_Bagnères, 14 September_.
Wat heeft men hier een verscheidenheid van aangename wandelingen. Den
10 dezer ging ik door eene laan met Italiaansche populieren beplant,
en tusschen de bergen doorloopende, tot aan het badhuis, dat men
_les Eaux de Salut_ noemt, en dat naar gissing een kwartier van dit
stadje afligt. Het gezigt van de ziekelijke en gebrekkige, die men
op dezen weg ontmoet, en die veel in draagzetels gedragen worden,
beneemt eenigzins het genoegelijke van deze anderzins zoo aangename
wandeling. Behalve de baden, waar ik u reeds van gesproken heb,
zijn 'er hier nog 12 of 14 anderen, waar van de graden van warmte
verschillende zijn. Ik zal mij niet ophouden met u derzelver namen
en bijzondere eigenschappen op te noemen, maar alleen zeggen, dat
'er een boekje van verscheidene bladzijden bestaat, waarin de namen,
ouderdom, beroep, woonplaatsen, enz. te vinden zijn van eene menigte
personen, die door de onderscheidene baden, of het inwendig gebruik der
wateren van _Bagnères_, van onderscheidene kwalen, die daar bij worden
opgegeven, zoo men zegt, genezen zijn. Anderen zeggen weder, dat de
wateren van _Bagnères_ genoegzaam geene genezende kracht hebben, en zoo
dezelven al in sommige gevallen van nut kunnen zijn, zulks bijna alleen
is toeteschrijven aan de warmte; welke graden van warmte eveneens aan
het water kan gegeven worden op de gewone wijze. Teedere kleuren, zoo
als lakmoes-blaauw, roze-rood enz. veranderen in dit water niet; het
is ook zoo klaar als gewoon putwater, ten minste dat, hetwelk ik van
verscheidene bronnen gezien heb; doch het plaatsje bestaat genoegzaam
alleen van deze bronnen, het is dus geen wonder, dat men hier alles in
het werk stelt, om 'er het gunstigst mogelijk denkbeeld van te geven,
en alzoo aanhoudend volk te trekken, hoewel het spel misschien wel
zoo vele klanten trekt als de bronnen. Terug komende van _les Eaux
de Salut_ [132], sloeg ik ter linker zijde een smal paadje in, dat
onder langs den berg loopt, tot aan een kleine eenvoudige, doch met
smaak versierde fontein, waar men zich op zodenbanken kan nederzetten;
langs dit wegje, dat aangenaam beplant is, ruischt een helder beekje,
en aan den overkant van hetzelve is eene frissche groene weide. Hier
en daar zijn banken in de rots uitgekapt. Men kan zich in dien smaak
niets aangenamers verbeelden.
Het voornaamste badhuis, dat men hier vindt, wat het gebouw aanbelangt,
is dat, wat men _Frascati_ noemt. Uit nieuwsgierigheid gingen wij ons
daar ook baden. Het is een vrij groot en gnap gebouw. In een' ruimen
gang zijn de ingangen van de kamertjes voor de baden; in sommige
zijn 'er twee, doch in de meeste maar een. Deze baden, zijn bakken
van wit marmer, zoo lang, breed en diep, dat het kloekste mensch
'er in en onder water liggen kan; uit twee kranen laat men 'er koud
en warm water naar goedvinden inloopen, en in den bodem is een gat,
waar men het, door 'er een stop uit te trekken, weder uitlaat. Ik
maakte het water maar even laauw, zijnde alleen om mij te wasschen,
anders blijft men 'er doorgaans een half uur in; sommige nemen
zelfs een boek, om in het bad liggende, te lezen. Men heeft hier ook
Dampbaden en _douches_ [133]. Achter dit gebouw is een tuintje, waar
langs een beek stroomt. Boven zijn eenige zalen om te dansen en te
spelen. Het gebruik van zo een bad kost hier niet meêr dan 15 _sols_,
doch men moet de handdoeken enz. medebrengen. Het huis, waar wij wonen,
staat hier digt bij; men raadde mij dan ook zeer aan, vernemende dat
ik somwijlen aan jichtpijnen onderhevig was, om aanhoudend de warme
baden alhier te gebruiken, en braaf water te drinken [134]; doch ook
vooral ten opzigte van de geneeskunde niet zeer ligtgeloovig zijnde,
had ik hier in 't geheel geen zin in, en vooral niet omdat ik thans
zoo gezond ben, als ik zou kunnen verlangen.
Hier is ook een overdekte marktplaats (_halle_), waar men
onderscheidene soorten van kramen vindt, als op een kleine kermis. Men
verkoopt daar een mooi en goed soort van gebreide vrouwen halsdoeken,
mans hemdrokken of kamizolen, tafelkleedjes, en zelfs beddespreijen van
fijne Spaansche wol, gekleurd of wit, ik zag die nergens zoo als hier,
en kocht daarom een kamizool met mouwen 'er aan, daar ik £ 13-:-:
voor gaf. Deze soort van goed wordt hier niet alleen verkocht, maar
ook gemaakt, en zoo om de deugdzame hoedanigheid, als om den smaak,
waarmede het gewerkt is, veel gezocht.
's Avonds was 'er bal en concert in _Frascati_, de zaal is fraai en
ruim, aan het eind van dezelve is een klein tooneel, dat tevens voor
het orchest als 'er concert is, dient; 'er was veel _beau monde_
[135], en pracht en opschik genoeg, doch naar evenredigheid weinig
mooije vrouwen.--Welk een onderscheid tusschen de hut van een'
bergbewoner en deze zaal! en zij liggen omtrent maar een kwartier van
elkanderen. Men ziet hier ook nog andere ruime vertrekken, alwaar men
speelt of ververschingen gebruikt: dobbelspel zag ik 'er echter niet,
hoewel het 'er anders, naar ik vernam, ook wel gespeeld wordt. Ieder
hield zich nu meest met dansen, of het vertellen van zoetigheden aan
de vrouwen bezig. In een van de vertrekken hingen eenige teekeningen
van gezigten in deeze landstreek.
Daar ons voornemen was, om den volgenden morgen vroegtijdig een reisje
in de gebergtens te maken, hielden wij ons hier niet lang op.
Den 11 dezer, 's morgens om 6 uren, vertrokken wij op kleine paardjes,
die aan het berg klimmen gewoon zijn, en van een geleider (_guide_)
verzeld.
Schooner vallei dan die van _Campan_ (_la vallée de Campan_) kan men
zich naauwelijks verbeelden. Even buiten _Bagnères_ komt men daar
in, en indien 'er een Argus bestondt, zou men hem hier zijne oogen
benijden. Men weet niet, waar men beginnen zal met beschouwen, met
de frissche beemden, welker boorden door de _Adour_ bespoeld worden,
en waarin men dan eenige maaijers of hooijers, en dan weder eenig
vee ziet, met de eenvoudige maar bevallige tuinen en kleine boschjes,
met de nette en wel gelegen woningen bij dezelven, met de steile rotsen
aan den eenen, of de groene heuvelen met weidende kudde aan den anderen
kant. Alles is hier zoo belangrijk, dat men aanhoudend bevreesd is van
'er iets van te zullen missen. De Proosdij _St. Paulus_, (_St. Paul_)
tusschen _Baudeau_ en _Campan_, op eene kleine hoogte ter regter
zijde gelegen, maakt ook eene schilderachtige vertooning. Even aan
den anderen kant van dat dorp, waar naar deze vallei genoemd is,
vroeg onze leidsman, of wij de spelonk (_la grotte de Campan_), die
een eindje van den weg, in den voet van de bergen, aan de linkerhand
is, wilden gaan zien; doch ik was onderrigt, dat 'er in deze spelonk
niet veel bijzonders was, en de _stalactites_ van kalkaardig albast,
die 'er gevonden werd, 'er van tijd tot tijd, door Natuurkundigen,
bloote nieuwsgierigen, en zelfs door de boeren hier omstreeks,
die ze verkoopen, meestal waren uitgenomen. Wij verkozen dan niet
om ons hierom optehouden, maar vervolgden onzen weg. Naauwelijks
waren wij eenige schreden gevorderd, of twee à drie kinderen kwamen
ons naloopen, en kristallen, zoo als zij het noemen, uit de grot te
koop aanbieden. De landstreek blijft aanhoudend schoon, en van alle
kanten levert de natuur de liefelijkste Tooneelen op. De bergen zijn
hier en daar met bosch geheel bedekt, tusschen beide maken de hutten
der herders op dezelven eene aardige vertooning. In 1772 opende zich
in de bedding van de _Adour_ hier omstreeks een kolk, die, gedurende
vieren twintig uren, den droom geheel verzwolg, zoo dat de rivier tot
aan dit gat droog was, vervolgens raakte deze kolk vol, en het water
stroomde als voorheen. Men heeft opgemerkt, dat het water in dit hol
onder den grond doorloopende, niet ver van _Bagnères_ weder uitkwam.
