_Bagnères, 16 September._
Gisteren morgen ging ik weder zeer vroegtijdig de bergen hier rondom
bestijgen, en na braaf wat geklauterd hebben, in een hutje, tusschen
heuvelen en boschjes aangenaam gelegen, en met wier bewoners ik reeds
kennis gemaakt had, melk tot mijn ontbijt gebruiken. Wij vonden
den boer digt bij zijn woning bezig op den akker; zijn vrouw was
naar de markt te _Bagnères_, en de kinderen met een paar koeitjes
en eenige geiten in de bergen. Wij traden binnen, en hier werd een
groote aardewerksche kom met versche melk voorgezet. Ieder kreeg een
kleiner kommetje en een hout lepeltje; de huisvader zat met ons aan,
deelde melk en brood uit, en zoo deden wij een eenvoudig landelijk
ontbijt. Onze gastheer was zeer spraakzaam, en ik kon hem vrij wel
verstaan; doch merkte op, dat hij de B voor V en de V voor B uitsprak,
zeggende _bache_ voor _vache_ (een koe) en _voire_ voor _boire_
(drinken) enz. Deze verkeerde uitspraak schijnt hier omstreeks vrij
algemeen te zijn. De gemeenzame wijze, waarop hij met ons omging,
beviel mij bijzonder; geen de minste verlegenheid, geen muts af,
hij behandelde ons niet anders dan zijne medemenschen, en had eene
soort van gulheid en rondheid in zijn wijze van doen en spreken,
die mij zeer vermaakte [173]. Wij spraken over zijne huishouding,
over den landbouw, en ik raadde hem, om niet alleen maïs en rog,
maar ook boekweit te zaaijen; en daar de grond het minst steenachtig
is, aardappelen te zetten, omdat veeltijds door het weder of andere
toevallen, het eene wel uitvalt, terwijl het andere mislukt. Hij nam
dezen raad in dank aan, en scheen voornemens, om dien te volgen.
Aan den anderen kant of oostzijde van _Bagnères_, als men de _Adour_
over een steenen brug overgegaan is, heeft men op de hoogte ook
aangename wandelingen en gezigten; een aantal castanjeboomen op
en tegen een heuvel gelegen, maken daar een lommerrijk boschje;
aan de voet van den heuvel is een tuin, waarin een menigte appelen
en perenboomen, die zoo vol vruchten hingen, dat ik het weinig zoo
gezien heb; wij vroegen aan een oud moedertje verlof, om 'er in te
wandelen, het geen ons niet alleen toegestaan werd; maar wij moesten
van de vruchten eten, en bovendien, wat wij hier ook tegen inbragten,
onze zakken zoo vol laden, als wij maar konden. Ik zeide, dat deze
vruchten te _Bagnères_ verkocht wordende, nog al wat op zouden brengen,
en het goede vrouwtje antwoordde, dat zij het door Gods goedheid niet
noodig had, daar bijvoegende: _le bon Dieu me les donne pour rien,
et ce que j'en ai de trop, je le donne pour rien aussi_. [174]
Het dal van _l'Hiéris_ of _Lhéris_, een uurtje van hier, is vooral
in het begin van den zomer, wanneer het een menigte bloemen en
welriekende kruiden oplevert, een bekoorlijken lusthof. Hier en daar
onderweg vonden wij lieden bezig om met lijmtakjes klein gevogelte
te vangen. Men vangt hier omstreeks ook Ortolanen, en zij moeten nog
al niet zeer duur zijn, want wij hebben ze in onze herberg al een en
andermaal gegeten. Ook hadden wij dagelijks kleine forellen op tafel;
ik zag ze dikwijls in de _Adour_ onder en tusschen de steenen met
de hand vangen. De beekjes hier omstreeks leveren ook een menigte
kreeftjes op.
In het stadje terug komende, zag ik 'er verscheiden lieden buitengemeen
opgeschikt: zij kwamen van een bedevaart terug; de mans onder anderen
hadden breede linten om den bol van den hoed, waarop met vergulde
letters stond: _notre Dame de Mont Sernatte_ [175]. Verscheiden dingen
van wasch gemaakt, allerlei kleuren, en eenigzins de gedaante van
een lepel hebbende, staken 'er tusschen. Naar ik vernam waren zij
geheiligd, en dienden als een behoedmiddel tegen de hagelvlagen, enz.
