_Bagnères, 9 September._
Gisteren ben ik hier aan den voet van die keten hooge bergen, die de
grensscheiding van _Frankrijk_ en _Spanje_ maken, aangekomen. Den 6
dezer reed ik, terwijl het nog duister was, uit _Toulouse_. De poort
van _St. Cyprien_ uitgereden zijnde, zagen wij een half uur buiten de
stad, aan de linkerhand van den weg, de bron _la Fontaine de Perpan_
genaamd, welke, naar men zegt, een zeer heilzaam mineraal water geeft;
ik vond 'er echter geen anderen smaak aan dan aan gewoon water. Aan
de fontein is ook niets bijzonders te zien, zij is als een vierkant
koepeltje gemaakt, en uit drie ruw gebeeldhouwde koppen loopt het
water; men had mij dit nog al als iets bezienswaardig opgegeven. De
ligging onder eenige vrij hooge Italiaansche populieren, is nog
al schilderachtig. De weg is zeer goed, aan beide zijden aangenaam
beplant, en rondom ziet men eene vruchtbare vlakte. Wij ontmoetten
verscheidene spannen met ossen, zoo als ik 'er _Toulouse_ ook al gezien
had; zij zijn aan elkanderen gekoppeld door middel van een hout,
dat dwars tegen de horens met riemen vastgemaakt wordt; midden in
hetzelve is een gat, waar door de disselboom, tusschen de twee beesten
inkomende, doorgestoken, en met een pen vastgemaakt wordt; hier in
bestaat al het tuig van dit gespan: want een toom of lijsten hebben zij
ook niet, in plaats van dat, heeft de voerman een langen regten stok,
waarmede hij hen bestuurt, dezelve tusschen de horens inleggende,
en daar bij somtijds eenige woorden voegende; deze voerlieden hebben
lederen schootsvellen voor, zoo als bij ons de schoenmakers.
De _Garonne_ over zijnde, is men in het voormalig _Gascogne_, en de
landen tusschen deze rivier, den _Oceaan_ en de _Pyreneën_ gelegen,
werden gemeenelijk onder de benaming van _Gascogne_ begrepen. Bij
het dorpje _Lequevin_, waar de weg over een hoogte loopt, heeft men
een aangenaam gezigt over de schoone en vruchtbare vlakte. Aan de
regterhand, op een zekeren afstand van den weg, ziet men een bosch,
dat zeer uitgestrekt schijnt te zijn, doch 'er waren geen zwaare boomen
in, en diende, naar ik vernam, genoegzaam alleen voor brandhout. Men
noemt dit het bosch van _Boecol_. De weg is hier zeer ongelijk,
en men is den eenen heuvel pas af, of men moet den anderen weder
opklimmen. De grond schijnt hier ook zoo goed niet als digter bij
_Toulouse_, en Turksche tarw was het voornaarmste dat ik 'er zag;
hier en daar staat ook gierst, dat men _petit millet_ noemt. De grond
wordt hier veel met mergel [121] gemest; zulk eene bemesting voedt
den akker voor verscheidene jaren. Op sommige akkers zag ik nog eene
andere soort van _maïs_ of Turksche tarw, die weinig graan geeft, en
alleen geteeld wordt, om 'er bezems van te maken; zij groeit hooger,
en is ranker dan de andere, daar bij zijn de pluimen, die om te veegen
dienen moeten, veel langer, en vrij stevig; diergelijke bezems, netjes
gebonden, worden in gansch _Provence_ en _Languedoc_ bijna gebruikt,
ik zag ze zelfs al te _Lyon_; dit is dan nog al een tak van handel,
en indien het niet zoo afgelegen was, zou ik onze _Hollandsche_
vrouwtjes wel durven aanraden, om 'er een goeden voorraad van op te
doen. Nu rijdt men een brug over eene beek, door een dal stroomende,
over; en hier zag ik iets, dat ik in langen niet gezien had, frissche
groene weilanden, waarin een menigte rundvee en paarden graasden. 3
1/2 post van _Toulouse_ ziet men een onaanzienelijk steedje, _l'Isle
de Jourdain_ genaamd. Voorheen lag het in zijne wallen, en had een
Kasteel, doch deze zijn al sedert vele jaren afgebroken. De inwoners,
eenige jaren geleden, oneenig zijnde met eenige krijgslieden en
burgers van _Toulouse_, had zulks hier verregaande dadelijkheden