Van het dorp _St. Marie_ valt niets te zeggen, dan dat het eene
aangename verzameling is van boerenwoningen, niet als een bekrompen
straat tegen elkanderen gebouwd; maar luchtig uit een gelegen, en
ieder huis genoegzaam van weilanden en tuinen omringd. Deze schakel
van woningen strekt zich op die wijze uit tot voorbij _Grippe_,
een ander dorp een uurtje verder gelegen. Hier vindt men een vrij
goede herberg; wij zetten 'er onze paarden wat op stal, en lieten
ons wat melk, brood, versche boter, die hier zeer goed is, en kaas
geven. Van een bovenkamer, die men ons had aangewezen, hadden wij
gelegenheid om ons met het schoone gezigt over de vallei, nog eens
ter deeg te verlustigen. Het was hier zindelijk en net. De welvaart
zonder pracht straalt in deze streek overal door. Bij dit huis was een
tuin met verscheidene goede vruchtboomen, en zelfs een kleine vijver,
waar door het water aanhoudend stroomde, en waarin wij verscheidene
forellen zagen. Een uurtje van hier zijn marmergroeven. Nu wordt het
dal allengskens enger, wij zagen de hooge bergen, die wij overtrekken
moesten, voor ons, en hier begonnen wij reeds te klimmen. De Natuur
vergast daar het vorschend oog weder op een heerlijk gezigt; doch van
een anderen aard dan in de vallei. Links en regts zijn de bergen met
pijnboomen bedekt, en de _Adour_ maakt hier eenen schoonen waterval,
van twee of drie verdiepingen. Het water, tusschen de digt aan een
gesloten rotsen doorbruischende, veroorzaakt een verbazend geruisch. De
kegelvormige berg _l'Escalette_ [136] vertoonde zich voor ons. Altijd
klimmende, bereikten wij eene aanmerkelijke hoogte, onze paarden nu
en dan leidende, om dezelve niet te veel te vermoeijen. Ondertusschen
hadden wij voor en ter zijde nog hooge bergen; zoo dat men dezelve
aanziende, zich zou kunnen verbeelden van beneden te zijn. Tegen
de steile hellingen van sommige dier bergen, ver boven ons hoofd,
zagen wij verscheidene geiten en schapen; wat verder graasden
ook eenige koeijen, alle van klokjes voorzien, op dat de herder,
wanneer zij afdwalen, dezelve wederom zou kunnen vinden: ook zegt men,
dat dit geluid de wolven, die hier in 't geheel niet zeldzaam zijn,
afschrikt. Aanhoudend langs een gansch niet gemaklijken weg stijgende,
bereikten wij den grooten en prachtigen waterval van _Tramésaigues_
(_Cascade de Tramésaigues_) waar van de stroom, tusschen een bosch
van pijn- of denneboomen doorkomende, zich met geweld van de rots
in een aanmerkelijke diepte, langs eenige trappen, nederstort. Hier
stapten wij van onze paarden, en klommen langs de steile helling
van den berg naast den waterval, zoo ver wij komen konden, af.--Die
zoo iets gezien heeft, geloof ik niet, dat ligt in verzoeking zal
geraken, om in boschjes of lusthoven, watervallen door gemetselde
beken stroomende, en van gemaakte rotsen afloopende, te maken. Ik
weet, dat 'er in _Zwitserland_, _Italië_, en zelfs niet ver van hier
watervallen zijn, die van veel hooger bergen of rotsen op eenmaal
afstorten. Ongetwijfeld leveren zij een ontzaggelijker en grootscher
vertooning op; doch zij missen dan ook het streelende en bevallige van
deze. Een groot gedeelte van den nederstortenden stroom wordt hier
door de dennen, die 'er langs de helling van de rots naast staan,
beschaduwd, en het schuimende water maakt tegen dat donkere groen
eene heerlijke vertooning. Als men 'er digt bij staat, heeft men
moeite, door het sterke gedruisch, om elkanderen te verstaan; doch
men wordt 'er, wanneer het warm is, zoo als heden het geval was, ook
alleraangenaamst verkwikt door de frissche lucht. Na hier een poosje
te hebben gerust, zagen wij een eindje hooger opklimmende, en den
waterval aan de linkerhand latende, de herders- en veehoeders-hutten
van _Tramésaigues_ [137].--Wie zou hier woningen voor menschen zoeken;
doch men kan het ook naauwelijks woningen noemen. Een klein vierkant
perk van op een gezette brokken steen gemaakt, en met platte steenen
en graszoden gedekt, dient om het vee tegen het ongunstige weder,
en tegen de aanvallen der beeren en wolven te beschutten; in een hoek
van dit perk is een afgezonderd hokje voor den herder; alles is niet
hooger en ruimer dan volstrekt noodzakelijk is. Eenige diergelijke
hutten maken hier een klein gehuchtje uit. De stroom die van de _Pic du
Midi_ afloopt, slingert tusschen deze hutten door, en maakt vervolgens
den schoonen waterval.--Hier wonen menschen, en in het kasteel der
_Tuillerien_ te _Parijs_ woonen ook menschen.... De herders waren
thans met het grootste deel van hun vee in de bergen, en wij zagen
'er niet anders dan een paar koeitjes, die tegen de wanden van hun'
eenvoudigen stal lagen te herkaauwen. De grond, daar aanhoudend
besproeid zijnde, is hier en daar met een aangenaam groen tapijt
bekleed. Men ziet hier ook een' hoekigen blok granit, door de natuur
aardig gevormd, boven den grond uitsteken [138]. Achter ons omziende,
zagen wij langs de aanmerkelijke hoogte, die wij opgeklommen waren,
in de laagte, die zich als een ruim dal vertoonde, een vrouw te paard
gezeten; en met een roode kap op, volgde zij ons van verre, en scheen
niet te schromen om dezen togt alleen te ondernemen. Wij meenden al
wel geklommen te hebben, en waren echter nog op verre na niet op het
hoogste punt, dat wij over te stijgen hadden. Door een scheiding van
de bergen aan onze regterhand, of in het noord-oosten, ziet men, bij
de hutten van _Tramésaigues_ zijnde, die ontzaggelijke _Pic du Midi_,
die een der hoogste bergen van de _Pyreneën_ is, zich met aardige
vlakken, door de valling van het licht veroorzaakt, vertoonende
[139]. Zij heeft eene niet zeer langwerpige, kegelvormige gedaante,
van hier te zien, en scheen niet ver van ons af te zijn; ondertusschen
verzekerde onze leidsman, dat wij 'er (gesteld men kon 'er in een regte
lijn naar toekomen) nog ruim een uur gaans af waren. De gewone weg,
voor hun die dezen berg, welks top boven de oppervlakte der zee, op
ruim 9000 voeten, of 1500 _toises_ begroot wordt, willen bestijgen,
is door de vallei, waar men hier door ziet. Het was nu omtrent half
twaalf voor den middag [140]. Deze hutten verlatende, gingen wij
den top van de _Escalette_, en vervolgens de _Tourmalet_ bestijgen;
onze goede dieren hadden daar nog wat aan te doen, en het was, hoewel
hier veel luchtiger dan in de valleijen, echter te warm, om te voet
te gaan, voor lieden, die zulk klimmen niet gewoon zijn. Hier begint
het 'er woester uittezien; geen denneboomen, weinig gras en kruiden
meêr. Overal liggen stukken en brokken steen, die van de naburige
hoogtens schijnen afgerold. Welk eene hoogte! en evenwel ziet men de
_Pic du Midi_ nog altijd als een hoogen berg aan zijne zijde. Toen wij
bijna de hoogte van de _Tourmalet_, die wij over moesten, bereikt
hadden, zagen wij het water, dat onze geleider _l'Eau d'Oncet_
[141] noemde, langs de _Pic du Midi_ afloopen; dit water maakt in
het dal, naar den kant van _Barèges_, zich met meêr andere stroomen
vereenigende, een klein riviertje, dat _le Bastan_ genaamd wordt; welks
loop geheel het tegengestelde is van de _Adour_, dat is te zeggen van
het noord-oosten naar het zuid-westen. De helling van de _Tourmalet_,
die wij af moesten klimmen, is vrij steil; doch het smalle wegje loopt
met slingers onder elkanderen. Hier stapten wij van onze paarden af, en
leidden dezelve bij den toom achter elkanderen volgende. Alles is hier
woest en ontzaggelijk; voor zich ziet men in de vallei van _Bastan_,
als in eene vreesselijke diepte. Het water op stukken en brokken rots
van boven neder stroomende, ruischt aanhoudend. Boven de verheven
toppen der bergen zagen wij de arenden zweven. Hadden wij den weg in
het opklimmen niet gemakkelijk gevonden, hier was 'er in het afstijgen
ook niet op te roemen; ondertusschen viel het mij, naar het geen men
'er mij van verteld had, aanmerkelijk mede. Eindelijk kwamen wij in
een dal, en vervolgens aan eenige schrale weiden, veel verschillende
van die in het dal van _Campan_. Beneden zijnde, zagen wij achter ons
om, om de steile hoogte, die wij afgeklommen waren, te beschouwen;
zij is verbazende. Men begroot die hoogte, boven de oppervlakte der
zee, op omtrent 7000 voeten [142]. De bergen, of liever steile rotsen,
welke dit dal omgeven, zijn niet met boomen en weiden bedekt, zoo als
die van het dal van _Campan_. Men ziet 'er genoegzaam geen struikje,
zoo min in het dal als op de hoogtens, alles ziet 'er naar en treurig
uit. De _Bastan_ stroomt niet zoo als de _Adour_ langs groene weiden,
maar rolt hier met een woest gedruisch geweldig over de brokken steen,
die zij zelve medevoert, of die van de omliggende steiltens in dit
dal afrollen. Hier en daar ziet men een magere weide, die eerder
rosachtig dan groen ziet, en waarop eenige kwijnende koeijen het
laatste grasscheutje nog loopen zoeken. Het onderscheid tusschen
het dal van _Campan_ en dat van _Bastan_, slechts door de bergen,
die wij overgekomen waren, van elkanderen gescheiden, is waarlijk
ontzettend. Daar heeft de natuur genoegzaam geene menschelijke
hulp noodig, en hier zijn alle menschelijke krachten vereenigd, niet
toereikende, om 'er maar een redelijk vruchtbaar land van te maken. De
stroom zelve, door het smelten der sneeuw of stortregens zeer sterk
zijnde, verwoest dikwijls de gronden, die zij moest voeden, en voert
de weinige vruchtbare aarde, die hier en daar deze steenachtige bodem
nog bekleedt, mede, of bedekt dezelve met steenen. Woningen en bewoners
hebben een ellendig voorkomen, en alles doet zien, dat dit dal weinig
geschikt is om door menschen bewoond te worden. Na een eind wegs in
hetzelve te hebben afgelegd, moesten wij weder klimmen, en reden over
het steenen dak van eene woning, die half in den grond gemaakt was,
heen. Eindelijk na weder vrij wat gestegen te zijn, zagen wij in
eene enge diepte tusschen de rotsen ter zijde van de _Bastan_ [143],
de huizen van _Barèges_, en kwamen 'er langs een smal wegje, tegen
eene steille helling bijna boven de huizen in, het was als of wij
'er door de schoorsteenen in moesten komen. Het was omtrent 3 uren
na den middag, toen wij aankwamen, en wij hadden ons onder weg wel
1 1/2 uur opgehouden, en anders altijd gegaan of stapvoets gereden,
zoo dat ik reken, dat men bijna 7 uren nodig heeft, om die reis te
doen, wanneer men zich niet ophoudt, ten zij men goedvindt, om van
_Bagnères_ tot _Grippe_ de paarden te laten draven.