Hier wordt ook een soort van grof laken gemaakt, dat veelal de
natuurlijke bruinachtige kleur van de wol behoud. De bergbewoners
bedienen 'er zich veel van. Men maakt hier ook een menigte stokken met
ijzeren punten voorzien, om bij het beklimmen der bergen te gebruiken;
velen zijn van een soort van dolk, die men 'er uit doet springen,
voorzien.
Dat de wateren van _Bagnères_ reeds bij de _Romeinen_ bekend waren,
blijkt uit eenige _Latijnsche_ opschriften, waar van 'er nog
bestaan, en sommige gedenkpenningen, die 'er gevonden zijn, onder
anderen op de fontein, niet ver van de markt staande, leest men op
eenen grooten zwart marmeren steen: _Numini Augusti sacrum secundus
sembedonis-fil-nomine Vicanorum aquensium et suo posuit_. Deze steen
zou een altaar geweest zijn, dat alhier in een tempel van Diana
gediend had, en welke tempel gestaan zou hebben ter plaatse, waar
thans de _St. Martens_ Kerk is. _Bagnères_ werd dan van ouds _Vicus
Aquensis_ genaamd, en zou volgens sommige reeds voor het jaar 695,
van de grondvesting van _Rome_, bestaan hebben.
Heden vernam ik met smart, dat het openbare dobbelspel door gansch
_Frankrijk_ voor eenige millioenen aan een befaamden speler verpacht
was. Tot hier toe had de politie voor het verleenen van verlof,
daar van eene zekere som getrokken, nu kwam dat voordeel in de kas
van het Gouvernement.
Behalve de openbare wandeling, waarvan ik u reeds gesproken heb, en
die vooral des avonds in de koelte vrij drok bezocht wordt, is hier nog
een andere met lindeboomen beplante en zeer lommerrijke wandelplaats,
ook in het stadje, omtrent achter de Kerk gelegen; doch deze wordt
weinig bezocht. In de Koffijhuizen vond ik doorgaans niet veel volk,
behalve in een, wanneer 'er s' avonds _lotto_ gespeeld werd. De waard
of waardin trok de nommers, en rondom zaten verscheidene volwassen, en
zelfs bejaarde menschen, zich gedurende eenige uren bezig houdende met
op hunne nommerkaarten te kijken; het geen mij nog te meêr verwonderde,
omdat men 'er om zeer weinig geld speelt. Ik hield mij hier niet lang
op, maar ging, daar de maan helder scheen, naar buiten tusschen de
bergen wandelen.
Antoine kwam ons heden morgen, omstreeks zes uren, afhalen, om ons naar
een plaats omtrent een uurtje ver, waar men op eene zonderlinge wijze
woudduiven ving, te geleiden. Deze plaats is aan den overkant van de
_Adour_ op een hoogte. Die wandeling is zeer aangenaam.--De lucht was
een weinig bewolkt, zoo dat de top van de _Pic du Midi_ bedekt was;
doch in het verrukkelijke dal van _Campan_ was het helder. Aan de
plaats gekomen zijnde, waar de ongelukkige duiven moesten verschalkt
worden, zagen wij daar een rij zeer zware eiken- en beukenboomen,
op eenen genoegzamen afstand geplaatst, om 'er netten tusschen te
kunnen hangen; een eind weegs verder op de vlakte, stonden langs
dezelven, op zekeren afstand, drie bij elkanderen gevoegde staken,
naar het mij voorkwam 80 à 100 voeten hoog. Van onderen stonden
zij wijd van een, om daar door stevigheid te hebben, en kruisten
boven aan, zoo dat zij daar door de drie punten een soort van mik
maakten, hier waren rondom eenige latten tegen geslagen, en 'er was
een bankje in gemaakt, moetende dienen, tot een zitplaats voor een
man. Tegen een van de staken had men klampen of sporten gemaakt,
om naar boven te klimmen. Wij waren 'er niet lang, of de vogelaars
kwamen met hunne netten, en hingen dezelve tusschen de boomen op;
het is eene soort als die, welke bij ons onder den naam van flouwen
bekend zijn. Eenige lieden klommen ieder in een mik, en de anderen
stelden zich beneden op hunne posten. De woudduiven, met scholen van
het oosten naar het westen trekkende, kijken de lieden die boven zijn
uit, of zij 'er zien aankomen, en zoodra zij tusschen hen en de netten
in zijn, smijten zij ze een soort van houten kruis, dat een roofvogel
moet verbeelden na, en maken daar bij een sterk geschreeuw. De duiven
hier door verschrikt, en willende den gewaanden roofvogel ontduiken,
dalen eensklaps in haar vlucht, en vliegen verbijsterd in de netten,
die de anderen, die 'er bij zitten, op haar laten vallen; diergelijke
netten hingen 'er omtrent 10 à 12; en 'er stonden drie mikken waarin
menschen zaten. Naar men mij verhaalde, vangt men hier somtijds
tot 200 duiven daags. Heden echter was de vangst in 't geheel niet
voordeelig, doch het was ook nog wat vroeg in den tijd. Men begint
'er omtrent half September eerst mede, en het duurt tot in het begin
van November. Verder op hangt men dan ook meer netten, en 'er staan
nog verscheidene mikken. Deze plaats wordt _la Foret de Gerde_ [176]
genaamd, en de vogelbanen noemt men _pantières_.