ten gevolgen. Overal waar maar huizen staan, ziet men eene menigte
gansen, waarvan dit land ongemeen voorzien schijnt. Nu en dan treft
men ook nog wijngaarden aan, maar geen olijf- of moerbezienboomen
meêr. Twee posten verder dan het laatstgenoemde plaatsje, namen wij het
middagmaal, in een steedje _Gimont_ genaamd, aan een riviertje gelegen,
en waar een ruime geheel overdekte plaats is, waar men markt houdt,
en die men _la Halle_ noemt; de landlieden, uit den omtrek, brengen
hier hunne waren ter markt, en dit geeft nog al eenigen handel. Het
ziet 'er hier nog al tamelijk uit, de maaltijd was redelijk goed,
en de prijs zeer matig. Niet ver van hier, zegt men, zijn mijnen,
waar _turkoisen_ gevonden worden, die weinig van de Oostersche
verschillen. De weg loopt aanhoudend over bergen en dalen, zoo dat
men schier aanhoudend niet anders dan stapvoets voortgaat; te meêr,
daar men maar weinig van paarden verwisselt; doch ik verveelde mij
niet, om dat de landstreek aangenaam is, alles is bebouwd; hier en
daar heeft men boschjes en boeren-hoeven, die men _Metairies_ noemt;
onder dezelven ziet men 'er die met de aangelegen schuren, stallen,
enz. al vrij groot zijn, en wel kleine gehuchten gelijken. Een groot
ongemak echter is het gebrek aan water, dat hier in gansche streken
plaats heeft, zelfs met den ongewonen regen, dien wij gehad hebben,
en die nogthans aan alles een buitengemeen frisch aanzien geeft; moest
men het van een huis aan den weg liggende, en waar wij een oogenblik
vertoefden, omtrent een half uur ver halen; zelfs waren 'er van de
naburen, die nog verder van die bron af woonden; het was dus niet
meer dan billijk, dat ik een glas water, dat ik hier dronk, betaalde.
Omstreeks half zeven kwamen wij te _Ausch_, hoofdplaats van het
Departement _le Gers_, voorheen van _Gascogne_. _Toulouse_ en _Ausch_
zijn 8 1/2 post. Daar het avond werd, haastte ik mij om de hoofdkerk te
gaan bezigtigen, waarvan de geschilderde glazen in dit land zoo beroemd
zijn als bij ons die van _Gouda_; doch het maakt de Kerk inwendig zeer
donker; het snijwerk van het koor is ook zeer fraai gewerkt. Men had
hier en daar op de altaars bloeijende Tuberozen gezet, die eenen zeer
aangenamen reuk door de gantsche Kerk verspreidden. Men wil dat deze
Kerk reeds door Koning Clovis, dat is in het laatst van de 5de, of in
het begin van de 6de eeuw, gebouwd is. Het portaal is _modern_ werk,
zijnde door Gervais Drouet in 1671 uitgevoerd. Aan beide zijden van
dit portaal staat een vierkante toren met kolommen van onderscheidene
bouworders versierd; het maakt een prachtige vertooning, vooral om
dat men 'er het gezigt op heeft van eene ruime plaats; doch naar ik
vernam, weten bouwkundigen 'er veel op aantemerken. Dat dit werk in
den _Antiken_ smaak, met het overige Gothische, een misselijk geheel
uitmaakt, is ligtelijk te zien. De stad op eene hoogte liggende,
heeft men van het terras, dat met boomen beplant is, en voor eene
gemeene wandelplaats dient, een aangenaam gezigt. Aan den voet van
den hoogen heuvel, waar _Ausch_ op en tegen aan gelegen is, stroomt
het riviertje _le Gers_, waar naar het Departement genaamd wordt.
Het Stadhuis, hoewel niet groot, is een fraai gebouw; het scheen nog
niet lang gestaan te hebben. In hetzelve is een schouwspelzaal.
_Ausch_ is verdeeld in de hooge en lage stad. Men klimt uit deze naar
de eerste, behalve langs den rijweg, door middel van een steenen trap,
die naar men zegt, want ik heb ze niet geteld, twee honderd treden
hoog is. Het Stadhuis staat ook in de stad, en ik zag daar meêr gnappe
gebouwen. Het getal der ingezetenen bereikt nog geen 8500. Men maakt
'er een soort van pijlaken en andere wollen-stoffen.