Men ging in onze herberg kort na onze aankomst aan tafel, het geen
voor ons, die vrij hongerig waren, zeer van pas kwam. De spijszaal
bestond slechts uit een houten loots; eenige huizen over en naast
dezelve, waren op dezelfde wijze gebouwd, zijnde maar voor eenige
zomermaanden opgeslagen; omdat de steenen huizen, die hier gestaan
hebben, al een en andermaal door het nederstorten van de sneeuw, de
brokken steen die zij medevoert, en de overstrooming van de _Bastan_
verwoest geworden zijnde, men de moeite en kosten niet meêr doen wil,
om ze op te bouwen. Tot onze verwondering vonden wij in deze woeste
en onvruchtbare landstreek eene vrij goed middagmaal, onder anderen
een geregt van klipgeiten (_Izards_), vleesch, dat ik zeer lekker
vond, en hier voor de eerste maal at; de wijn was ook wel genoeg, en
altans veel beter als te _Bagnères_. Wij aten met eenige kreupelen en
lammen, waaronder een paar Offiçieren, die hier de baden gebruikten,
de Apotheker van de plaats enz. en evenwel was men zeer vrolijk aan
tafel. Ik was verwonderd over de ongemeene oplettende gedienstigheid
van den Apotheker omtrent ons, doch welhaast begreep ik 'er de reden
van; hoewel wij 'er niet ziekelijk uitzagen, verbeeldde zich die goede
man, dat wij ter genezing van eene of andere kwaal hier naar toekwamen,
en beschouwde ons dus als nieuwe klanten. Onder de gasten bevond zich
een man van omtrent dertig jaren, die een verlamming in de beenen
had, en, van _Brugge_ in _Vlaanderen_ zijnde, blijde was van in ons
halve landslieden aantetreffen. Na den maaltijd hadden wij _Barèges_
welhaast gezien; het is slechts een enkele straat langs de _Bastan_;
aan het eene eind daar wij onze kamers hadden, zijnde wat hooger op
dan daar, waar de houten lootsen staan, zijn eenige goede huizen,
en lager een badhuis, dat een vrij gnap gebouw schijnt; voor het
overige is 'er in dit plaatsje niets dan ellende te zien [144]. In 't
geheel zijn 'er vier of vijf mineraal-bronnen te _Barèges_, in warmte
onderscheiden, de hoogste bereikt 39, en de minste 27 graden, schaal
van Réaumur. Deze wateren bevatten volgens waarnemingen van verscheiden
deskundigen, meêr, ter genezing van sommige kwalen, heilzame stoffen,
dan die van _Bagnères_, bestaande voornamelijk uit zwavellever, _hepar
sulfuris_, _nitrum_, zeezout, een kalkachtige, en een leemachtige
aarde, en een smerige of zeepachtige stof. Deze wateren worden even
als te _Bagnères_ uit- en inwendig gebruikt [145]. Ik zag hier veel
verminkte ziekelijke, of gebrekkelijke krijgslieden; ook waren 'er
eenige _Engelsche_ huishoudens. De luchtgesteldheid is 'er over het
algemeen onaangenaam: tot in Julij toe kan het 'er somtijds koud en
regenachtig zijn; veeltijds dondert het 'er geheele dagen. De wolken
tusschen de bergen blijvende hangen, veroorzaken een' dikken mist,
en men ziet 'er somtijds om dezen tijd van het jaar al sneeuw. Ook
wordt deze plaats niet anders bewoond dan in den tijd, dat men de
wateren gebruikt, dat is van half Mei tot het begin van October;
den overigen tijd blijven 'er niet meêr dan vier of vijf menschen, om
zorg te dragen voor de huizen, en het weinige, dat men 'er in laat. De
andere menschen gaan naar de omliggende plaatsen, vooral naar _Luz_,
een vlek omtrent anderhalf uur van hier gelegen. De weg naar den
kant van _Luz_ levert gansch geene onaangename wandeling op: men ziet
'er tegen de helling der bergen, of aan de boorden van de _Bastan_,
nog eenige weilanden en akkers, die niet geploegd of gespit, maar met
eene soort van houweelen bewerkt worden, om 'er wat rogge op te telen;
hier en daar staan zelfs nog al eenige struiken en boomen, en bij de
hutten, die men 'er aantreft, zijn nog al tuintjes, waarin ik echter
niet veel anders dan koolen en boonen zag staan. Ik ging omtrent
een half uurtje van _Barèges_ in zulk een hut, die door een soort
van veehoeder, zijne vrouw en verscheidene kinderen bewoond werd. De
man, zoo als hij mij vertelde, in zijne jeugd soldaat geweest zijnde,
sprak nog al wat _Fransch_, en ik had daar door gelegenheid, om mij met
hem te onderhouden. Deze naar het scheen goede en eenvoudige lieden,
gebruikten alles bijna, wat hun vee en akkertje opbragt, en hadden
niets anders te verkoopen, dan een weinig gesponnen wol, hoenderen en
eijeren, die zij te _Barèges_ ter markt bragten, en het geld dat daar
van kwam diende, om eenige onontbeerlijke dingen, zoo als zout, eenige
weinige kleedingstoffen enz. te koopen [146]. De man vertelde mij ook,
dat hij gaarne een pijp tabak rookte; wat de huisraad aanbelangt, ik
zag 'er genoegzaam niets anders dan het geen volstrekt noodzaaklijk
was. Zes maanden van het jaar wonen deze menschen dikwijls onder de
sneeuw, zoo dat zij naauwelijks een voetpaadje kunnen maken, om hun
vee te geleiden, om te drinken. Hoewel de bewoners van deze streken
'er over het algemeen niet bevallig uitzien, zijn zij gezond, en
men treft onder hen vele oude lieden aan; echter heb ik opgemerkt,
dat 'er in deze geheele bergachtige landstreek, en zelfs aan den
anderen kant van _Bagnères_, verscheidene vrouwen kropgezwellen
hebben. Ik gaf eenige _sols_ aan de kinderen, en zij bragten mij
'er een paar kleine stukjes rots (_cristal_) voor in de plaats;
de herders of jagers vinden dat in de hooge spleten der rotsen hier
omstreeks, doch het is 'er niet overvloedig, en wordt daarom bij de
bergbewoners nog al geacht [147]. Die kinderen gingen in 't geheel
niet school; een Pastoor of Kapellaan leerde ze slechts een weinig
den Katechismus. Vele onzer _Meijerijsche_ landlieden zijn eenvoudig
en ongeleerd, maar het zijn nog Professoren in vergelijking van deze
lieden; vooral van die, welke afgezonderd in de bergen wonen. In het
wederom keeren naar _Barèges_, ontmoette ik een fraaije koets met
Heeren en Dames 'er in, en liverei bediendens 'er voor en achter op;
het waren ziekelijke of gebrekkige rijken, die hier hunne gezondheid
door middel van de wateren weder trachten bij een te lappen. Hadden
zij altijd in de hut, waar uit ik kwam, gewoond, misschien zouden
zij gezonder zijn.