Heden avond zag ik in het Schouwburgje een goochelaar en koorddansers,
die voor liefhebbers van die kunsten, nog al eenigzins der moeite
waard waren, en althans vrij wat beter in hun soort, dan de zoogenaamde
Tooneellisten, die ik 'er voorleden week zag.
Morgen verlaten wij dit in den zomer zoo aangenaam oord, en dat nog
veel aangenamer zou zijn voor redelijke menschen, als men 'er door
het dobbelspel geen bende beurzesnijders, gaauwdieven en ligtmissen
naar toe lokte. _Bagnères_ is het verblijf van een onderprefect
(_sousprefect_), en het getal der inwoners komt nabij de 4500. De tijd,
dat men deze plaats verlaat, begint te naderen, en 'er zijn sedert
een paar dagen al een aantal menschen vertrokken. Die van _Bagnères_
leven dan geheel afgezonderd, en grootendeels als de mieren van den
voorraad, dien zij gedurende den zomer vergaderd hebben. De sneeuw kan
hier ook zeer hoog, en eenigen tijd blijven liggen. Voorleden winter
waren de hongerige wolven tot in de straten van _Bagnères_ gekomen;
het vee en zelfs de menschen loopen in zulk een tijd gevaar.--Dat
men 'er dan de lieden, die hun handwerk van het dobbelspel maken,
naar toezond, om op de wolvenjagt te gaan, en daar een kans te wagen.
Ik wil dezen besluiten, met een gedeelte van een aardig dichtstuk
van le Mierre [177], dat ik juist voor mij heb liggen. Van _Bagnères_
sprekende, zegt hij:
La paroit le guerrier blessé dans les combats,
Par de longues douleurs rachèté du trépas:
Il trempe un bras debile en un eau secourable.
Non comme dans le styx pour être invulnérable,
Mais pour courir encore, ou le peril l'attend.
Je vois aupres de lui Life se lamentant,
Rose decolorée et qui vient languissante,
Refleurir dans le sein de cette eau bienfaisante.
Un hypocondre Anglais de son _spleen_ consumé,
Un livide Espagnol par la bile enflammé,
Le chanoine amaigri, scandale du chapitre,
Les vaporeux titrés, les vaporeux sans titre.
Ne croiez pas pourtant que la source des bains
Ne prodigue ses flots qu'à d'infirmes humains;
Toujours le plus plaintif n'est pas le plus malade.
Il est des maux d'emprunt, des langueurs de parade,
Un peuple feminin que Sénac fatigué,
Expres pour s'en defaire, aux bains à relégué.
d'Autres vont d'habitude à cette eau salutaire,
Humecter tous les ans leur chef visionnaire.
Plus d'un oisif y vient guérir de son ennui,
Sans songer au secret d'en préserver autrui.
Toutefois au milieu de ces sots aquatiques.
Sont esprits amusans, charmantes lunatiques.
Qui malades par air, faites pour le plaisir,
Se departent souvient du projet de languir. etc.