184].
Den 21 dezer vertrokken wij 's morgens om 3 uren van hier, latende 'er
onzen onvriendelijken schipper. Na een paar kleine plaatsjes voorbij
gevaren te hebben, kwamen wij omstreeks zeven uren te _Marmande_,
een stadje van omtrent 5800 inwoners, aan den regter oever gelegen;
het is nog al handeldrijvende. Eenigen van ons stapten hier aan wal,
om levensmiddelen te koopen. Verder op voeren wij door een enge vaart,
veroorzaakt door een eiland in de rivier gelegen, en aangenaam met
wilgen beplant. Eer men aan _la Réole_ komt, begint het Departement
_de la Gironde_. Dit laatstgenoemde stadje is aan den regter
oever, gelegen, en doet zich aangenaam op. In de religie-oorlogen
versterkten de Protestanten zich in deze plaats. Aan den kant van de
rivier ziet men een groot aanzienlijk gebouw, voor de omwenteling een
_Benedictijner_ Abdij, thans het verblijf van de _Sousprefecture_, Op
een' kleinen afstand, ter zijde van hetzelve, staan twee oude torens;
men wist 'er mij den oorsprong niet van te zeggen. Even onder _la
Réole_, wordt de _Garonne_ sterker, door twee kleine riviertjes, die
'er in uitloopen. Te _St. Macaire_, een steedje, dat insgelijks aan
den regter oever een paar uren verder gelegen is, ziet men ook een
_Karmeliten_ Klooster; en niet ver van daar de overblijfsels van een
oud kasteel. Een weinig verder aan de linker oever ligt het steedje
_Langon_, wiens witte wijn eenigen roem heeft. Hier begint de eb en
vloed, en daar wij het vallend water moesten afwachten, gingen wij
intusschen aan wal, om het avondmaal te nemen. Het was omtrent half
zes uren; wij liepen dan, terwijl het dag was het plaatsje nog eens
rond, doch zagen 'er niets bijzonders. Op het uithangbord van onze
herberg stond _à l'Empereur de France_. Een van onze reisgenooten
vroeg aan de waardin, of zij ook bijzondere reden had, om dit
op haar uithangbord te zetten, voegende daar bij, dat terwijl de
staatkundige denkwijzen in _Frankrijk_ nog zeer verschillende waren,
zulk een opschrift somtijds nadeelig kon zijn aan de nering. De vrouw,
waarschijnlijk de gegrondheid van deze aanmerking voelende, wist
hier niet veel tegen intebrengen. Wij hadden 'er een goed avondmaal,
waar onder zeer smakelijke riviervisch. Na ons van eenige bossen stroo
voorzien te hebben, gingen wij ten 9 uren 's avonds weder scheep. Wij
waren nu omtrent nog 8 uren van _Bordeaux_. Voorbij het stadje
_Cadillac_, en nog eenige kleine plaatsjes varende, terwijl wij van
tijd tot tijd mooije maneschijngezigtjes hadden, bevonden wij ons 's
morgens, den 22 dezer, toen ik wakker werd, voor een plaatsje genaamd
_Begle_. Hier moesten wij het vallend water weder afwachten, en stapten
intusschen aan wal, daar wij ons wat te ontbijten lieten geven. Ik
proefde daar ook nieuwen wijn, doch het scheelt veel, dat zij den
zoeten en aangenamen smaak heeft als bij ons de most. De _Franschen_
behandelen hun' wijn op eene geheel andere wijze, en laten dien, naar
men mij verhaalde, zoo dra zij geperst is, gisten, zonder 'er zwavel
op te doen; hier door krijgt zij dan al spoedig een rinsen smaak;
en behalve de muscaat en dergelijke, errinner ik mij niet van zoete
witte wijnen in _Frankrijk_ aangetroffen te hebben. Men gaf ons, om te
ontbijten, onder anderen, gestoofden karper, op eene wijze die men in
_Frankrijk_ _à la Matelotte_ noemt, gereed gemaakt. Onze landslieden
aan een boterham en een kopje thee of koffij gewoon, zou dit vreemd
voorkomen; doch reizende gewendt men aan zoo vele vreemdigheden, en
ik at met veel smaak van dit geregt. Dit plaatsje is aangenaam aan
den linker oever van de _Garonne_, die hier al een gnappe rivier is,