Op sommige plaatsen is de _Bastan_ hier in 't geheel niet diep,
ik zette mij, van het eene stuk steen op het andere, stappende,
op een brok rots in dezelve gelegen, neder; het water bruischte om
mij heên; men ziet hier duidelijk het hellen van de bedding van dit
riviertje. Rondom leverde de bergen en rotsen een niet onaardig gezigt
op, en de avondstond was regt aangenaam.
Te _Barèges_ terug gekeerd, gingen wij in een soort van Koffijhuis,
dat ook in een houten loots is; het dient tevens voor een dans- en
concertzaal, doch het zag 'er thans akelig uit; naauwelijks waren 'er
zes of acht menschen, zij zaten te spelen, en 'er brandden twee of drie
kaarsen. Wij begrepen dan, dat wij niets zouden verzuimen met te gaan
slapen, om, wel uitgerust, morgen vroegtijdig van hier te vertrekken.
Den 12 dezer. Gisteren avond werd ik door het gedruisch van de _Bastan_
dat ik op mijn bed, duidelijk hooren kon, in slaap gesust.--Het was
nog donker, toen men mij kwam zeggen, dat wij alvorens te vertrekken,
onze paspoorten hier moesten vertoonen en doen teekenen; hier over was
ik niet zeer te vreden, vreezende, dat ons dat ophouden zou; doch de
Commissaris van de Politie had de beleefdheid om terstond optestaan,
en mij te regt te helpen. Het scheen of men ons hier voor _Engelschen_
had aangezien, en veronderstelde, dat wij, krijgsgevangenen zijnde, wel
eens over de grenzen zouden kunnen gaan. Wij reden dan ten vijf uren
af. Onze leidsman verhaalde mij, dat hij volgens gewoonte, een soort
van verlofbriefje had gehaald, om met de paarden tot de _Spaansche_
grenzen te mogen gaan, en borg gesteld om den uitvoer van dezelven
te verhoeden; echter daar men hem kende, was men hier omtrent nog al
gemakkelijk. Gedurende de maanden, dat _Barèges_ bewoond, en door een
menigte vreemdelingen, die de wateren komen gebruiken, bezocht wordt,
komt 'er behalve een Commissaris van de Policie, eene Compagnie oude
krijgslieden (_invalides_) van het stadje _Lourde_.
Het was schoon helder weder, dat voor een reis in deze bergen van zeer
belang is en om het gezigt en om de wegen, die hier en daar zeer smal
zijnde, bij sterke regenvlagen door de steenen, of het steengruis,
dat dan van de bergen rolt, en door de glibberigheid ongemakkelijk
en gevaarlijk zijn.
De weg tot _Luz_, den stroom van de _Bastan_ volgende, is zelfs voor
rijtuigen redelijk goed, en wat de gezigten aanbelangt, hoewel tusschen
de bergen bepaald, niet onaangenaam; men ziet 'er nog al groen. Deze
is de groote of postweg naar _Barèges_. Bij _Luz_ wordt het gezigt
zeer schilderachtig; men ziet daar meêr boomen, en de nog aanzienlijke
overblijfsels van het oude kasteel _St. Marie_, op eene op zich zelven
staande steile rots, aan het inkomen van een schoon dal gelegen, en de
_Bastan_ daar langs stroomende. Dit kasteel was in vroegere tijden eene
sterkte, die wegens de Koningen van _Frankrijk_ met krijgsbenden bezet
werd; onder anderen ook, om de invallen der Mooren en der _Spanjaarden_
tegentegaan. Het dal van _Luz_, hoewel juist niet zoo vruchtbaar als
dat van _Campan_, en ook minder uitgestrekt, levert toch ook een zeer
aangenaam gezigt op. De _Bastan_ minder woest en snel, omdat de grond
gelijker is, stroomt door frissche groene weiden; behalve _Luz_ ziet
men 'er verscheidene aardige en digt bij elkanderen gelegen dorpjes. De
bergen rondom zijn met houtgewas, en gras of kruiden bedekt, en in het
flaauwe verschiet ziet men hier en daar eenige ontzaggelijke toppen
boven dezelve uitsteken. Wat verder op in dit dal, vereenigt zich de
_Bastan_ met de _Gave_ [148]. Te _Luz_ hielden wij ons een poosje op,
om te ontbijten. De herberg behoort aan denzelfden man, bij wien
wij te _Barèges_ geweest, en waar wij wel over te vreden waren, hoe
zeer alles te _Barèges_ duur is, omdat het land zelf genoegzaam niets
oplevert, en alles 'er alzoo van andere plaatsen naar toe moet gebragt
worden; de zoon en dochter van dien man, Flamand genaamd, namen hier
de zaken zomers alleen waar. Wij huurden hier ook nog een paard voor
onzen leidsman, en na het avondmaal, bedden, enz. besteld te hebben,
begaven wij ons naar den waterval van _Gavarni_ op reis. _Luz_ schijnt
een vrij gnap plaatsje, en is alleraangenaamst gelegen. Van daar af
tot bij _St. Sauveur_, loopt de weg nog door een aangenaam dal, maar
dan begint men te klimmen, latende de _Gave_ aan de regterhand. Hier
ligt een brug over dien stroom, om naar _St. Sauveur_, dat men aan den
overkant laat liggen, te gaan. Dat plaatsje bestaande uit omtrent 20
huizen, meestal voor de baden dienende, en tegen de steile helling
van een groenen berg, hier en daar met boomen en struiken beplant,
gelegen, maakt eene allerliefste vertooning. Aan de linkerhand heeft
men steile rotsen, tegen welker helling (hoewel het naauwelijks eene
helling mag genaamd worden) de smalle weg gemaakt is. _St. Sauveur_
voorbij zijnde is die weg door eenige boomen en struiken, tegen de
steilte geplant, aangenaam beschaduwd. Aan de regterzijde hoort men
de _Gave_ in een diepte, hier en daar door dikke struiken bedekt,
ruisschen. De bergen worden hooger en steiler, en de diepte hoe langer
hoe ontzaggelijker. Onze leidsman (dien ik in 't vervolg Antoine zal
noemen) waarschuwde ons, dat wij welhaast aan een zeer smal padje
moesten komen, daar wij, voorzigtigheidshalve, wel zouden doen om van
de paarden aftestappen. Hij noemde dit _un mauvais pas_. Dit padje
was hier en daar geen drie voeten breed, tegen een zeer steile rots
boven een afgrijsselijke diepte uitgehouwen. Antoine raadde ons, om
niet regts te zien, en ik volgde zijn' raad. De rotsen, waar de _Gave_
bulderende tusschen doorloopt, zijn zoo steil, en staan zoo digt bij
elkander, dat men tusschen twee vreesselijke hooge muren zeer eng
schijnt ingesloten; de zonnestralen hadden hier thans geen' toegang;
het licht valt 'er alleen van boven loodregt in, en dit alles maakt het
nog akeliger. De paarden zelfs hoewel aan diergelijke wegen gewoon,
gaan met den neus op den grond, en voelen eerst met een soort van
huivering, eer zij hunne voeten nederzetten. Men spreekt niet tegen
elkander; ieder is hier alleen op zich zelven bedacht; geen wonder,
men behoeft slechts te struikelen, om in de diepte te morselen te
vallen. En ondertusschen had het gevoel, dat ik in dezen toestand
gewaar werd, meêr van het aangename dan van het onaangename. Het
grootsche, ongewone, en daar bij het liefelijk schoone, want de
rotsen zijn veelal van onderen tot boven met boomen en struiken
bedekt, veroorzaken eene streelende bewondering, die de ongerustheid
aanmerkelijk verdoofdt. Nog vreemder vertooningen te gemoet ziende,
wordt men door nieuwsgierigheid gedurig aangespoord en opgewakkerd; en
laten wij ter goeder trouw zijn, de hoogmoed en eerzucht heeft aan alle
diergelijke ondernemingen ook vrij wat deel. Dit zoo smalle wegje was
maar kort, en wij zetten ons weder te paard; nu was het pad zoo breed,
dat wij eene vrouw, die een ezel met wol geladen voor zich heen dreef,
voorbij konden laten. Zij ging dit voortbrengsel van hare kudde te
_Luz_ verkoopen, en spon gedurig op de plaatsen, waar den _weg_ niet
al te smal en moeijelijk was. Een eind wegs verder heeft men een pad,
altijd niet veel breeder dan volstrekt noodig is, boven een diepte
van 80 à 100 voeten in de harde rots uitgehouwen, en hier en daar
met stukken steen op een gezet, gemaakt; dit werk, dat niet zonder
zwaren arbeid geschied is, werd in 1762 uitgevoerd. Voor dien tijd
verongelukten hier veeltijds menschen en vee, en men moet 'er nog zeer
voorzigtig zijn. Deze toegang wordt _le passage de l'Echelle_ genaamd,
omdat hier in vroegere tijden een kleine sterke toren plagt te staan,
waar men tegen de rotsen op, als tegen een ladder, naar toe moest
klimmen; zij was met krijgsvolk bezet, en diende om de invallen en
strooperijen aan deze grenzen te beletten. In het begin van de vorige
eeuw was zij nog van veel dienst tegen eene soort van roovers en
vrijbuiters uit het landschap _Arragon_, die men _les Miquelets_ noemt.