Wij hadden hier eene zeer goede herberg bij Alexandre, die man is
buitengemeen dik, en wordt daarom boertender wijze Alexandre _le gros_
[122], in tegenoverstelling van Alexandre _le grand_ [123] genaamd. Ons
avondmaal was met zoo veel orde en netheid opgezet, dat men het in
een _Hollandsch_ deftig burgerhuis niet beter zou verlangen. De dikke
Alexander, die een goed gul man scheen, en een paar gnappe dochters
dienden zelfs van tijd tot tijd mede. 'Er was overvloed, en de spijzen
waren zeer goed bereid; wij zaten 'er met ruim 20 personen aan tafel;
want de gaande en komende postwagen houdt hier nachtverblijf. Over
de kamers en bedden waren wij ook wel te vreden, en betaalden niet
meer voor eten en slapen dan £3-:-: beter en goedkooper herberg hadden
wij tot nog toe niet aangetroffen. En wat men ook van de _Gasconjers_
zeggen moge, het huis van Alexander _de dikke_, te _Ausch_, vind ik
tot nog toe de beste herberg van _Frankrijk_.
Den 7 dezer. 's Morgens om 4 uren moesten wij onze goede herberg
weder verlaten. Een eind weegs voortgereden zijnde, ziet men van
eene aanmerkelijke hoogte, waarover de weg loopt, de toppen van de
_Pyreneën_, welke zich in de wolken schijnen te verliezen, zoo dat men
ze hier en daar van dezelve naauwlijks onderscheiden kan. De wagen door
de steile helling van den weg zeer langzaam moetende gaan, gingen wij
te voet, en hadden daar door nog meêr genot van het schoon gezigt. Drie
posten van _Ausch_, kwamen wij door het steedje _Mirande_, waar ook
een ruime overdekte marktplaats is. Men breidt hier veel ongemeen
fijne en mooije wollen kousen, onder den naam van kousen van _Mirande_
bekend. Zij worden van vette wol gebreid, en daar na uitgewasschen
(_degraissés_). Ik vond 'er heden in het voorbijgaan geen te koop,
om dat de opkoopers van _Bourdeaux_ en andere omliggende plaatsen,
zich den vorigen dag van al het voorhanden zijnde werk meester
hadden gemaakt.
Ik heb u nog niet van onze reisgenooten gesproken. De voornaamste
waren een gewezen Kapitoul van _Toulouse_, een bejaard Heer met zijne
dochter, en een _Gasconjer_, die te _Ausch_ op den wagen gekomen was,
en voor zijn vermaak _Bagnères_ ging bezoeken. Als men tegenwoordig
een dag met iemand in _Frankrijk_ op een postwagen zit, wordt men,
hoewel 'er de menschen niet regtstreeks voor uit komen, al ligt
gewaar tot welke politieke geloofsbelijdenis zij behoorden. Het
viel mij dan ook niet moeijelijk om te ontdekken, dat de gewezen
Kapitoul _Bourbons_-gezind was; de bejaarde Heer een voorstander
van de tegenswoordige orde van zaken, en de _Gasconjer_ tamelijk
onverschillig, hoewel nog meer naar de oude dan naar de tegenwoordige
regering overhellende, omdat de Provincien toen ook nog wat intebrengen
hadden. Dat ik een _Hollander_, en een ijverige voorstander van een
Republikeinsch bestuur was, stak ik onder geen stoelen of banken;
niemand bestreed dit gevoelen meêr dan de bejaarde Heer, en wilde
zelfs beweeren, dat 'er geen beter regeering was, dan een volstrekt
willekeurig gezag (_Despotisme absolu_), dit hield hij onverzettelijk
staande, en was 'er door geene kracht van reden aftebrengen. Wij
verschilden dan alle in gevoelens van hem, en daar het gesprek, vooral
met mij, al vrij ernstig begon te worden, trachtte de _Gasconjer_ het
op een ander onderwerp te brengen, en begon van de jagt te spreken,
zeggende dat hij reeds verscheidene malen in de _Pyreneën_ geweest
was, en daar meêr dan eens jagtpartijen op Izards [124], Wolven en
Beeren had bijgewoond, en zelfs eens een Beer geschooten; een menigte
zonderlinge omstandigheden ontbraken hier niet aan. Onze voorstander
van het _Despotisme_, dit alles met zeer veel belangneming aanhoorende,
vroeg nu, en dat in goeden ernst, of 'er ook aapen in de _Pyreneen_
waren. Ieder had moeite om zich van lagchen te onthouden. Intusschen
kwamen wij berg op berg af te _Mielan_, een dorp 4 1/2 post van
_Ausch_, alwaar wij het middagmaal moesten houden. De _Gasconjer_
sprak hier eenigen tijd met den verdediger van het _Despotisme_
alleen, en verhaalde ons daar na dat hij van hem vernomen had, dat
zijn oogmerk was om naar _Pau_ te gaan, en bezit te nemen van een
post, die hij bij het _Lycéum_ aldaar gekregen had. Dit verspreidde
zeer veel licht over deze zaak. Ik denk echter niet dat hij te werk
gesteld zal worden om onderwijs te geven in de Natuurlijke Historie.