gelegen. Na wat heen en weder gewandeld te hebben, staken wij om 9
1/2 uren af, en hadden nu hoop, om tegen den middag te _Bordeaux_
te zijn. Niet ver van hier voeren wij al voorbij een zeescheepje,
zijnde een kotter, die daar op stroom lag. De rivier levert hier een
schoon gezigt op, en door de beweging der vaartuigen op dezelve, en
door de fraaije buitenplaatsen en lusthuizen, die men aan de oevers
van dezelve ziet. Na omtrent een paar uurtjes gevaren te hebben,
kregen wij _Bordeaux_ in het gezigt. De ligging van die stad, van
hier te zien, is zeer schoon en schilderachtig. Hare kaai en schoone
gebouwen vertoonen zich als een halve cirkel; voor dezelve ligt de
rivier zoo vol schepen, dat men hier en daar naauwelijks door de masten
en touwen heen zien kan. Aan de oevers ziet men scheepstimmerwerven,
waar verscheidene schepen op stapel stonden. Buitenplaatsen en tuinen,
alles kondigt eene welvarende handelstad aan. Deze schilderij is vooral
treffende voor een' _Hollander_;--men verbeeldt zich _Amsterdam_,
_Rotterdam_, of _Dordt_ te naderen.--ô mijn Vaderland! wanneer zal
die bloeijende staat, waarin ik u in mijne vroege jeugd gekend heb,
eens wederkomen?--Of zijt gij voor mij, zoo wel als die jaren, voor
altijd verloren.--Is die aloude deugd, die edele; standvastige
en stoutmoedige aard, gepaard met kloek beleid en weêrgaloze
Vaderlandsliefde, waar door wij schier wonderen verrigt hebben,
dan ten eenenmaal van onder ons geweken?--Is het vuur der vrijheid
en onafhankelijkheid dan ganschelijk uitgedoofd--Helaas!...
Het was omtrent half een na den middag, toen wij alhier aan wal
stapten, na over verscheidene schuiten heen geklommen te zijn, want
met de onze konden wij niet tot aan de kaai komen. De wind heden
tegen hebbende, zoo dat men gedurig moest roeijen, had dit de reis
op het laatst wat vertraagd.
Hoewel de boorden van de _Garonne_ over het algemeen die aangename
verscheidenheid van schilderachtige gezigten niet opleveren, dan die
van de _Saone_ en de _Rhone_, had ik echter deze reis ook met genoegen
gedaan, en voor zoo veel ik heb kunnen nagaan, moet zij over land
niet aangenamer zijn; doch men zou een geschikter en gemakkelijker
vaartuig kunnen hebben.
De plaats, waar wij aankwamen, was bijna voor het Tolhuis, (_Hotèl
de la Douane_) dat een schoon gebouw is. Onze koffers werden door
een' Tolbediende bekeken; hij vroeg, waar wij van daan kwamen, doch
doorzocht niets. Een drager (met welke lieden ik altijd te voren beding
maak) nam dan het mijne, 130 lb wegende op zijn rug, en droeg het naar
het _Hotèl des sept freres Maçons, rue de l'Intendance_, waar ik mijn
intrek nam, en bedong eene vrij goede kamer op de tweede verdieping,
met twee bedden voor £ 3-:-: daags. Het middagmaal aan de gemeene
tafel, kostte hier £ 3-10-: voor ieder persoon.
Volgens gewoonte de stad eens doorgeloopen hebbende, ging ik 's avonds
in een kleinen Schouwburg, nog maar onlangs in een zeer zoeten smaak
gebouwd, ter zijde van de gemeene wandeling, die men _les Allées de
Tourny_ noemt. Men speelt 'er kleine stukjes _Comedies Vaudevilles_
[185] genaamd. De dekoratien waren zeer lief, en de vertooners, meestal
jongelieden, speelden vrij wel; vooral eene Majeur, die de grappige
(_comique_) rollen speelde. Onder de vrouwen waren 'er ook eenige,
die 'er niet onaardig uitzagen; en men betaalt hier in het _parterre_
niet meêr dan 10 _sols_. Dit Schouwburgje wordt _le Théatre de la
Gaité_ genaamd. Digt bij dit Théater, over de laan van _Tourny_,
is een zeer fraai koffijhuis met eene _colonnade_, doch men deed
'er voor het ijs (_les glaces_) 18 _sols_ betalen.