Omtrent een kwartier verder, ziet men aan den anderen kant van de
_Gave_, en in de laagte het gehuchtje _Sia_, bestaande in eenige
woningen, die door eenige groote boomen beschaduwd worden. Nu loopt den
weg eenklaps af, tot aan een steenen brug over de _Gave_ liggende,
eer men op de brug gaat, heeft men aan de regterhand eene bron,
waar uit het frissche en heldere water aanhoudend in een' steenen
bak loopt. Antoine noemde deze bron _la Fontaine de halte_, omdat
men gewoon is om daar een oogenblik te rusten, en menschen en vee 'er
zich door een' koelen dronk verfrisschen. Wij dronken dan ook met onze
paarden als lotgenooten, slurpende uit denzelfden bak. En nu gingen
wij de brug over: zij bestaat uit een enkelen boog tusschen twee digt
bij elkanderen staande rotsen gemaakt, en omtrent 90 voeten boven den
stroom verheven. Van deze brug, die met mosch en klimop bewassen is,
heeft men een heerlijk gezigt op eenen schoonen waterval, die door
de _Gave_, door eene enge opening tusschen twee rotsen doorloopende,
gemaakt wordt, en waar over de takken der struiken, die in de spleten
van die rotsen groeijen, bevallig heen zwieren. Deze brug wordt _le
pont l'Artigue_ genaamd. Het water loopt 'er met eene vreesselijke
vaart onder door. De _Gave_ aan de regterhand latende, klimt men langs
een wegje, dat niet breeder is als aan den anderen kant, weder op. Men
gaat onder de over den weg hangende rotsen door, vervolgens daalt men
weder digter naar den stroom af; de natuur is hier woester, en men ziet
'er weinig groen. Op de hoogte, bijna zoo ver dat ik de voorwerpen
naauwelijks kon onderscheiden, zag ik een herder met eenig vee en
schapen. Hier en daar ziet men ook eene enkele hut. Over een houten
brug, die nog al lang zijnde, in het midden door een brok granit,
dat midden in den stroom door de natuur geplaatst is, ondersteund
wordt, kwamen wij weder aan den anderen kant van de _Gave_, en van
daar ziet men, een eind wegs opgeklommen zijnde, een' waterval van
een enkelen straal van een groene rots aan den overkant in de diepte
storten, en deze straal water had thans dezelfde kleuren als een
regenboog. Dit gezigt was verrukkelijk. Van de toppen der bergen ziet
men ook het water als slingerende beken afstroomen. Hier is de weg
niet verschrikkelijk meêr, maar integendeel alleraangenaamst; langs
denzelven staan heggen van palm, en men gaat onder groene gewelven,
door noten- en andere boomen gemaakt, door. Op zeer verheven en
ijsselijke steiltens, zagen wij de koeijen gerust weiden. Eer
dat men te _Pragnères_, een alleraangenaamst gelegen dorp, in het
midden van een groen dal, komt, gaat men door een stroom of _Gave_,
die men _le Gave de Pragnères_ noemt. Deze stroom komt van de bergen
_Neouvielle_ geheeten [149], omdat 'er altijd sneeuw ligt, en wordt
door die aanhoudend smeltende sneeuw veroorzaakt; zij vereenigt
zich het dal doorslingerende met de _Gave_, daar onze weg langs
loopt. _Pragnères_ ligt omtrent 1 1/2 uur van _Luz_. Tot nu toe hadden
wij altijd tusschen de bergen ingesloten geweest, en waren blijde,
van ons eens in een ruim dal te bevinden. De huizen zien 'er hier
over het algemeen gnap uit, en men kan zien, dat het den menschen
in dezen afgezonderden staat niet kwalijk gaat: eenige kinderen,
die voor de huizen onder de boomen, die 'er voor stonden, lagen te
spelen, zagen 'er frisch uit. Ik zag hier weder een vrouw met een
vrij groot kropgezwel (_Goitre_) [150]. Deze in der daad bekoorlijke
vlakte verlatende, klommen wij meêr langs de _Gave_ op. De weg is
hier, hoewel altijd smal, dan hoog en dan laag, echter vrij goed,
en veelal aangenaam beschaduwd, en met heggen van palm, die hier en
daar vrij hoog en zwaar is, bezet. De landstreek verliest weder veel
van zijne bevalligheid. Men ziet den berg _Comelie_, die eene schoone
vertooning maakt, voor zich. De natuur wordt weder vriendelijker. De
_Gave_ stroomt minder geweldig; hier en daar vertoonen zich eenige
woningen; een nieuw dal opent zich, en wij naderden het dorp _Gedro_
of _Gedre_. Antoine deed ons in het verschiet den met sneeuw bedekten
top van den berg, dien men _Marboré_ [151] noemt, opmerken. Hier las
ik op een bord voor een huis geplaatst _Douanes Nationales_. Wie
zou in deze bergen een tolhuis zoeken; ondertusschen worden 'er op
paarden en muilezels tusschen dezelve door, nog al eenige goederen
in en uit _Spanje_ gebragt, en de smokkelaars stellen zich veeltijds
aan nog gevaarlijker wegen, dan men hier aantreft, bloot. Men komt
over een brug, die over den stroom ligt, welke men _le Gave de Héas_
noemt, omdat zij door het dal van dien naam loopt. Van daar ziet men
tusschen de rotsen in de diepte, een soort van hol, waar het water
uitstroomt, zijnde van boven door takken en struiken zeer digt gedekt,
zoo dat het licht 'er naauwelijks door schijnt. De stroom maakt
'er een kleinen waterval, en dit groene gewelf noemt men niet zeer
eigenlijk dunkt mij _la Grotte de Gedre_. Men kan 'er uit een huis dat
bij deze brug staat bijkomen. In een ander oord zou deze zoogenaamde
grot, zeker eene aardige en romaneske vertooning maken; doch hier,
daar de natuur zoo vele groote en verbazende schoonheden oplevert,
scheen zij mij minder belangrijk.
_Gedre_, en het bekoorlijk dal van dien naam, ligt aan den voet van den
berg _Comelie_, omtrent 3 uren van _Luz_. Het dorp voorbij zijnde,
klimt men langs dezen berg op. Antoine wees mij op de hoogte in
het verschiet een paal, die hij zeide op de grensscheiding tusschen
_Frankrijk_ en _Spanje_ te staan. Nu begint het 'er eerst regt woest
uit te zien: hier slingert de weg tusschen ontzaggelijke brokken
rots [152], op en onder elkanderen liggende, door. Sommigen zijn
geheel van boven neder in de _Gave_ gerold, en hebben den stroom
genoodzaakt om van loop te veranderen of zich te verdeelen. De rots,
waarvan die vervaarlijke klompen afgevallen zijn, hangt in eene
dreigende houding den voorbijganger boven het hoofd; hier en daar
gaat men onder afgrijsselijke zware stukken door, die naauwelijks
genoegzaam ondersteund, en gereed schijnen, om al wat 'er onder
komt te verpletteren. Welk een arbeid moet het niet gekost hebben,
om hier een' weg, hoe dat hij dan ook is, door te maken; en het is
wel te vreezen, dat men dien arbeid, indien het mogelijk is, nog zal
moeten hervatten; zijnde het maar al te waarschijnlijk, dat 'er nog
meêr van boven neder zal storten. Ook komen 'er, volgens het zeggen
van Antoine, nog dikwijls stukken afrollen, vooral bij het smelten der
sneeuw. Geen groen struikje of kruidje is hier te zien, niet anders
dan brokken rots en lucht. De stroom van de _Gave_, die hier veel
belemmerd wordt in zijn loop, maakt een donderend gedruisch. Het
tooneel is allerontzaggelijkst, en toch zag ik het met een zekere
aandoening van genoegen, zoo wel als van verbaasdheid. Jammer is het,
dat men zich niet op een' grooteren afstand kan plaatsen, om van daar
op eenmaal deze afgrijsselijke puinhoopen der natuur te overzien. Te
regt wordt deze plaats _le Cahos_ [153] genaamd, want waarlijk hier
schijnt het als of de Eeuwige Almagt pas begonnen was met de eerste
hand, als 't ware, aan het werk der Schepping te leggen, en de ruwe
stof pas uit het niet was voortgebragt. De weg in dezen _Cahos_
scheen mij wel een kwartier lang te zijn.
Aan den overkant van de _Gave_ stort een heerlijke waterval, dien men
_la Cascade Saussa_ [154] noemt. Van eene zeer aanzienelijke hoogte
vallende, vormt hij een' schoonen straal, die langs drie of vier
trappen in de diepte stort.
Uit den _Cahos_ komende, gaat men digt voorbij de plaats, waar zeventig
à tachtig jaren geleden eene smelterij plagt te zijn van een lood-
en zilvermijn, die niet ver van daar bestaat, doch thans geheel in
het verval is.
Altijd opklimmende, ziet men al meêr en meêr de sneeuw, die hier en
daar op de in het verschiet gelegen bergen ligt. Vervolgens aan de
regterhand doet zich het dal _le Val d'Ossone_ [155] genaamd op; hier
ziet men weder verscheidene stroomtjes en watervallen boven elkanderen,
en door het frissche loof afruisschen. Altijd opklimmende, verheft men
zich op eene aanmerkelijke hoogte boven de _Gave_. Wat gemeenzamer met
de smalle wegen en afgronden langs dezelve geworden zijnde, waagde
ik het al eens, om 'erin te zien. Hier bevond ik mij op de rand van
een steile diepte, die op omtrent 150 voeten geschat wordt; de _Gave_
stort zich in dezelve van een hoogere bedding met een ontzaggelijk
geweld neder.--De landstreek wordt vooral ook door het boschachtige,
dat 'er zich in opdoet, weder zeer schilderachtig. Van verre ziet men
reeds den vooral in deze streek zoo befaamden waterval van _Gavarnie_,
van de met sneeuw bedekte bergen afstorten [156]. Men meent 'er reeds
digt bij te zijn, en, ondertusschen is men 'er nog wel een groot uur
van daan. Aan onze linkerzijde tegen de helling van eenen groenen berg,
vertoonde zich een herder met eenige schapen en geiten. De diepte aan
de regterhand door de takken der boomen en struiken bedekt zijnde,
schijnt minder vervaarlijk. Eenige steenberken [157] onder anderen,
welker takken, even als die der treurwilligen, met lange slingers
bevallig over de diepte heen schommelden, maakte hier een fraaije
uitwerking. Men gaat de _Gave_ weder over, over een' houten brug,
die _le pont Barygui_ genaamt wordt. Niet, ver van deze brug, die
over een aanmerkelijke diepte van de eene rots op de andere ligt,
is de herberg van _Gavarnie_; hier stapten wij af, en gingen, na
ons een weinig ververscht te hebben, te voet naar den waterval,
want men kan niet wel verder dan nog een eind wegs te paard komen,
en daar staan geen huizen. Het dorpje zelve is een weinig verder dan
de herberg; wij zagen 'er een gedeelte van bestaande in eenige zeer
eenvoudige huisjes. Buiten het dorpje zijnde, heeft men tusschen
twee hoogtens waar den weg midden doorloopt, een heerlijk gezigt op
den waterval en de steile rotsen. Men gaat door een dal, vervolgens
over een smal brugje over de _Gave_ liggende. Op een hoogte geklommen
zijnde, en ongeduldig, om den waterval van nabij te zien, meent men
'er pas eenige schreden van af te zijn, doch men bedriegt zich;
langs een vrij ongemakkelijken weg afklimmende, komt men eindelijk
aan den ingang van het laatste dal, en wel dra wordt men verrukt door
de majestueuse vertooning, die de natuur hier oplevert. Regt uit is
het ruime dal door hemelhooge rotsen, halve cirkels gewijze omgeven;
deze rotsen zijn boven aan met eene soort van trappen, en gelijken in
der daad niet kwalijk naar de zitbanken waarmede de oude Amphithéaters
omgeven waren, waarom deze plaats dan ook vrij algemeen _le Cirque
de Gavarnie_ [158] genaamd wordt. Deze ontzaggelijke muren zijn hier
en daar met eeuwige sneeuw of ijs bedekt, en boven dezelven steken
nog andere rotsen als torens uit, zij worden _les tours de Marboré_
genaamd [159]. Van deze rotsen aan de linkerzijde, stort de voorname
waterval ruim een derde van de hoogte [160] die op 1266 voeten begroot
wordt, zonder de rots te raken, op een uitstek, van daar op een ander,
en vervolgens tot beneden, van waar zij onder een gewelf of brug van
sneeuw doorloopt. Deze brug slechts van sneeuw, en niet van ijs,
zoo als sommigen gemeend hebben, te zamengesteld zijnde, is het
vooral in dit jaargetij, wanneer dezelve al aanmerkelijk gesmolten
is, niet raadzaam om 'er op te gaan. Hier en daar in dit dal, op
de plaatsen, waar de zon niet komt, blijft de sneeuw ook genoegzaam
altijd liggen. Rondom ziet men nog verscheidene kleine watervallen,
die zich alle tot een stroom vereenigen, en de oorsprong zijn van
de _Gave_ van _Pau_ [161]. De groote waterval stort uit een meer, dat
boven op den berg is. Het suissend en kletterend geluid van denzelven
vervrolijkt nog eenigzins deze eenzame woestenij; maar als men niet
door en door nat wil worden door het water, dat 'er als een stofregen
afvliegt, moet men 'er niet te digt bij komen. Aan den regterkant,
over den grooten waterval, boven op de rotsen, is een soort van
doorgang, die men _la bréche de Roland_ noemt. Als men daar door is,
komt men op _Spaansch_ grondgebied; de smokkelaars maken van deze
ongemakkelijken en gevaarlijken weg nog al gebruik. Aan den kant van
den grooten waterval, maar veel digter naar _Gavarnie_ toe, maakt een
bosch van pijn- of denneboomen, tegen deze rotsen, in dit tooneel
een fraaije verscheidenheid, en beneemt 'er eenigzins het treurige
en ontzaggelijke van. Ieder die zoo als wij in dit jaargetij hier
naar toe komen wandelen, en dus warm zijn, mogen zich wel in acht
nemen om 'er niet stil te staan, veel minder te gaan zitten; want
het is 'er al vrij koel. Terug keerende, stond ik dikwijls stil,
om op verschillende afstanden den waterval en omliggende rotsen te
zien. Overal is het schoon, doch op een zekeren afstand komt mij het
gezigt veel schilderachtiger voor dan digt bij, hoewel het daar weder
grootscher en ontzaggelijker is. Ondertusschen schoon deze waterval
te regt verdient bewondert te worden, als zijnde de hoogste die
in _Europa_ bekend is [162], en de reusachtige rotsen, die dezelve
omringen, zoo wel als derzelver gedaante, een nog luisterrijker en
verbazender aanzien aan dit alles geven, had het echter op mij dien
invloed niet, noch verwekte die aandoening als de bron van _Vaucluse_;
misschien omdat het tooneel, daar veel enger en beperkter zijnde,
meêr onder ons bereik valt, of omdat ik reeds meêr gewoon was
aan diergelijke gezigten. Bij de huizen bleef ik mij omkeerende
een poos stil staan, om het gezigt tusschen de twee hoogtens door,
waar ik hier boven van gesproken heb, nog eens ter deeg te genieten
[163]. Onze paarden hadden nu goed tijd gehad om te eten en te rusten,
want wij waren meêr dan 2 uren uitgebleven [164]; de sneeuwbrug wordt
op ruim drie kwartier van de herberg gerekend. Het ziet 'er in deze
herberg nog al gnap uit; doch wij vonden 'er niet veel anders dan
melk, brood, kaas en zeer lekkere boter. De _Fransche_ wijn was
niet te breed, en de _Spaansche_, hoewel goed in zijne soort, was
te walgelijk zoet; trouwens ons oogmerk was ook niet, om hier lang
te vertoeven; daar wij voor het vallen van den avond weder te _Luz_
wilden zijn, en dat is nog ruim 4 uren van daar. Het huishouden
bestond uit een jonge man en vrouw, een bejaarden vader en een paar
dienende huisgenooten. De oude man en zijn zoon spraken nog al redelijk
_Fransch_, zoo dat ik mij gemakkelijk met hun kon onderhouden. Die
lieden kwamen mij vriendelijk en geschikt voor. Behalve de nering
van hunne herberg, meestal door de reizigers die door dezen smallen
weg naar de een of andere _Spaansche_ plaats gingen, of 'er van daan
kwamen [165], bestond hun voorname bedrijf in de veehoederij en de
jagt; en naar ik merkte, scheen vooral de oude man een stoute jager
in zijn tijd geweest te zijn, en nog wel op de wolven en beeren af te
durven gaan. Ik bespeurde duidelijk, dat het hem leed deed, dat hij de
Izard's niet meêr tot op de steile toppen der hooge rotsen vervolgen
kon. Hij verhaalde mij ook, dat men in deze streken lynxen vindt
[166], die zeer veel kwaad aan de jagt doen; dat 'er in de valleijen
en vruchtbare streken patrijzen gevonden werden van een licht grijze
kleur, doch weinig hazen. Hij sprak mij ook van een grooten vogel,
die hij _Paus de Montagne_ noemde; naar ik begreep, en ook na dat
Antoine mij beduidde, moeten het korhoenderen zijn.
In den zomer is het hier voor menschen, die aan deze smalle en
gevaarlijke wegen gewoon zijn, zeer wel om te houden; maar gedurende
die lange winters, wanneer door de sneeuw genoegzaam alle toegang
afgesneden is, en de hongerige roofdieren tot bij hunne woningen
komen, moet het 'er allerakeligst zijn. Met dat al schenen zij
met hun lot wel te vreden, en hadden een vrij juist denkbeeld van
vele onaangenaamheden, die aan een uitgebreider maatschappelijke
zamenleving verknocht zijn. Deze lieden nu en dan met vreemdelingen
omgaande, waren daar door nog al eenigzins, zoo als men het noemt,
beschaafd geworden; maar hunne naburen, vooral die, welke verder
van den weg afwonen, zijn veel eenvoudiger. Over het algemeen zijn
zij zeer bijgeloovig, en houden zich bijzonder met vertellingen van
spokerijen en duivelarijen op; geen wonder, zij hebben geen andere
onderwijzers dan hunne Priesters, die zekerlijk niet van de verlichtste
en onbevooroordeelste zijn.
_Gavarnie_ behoorde voorheen aan de orde der _Tempeliers_, die hier
een Klooster hadden, waarvan bij de Pastorij en de Kerk nog eenige
overblijfsels te zien zijn, en daar na aan de order van _Maltha_. Naar
ik vernam, bevat dit dorpje niet meêr dan omtrent 150 inwoners. Ik zag
'er, zoo als in deze geheele streek, wel eenige groote en welgespierde
mannen, doch naauwelijks eene enkele vrouw, die 'er maar redelijk wel
uitzag. Twijfelende of mijn horlogie wel goed ging, vroeg ik hoe laat
het was; 'er was geen klok of ander uurwerk; doch men riep de oude
man, om op een soort van houten zonnewijzer, waar hij de bewaarder
van was, te zien. Deze zonnewijzer, dien zij _montre solaire_
noemen, is van palmhout gedraaid, omtrent 4 duim lang, en nog geen
duim over kruis dik; het gelijkt veel op een gewigtje van een klok,
rondom staan de uren en maanden geteekend. Door een knopje dat 'er
boven in zit, draait men een blikken wijzertje, op de streep van
die maand, waarin men is, en houdt het dan aan een koordje of iets
diergelijks hangende, met dat wijzertje tegen over de zon; en op die
wijze wordt het uur aangewezen. Het was omtrent twee uren, toen wij
van _Gavarnie_ afreden; bij de brug kwamen wij een paar _Spaansche_
herders op muilezels gezeten tegen, zij schenen hun zondagspak aan te
hebben, dat met een menigte kleine knoopjes versierd was. In het heen
rijden had ik op vele plaatsen meest de hoogtens bekeken, doch thans
zag ik al stoutmoedig in de verschrikkelijkste dieptens. Alles van
een' anderen kant ziende, want in het heen rijden hadden wij weinig
om gezien, hadden de bergen weder eene gansch andere gedaante, en
de natuur leverde alzoo weder nieuwe en allerschoonste vertooningen
op. Bij het dal van _Gedre_ onder anderen, zagen wij aan het eind van
het doorzigt voor ons, tusschen twee in de schaduw staande hellingen
van hooge rotsen, als een V bij elkanderen loopende, den top van een
anderen veel verder gelegen, en door de zon geheel verlichten top
van een andere rots, in de gedaante van een A zoo het scheen regt in
het midden staan. Op verscheidene plaatsen daar wij 's morgens van de
paarden af waren gestapt, bleven wij 'er nu op zitten. Somtijds hangt
het eene been over de diepte, en met het andere raakt men bijna tegen
de steile rots aan den anderen kant van den weg. Op eenige plaatsen
gingen wij echter te voet, niet alleen om het smalle padje, maar ook
omdat het somwijlen steil afloopende was, op losse steenen en gruis
van de rotsen, zoodat de paarden hun voeten dikwijls niet vast kunnen
zetten. Nogmaals bewonderde ik de voorzigtigheid, met welke die dieren
hier gaan, en bevond, zoo als Antoine ons ook gezegd had, dat men best
deed, van hun naar hunne eigen zin maar te laten loopen, houdende den
toom echter zoodanig, dat men ingeval zij struikelden, ze eenigzins
zou kunnen ophouden. Aan de bron bij de brug gekomen zijnde, verzocht
Antoine ons weder om stil te houden en de paarden te laten drinken,
ik beschouwde ondertusschen nog eens het schoone gezigt dat men hier
heeft. Wij hadden aan den kant van de _Gave_ hier en daar menschen
gezien, die forellen met den hengel vingen. Langs dezen weg ziet men
ook enkele woningen; sommige kleine wichten speelden op den rand van
een ontzaggelijke diepte; ik ijsde 'er van, doch zij zijn dat gewoon.
Omtrent 6 1/2 uur kwamen wij weder te _Luz_; terwijl het nog dag
was, maakte ik daar gebruik van om in die bekoorlijke vlakte te
wandelen. Vier of vijf dorpjes liggen allerliefst in dezelve. Sommige
weiden waren met groote platte steenen regt over eind gezet, in plaats
van met hagen, omringd; men was 'er ook nog bezig met hooijen, want
het is hier meest weiland, dat 'er groen en tierig uitzag. Men had
mij verhaald, dat 'er in een van deze dorpjes, _Visos_ geheten, een
geslacht van buitengemeen lange menschen plagt te bestaan, waarvan
sommigen tot bij de acht voeten haalden, en welke menschen zeer oud
werden; dit werd mij hier bevestigd, doch komt het mij daarom nog niet
ontwijfelbaar voor; te meêr, daar de bewoners van deze landstreek
zoo ligt genegen zijn om vreemde dingen en sprookjes te gelooven
[167]. In de herberg terug komende, kon ik het, hoewel het heden
vrij warm geweest was, zeer wel bij het vuur houden; en vermaakte
mij met aan den gemeenen haard met den hospes en een paar boeren te
praten. Het moet van de lieden aan deze kanten zeggen, dat vele onder
hen zeer wel gevoelen, dat de vreemdelingen, van alle kanten naar
_Barèges_ en andere omliggende plaatsen, waar warme of _minerale_
bronnen zijn, toe komende, hun nog al wat geld aanbrengen, en ze
daarom nog al met oplettenheid en eene soort van onderscheiding
behandelen. Van onveiligheid der wegen, niettegenstaande 'er zoo
vele woeste en eenzame streken zijn, hoort men dan ook weinig, en,
naar ik vernam, indien vreemdelingen over eenigen overlast klaagden,
zou het grootste deel der inwoners van het dorp, of de plaats, waar
zulks geschied mogt zijn, 'er zich zeer aan gelegen laten liggen.
Wij hadden een lekker avondmaal, en door de beweging die wij zonder
veel te gebruiken gemaakt hadden, en door de smakelijke spijzen,
waaronder een Izard's bout en uitmuntende forellen, en daar bij wijn,
dien wij sedert eenigen tijd zoo goed niet gewoon waren.
Den 13 dezer. Daar wij den ganschen dag voorhanden hadden, vertrokken
wij eerst om 6 uren 's morgens. Onderrigt zijnde, dat hier diergelijke
houten zak-zonnewijzers, als ik te _Gavarnie_ gezien had, gemaakt
werden, kocht ik 'er een voor slechts eenige stuivers [168]. Over onze
herberg waren wij ook bijzonder te vreden.
Den grooten of postweg nemende, kwamen wij, na de vallei doorgereden te
zijn, wederom tusschen de rotsen langs de _Gave_, en klommen redelijk
hoog, doch de weg is hier breed genoeg. Wij reden, en hadden alles om
ons nog in de schaduw, terwijl de hooge toppen der rotsen en bergen
reeds door de zon verlicht waren. Aan onze linkerhand gingen wij over
eene houten brug over de _Gave_; men vindt hier een soort van bruggen
die zeer ligt schijnen, doch inderdaad stevig zijn; zij zijn aardig
gemaakt. Deze moest door een' steenen vervangen worden, en men was
reeds bezig, om de steenen te bewerken, die men in de nabij gelegen
rotsen overvloedig vindt, en schenen te behooren tot de soort, die men
bij ons blaauwe arduinsteen noemt. Vervolgens wederom eene andere brug
overgaande, heeft men wat verder aan de linkerhand het dorpje _Viscos_,
en aan de regter _Chiéze_; men komt nog over eenige bruggen, de boorden
van de _Gave_, en de engte tusschen twee ketens van rotsen verlatende,
in een alleraangenaamst dal. De weg is tot hier toe, om te voet of te
paard te gaan, zeer goed, maar met rijtuig moet zij niet over hebben;
op sommige plaatsen rollen of schuiven de schilfers van eene soort
van schaliesteen bij zware regenvlagen, en het smelten van de sneeuw,
in een groote hoeveelheid van boven neder, bedekken den weg, en maken
dien somtijds onbruikbaar; dit vereischt een gedurig en kostbaar
onderhoud. Hier en daar, waar zij wat smal langs de diepte is, zijn
'er schutmuurtjes gemaakt. Antoine noemde dit dal _Veille Longue_. Nu
kwamen wij te _Pierrefitte_, een gnap dorp en verrukkelijk gelegen;
hetzelve wordt op omtrent 3 uren van _Luz_ gerekend. Men heeft hier
veel schaduw, vooral van zwaare noten- en castanje-boomen. Ik zag
'er ook wijngaarden, die ongemeen hoog en zwaar waren, tusschen kersen
of andere boomtjes staan, en hunne ranken aan dezelve vasthechtende,
zoo als ik reeds gezegd heb. De verscheidenheid der gezigten, die men
hier overal heeft, is alleraangenaamst. De Abdij _St. Savin_ aan de
linkerhand op een' heuvel met boomen beplant gelegen, ziet men boven
het digte lommer van dezelve uitsteken, en alzoo dit schilderachtig
landschap door een nieuw voorwerp verrijken. Achter ons zagen wij
nog die hooge, spitse, en hier en daar met sneeuw bedekte rotsen, die
wij gisteren nader bij hadden leeren kennen--eenige hout-zaagmolens
door het water bewogen, en zeer aangenaam gelegen, deden zich op.--Men
gaat over eene fraaije steenen brug, die over de _Gave_ ligt.--De weg
stijgt weder vrij hoog langs de helling van een rots langs de _Gave_,
die men aan de linkerhand heeft. Hier en daar was men drok bezig, om
langs dezelve muurtjes te maken, om het gevaar vooral voor de rijtuigen
te verhoeden. Welhaast wordt men het stadje _Lourde_ gewaar. Wij
kwamen 'er tegen den middag aan. Het was 'er juist marktdag; op eene
ruime plaats door boomen beschaduwd stond een groote menigte paarden,
muilezels en rundvee. Hier schijnt men de wreedheid niet te hebben,
van het kalf, zoodra het geboren is, aan zijne moeder te ontrukken;
want ik zag 'er hier verscheiden die zogen; dit belette niet, dat de
koeijen tevens gemolken werden [169]. Verder op in de straten, en op
een andere marktplaats, was het vol kooplieden in linnens, vlas, wol,
en meêr onderscheidene soorten van waren. 'Er stonden verscheidene
kraamtjes, en het was 'er zoo vol, dat men moeite had, om 'er door te
komen. De groote menigte roode kappen (_capelettes_) maakte hier ook
weder eene zonderlinge vertooning; geene eene vrouw zag men 'er bijna
zonder, en zij waren nu op haar zondags opgeschikt. Rondom _Lourde_
wordt vlas geteeld; in die plaats zijn vele linnenweverijen, en de
bonte neusdoeken, die 'er in menigte gemaakt worden, zijn beroemd,
en worden hier omstreeks vooral zeer veel gedragen. De naburige
_Spanjaarden_ komen hier ook veel ter markt; doch het scheen mij toe,
dat zij genoegzaam hetzelfde _Patois_ spreken, als de bewoners van dit
gedeelte der _Fransche Pyreneën_. De vrouwen, die wij hier op de markt
en in de straten zagen, hadden genoegzaam alle den spinrok op zijde
tusschen hun rokken steken [170], en velen dreven al spinnende handel,
praatten, liepen heen en weder enz. zij sponnen vlas en wol. Uit het
Posthuis, een vrij groote herberg, waar wij onzen intrek genomen
hadden, om het middagmaal te nemen, ziet men op de markt; en ik
vermaakte mij met de drukte, en het gewoel van de menigte, waaronder
het grootste deel half rood was. De handel in dit plaatsje schijnt
aanmerkelijk te zijn; want naar ik vernam, heeft zulk een markt alle
veertien dagen op Donderdag plaats. Zij verdient wel gezien te worden.
Op een rots bij dit _Lourde_, ligt een soort van vesting of sterk
kasteel, in vroegere tijden door de Graven van Bigorre, vervolgens
door andere geslachten bezeten, eindelijk een eigendom van de kroon
van _Frankrijk_ geworden, en voor een Staatsgevangenis gebruikt,
waar toe het nog heden dient: twee personen in het regtsgeding
van de beruchte zamenzwering tegen het leven van den eerste Consul
Bonaparte begrepen, worden 'er, naar ik vernam, bewaard; het aangenaam
gezigt dat zij van daar kunnen hebben, kan dezen kerker nog al veel
dragelijker maken dan zoo vele anderen. Dit kasteel met de stad,
stond in het laatst van de 14e eeuw, in het bezit van de _Engelschen_
zijnde, eene belegering uit tegen de krijgsmagt van Karel den V.,
Koning van _Frankrijk_, en hield het vol.
Ik zag hier een zeer groote zware koets van een wonderlijk maaksel,
die met reizigers uit _Spanje_ kwam, met zes muilezels en met een
menigte touwen bespannen was.
In onze herberg was het zoo drok, dat wij naauwelijks te eten konden
krijgen; het maal was 'er dan ook op verre zoo goed niet als te _Luz_,
en wij betaalden evenwel den gewonen prijs.
Zonderling dat ik onder het groot aantal van vrouwen, die hier van de
plaatsen rondom verzameld waren, 'er weder genoegzaam geen eene vond,
die 'er maar zeer redelijk wel uitzag. Velen hadden kropgezwellen.
Om drie uren verlieten wij, en met ons een aantal menschen en vee, dit
neringrijke en naar allen schijn zeer welvarend plaatsje; wij waren
nu nog omtrent 3 goede uren van _Bagnères_, langs den weg, dien wij
te nemen hadden. _Luz_ en deze laatstgenoemde plaats rekent men over
_Pierrefitte_ op ruim acht uren. De weg levert minder verscheidenheid
van gezigten op dan aan den anderen kant; doch is echter aangenaam
en hier en daar lommerrijk. Te _Lourde_ verlaat men de boorden van
de _Gave_, die daar langs de stad stroomt, om den weg naar den kant
van _Tarbes_ inteslaan, tusschen welke stad en _Bagnères_, een goed
eind beneden deze laatste plaats, men dan ook uitkomt; zoo veel moet
men uithoofde van de bergen omrijden. Het was zes uren, toen wij wel
voldaan over dit reisje, te _Bagnères_ te rug gekeerd waren.
Den 14 September. Na den gansche voormiddag doorgebragt te hebben
met dit dagverhaal voor u in orde te brengen, kwamen zij mij roepen,
om een levendige Izard, in onze buurt op een binnenplaats loopende,
te gaan zien. Het beestje was pas drie maanden oud. Men had het zeer
jong gevangen en hier opgevoed. Het geleek naar een jong bokje, zijn
hoorntjes begonnen even voor den dag te komen. Het was rosachtig
van kleur, en had de achterbeenen langer dan de voorste, kunnende
daardoor zeer goed springen. Ook was het in een paar sprongen een trap
van verscheidene treden, op deze plaats staande, op. Hoewel met de
lieden van het huis nog al gemeenzaam, was het voor ons zeer schuw,
trachtte zich gedurig te verschuilen, en maakte een steenend geluid,
als wij het wilden opvatten.--Hoe gaarne had ik dit diertje in de
nabijgelegen bergen zijne vrijheid gegeven [171].
Aan tafel wierden weder een menigte voorvallen, die bij het spel
plaats gehad hadden, verhaald; onder anderen, dat den vorigen avond
een speler door wanhoop verwoed, zich vreesselijk had aangesteld, en
een stoel tot splinters had van een geslagen. De wacht was 'er aan te
pas gekomen. Vele van onze dischgenooten lagchten en staken hier den
spot mede. Toen ik van tafel kwam, lokte mij een trompetter bij een
hoop volks, die op de plaats digt bij het speelhuis stond. Een fraai
paard met zadel en toom werd 'er aan den meestbiedenden verkocht,
het had aan een' ongelukkigen speler behoort. Dergelijke verkoopingen
vallen hier schier dagelijks voor. Zwendelaars en leenders op pand,
ontbreken hier ook niet; en helaas! indien de wateren van _Bagnères_,
en andere plaatsjes in deze landstreek, eenig voordeel aan derzelver
bewoners opleveren, zij maken ook, dat 'er zeer veel zedenbederf onder
die eenvoudige en anders zoo nabij den natuurstaat levende menschen
wordt gebragt.
Zoo gij iemand kent, die deze bergen mogt komen bezoeken, kunt gij
hem onzen geleider Antoine Idrac, alhier woonachtig, als een goed en
geschikt man, aanbevelen. Die wat goed lach's zijn, zal hij daartoe
nog al eens stof verschaffen, door een aanwendsel dat hij heeft van
schier overal de woorden _c'est fort inutile_ [172] bij te voegen,
hoe ten onpasse het 'er ook dikwijls bijkomt.