Hier omstreeks zagen wij sommige vrouwen met kappen van rood laken,
het geen naar ik vernam, vooral hooger op een gewoon hoofdtooisel is.
De wijngaarden zijn in deze landstreek veel hooger van stam dan ik
ze tot nog toe gezien had, en worden niet alleen aan regt opstaande
staken, maar ook aan dwarshouten, opgebonden. Hier zag ik veel
wilde kersenboomen, dienende om de wijngaarden te ondersteunen;
de wijngaarden wierden tegen den stam van den boom opgeleid, en de
ranken tusschen de boomen aan elkanderen vastgehegt, en maakten, als
_Guirlandes_ hangende, eene sierlijke vertooning. Deze kersenboomen,
die in plaats van staken bij de wijngaarden dienen, worden 's jaarlijks
ingekort, om dezelve klein te houden. Men verkiest die boven de
gewone staken, omdat deze, in den grond verrottende, gedurig moeten
vernieuwd worden.
Men heeft hier weder eene aanzienelijke hoogte, en aan den voet
van dezelve ligt het steedje _Rabastens_. Een beekje stroomt hier
langs den weg die alleraangenaamst en zeer effen is, en genoegzaam
regt loopt tot _Tarbes_, zijnde nog 2 1/4 post. De landstreek, hier
aanhoudend besproeid zijnde, heeft men 'er veel groene beemden. Het
werd donker, en daar het heden vrij warm geweest was, waren onze
paarden zeer afgemat, want zoo wel heden als gisteren, hadden wij
maar eens van paarden verwisseld. Deze postwagen is dan ook al een
van de minsten, dien ik op deze reis aangetroffen heb. De zich zoo
beschaafd wanende _Franschen_, komen mij over het algemeen ook al
zeer ongevoelig voor omtrent het vee, en dikwijls ergerde mij de
behandeling der paarden. Het doet mij zeer, als ik zoo een goed en
nuttig dier zie mishandelen, en (velen mogen hier om lagchen) mij
dunkt, dat in eene wel ingerigte maatschappij, ook de dieren door
wijze wetten tegen mishandeling behoorden beveiligd te worden. Vooral
moesten redelijke ouders of onderwijzers de kinderen streng bestraffen,
wanneer zij zich bezig houden met dieren, evenveel welke, te martelen
of te plagen. Men begint dikwijls met het mishandelen van vliegen,
en men eindigt met het mishandelen van menschen.
Eer men te _Tarbes_ komt, rijdt men over eene brug die over het
riviertje _l' Adour_ ligt. Het was bijna acht uren toen wij in die
stad aankwamen. _Tarbes_ is 16 3/4 posten van _Toulouse_. Wij namen
onze intrek in het Hotèl _de France_ bij Buron, waar wij een tamelijk
goed avondmaal vonden.
Den 8 dezer. Wij beslooten tot na den middag hier te blijven, om
onderwijl de plaats te zien. Zij is de hoofdstad van het Departement
van de _Hautes Pyrenées_, voorheen van het Graafschap _Bigorre en
Gascogne_, in eene aangename vlakte aan den oever van de _Adour_
gelegen, en ruim 6200 inwoners bevattende. De straten zijn 'er breed,
en schier overal stroomt aan beide zijden van dezelve een beekje van
helder water, het geen veel tot de frischheid en zuiverheid van deze
plaats bijdraagt. In deze beekjes baadden zich een menigte eenden,
gansen, en ook die soort, welke men bij ons Kaapsche gansen noemt,
en die hier zeer algemeen schijnen. Men ziet 'er nog al gnappe huizen,
doch de meeste zijn maar een of twee verdiepingen hoog, het geen dit
stadje des luchtiger en vrolijker maakt. Op de marktplaats staan zware
boomen, die eene aangename lommer geven. De boerinnen, die hier met
groentens, vruchten en andere eetwaren zaten, hadden alle roode, en
eenige weinige witte lakensche kappen op; de voorname vrouwen hadden
ze van bruinachtig grein, met een lichter stof van een andere kleur,
doorgaans rood, gevoêrd, en welke het geheele lijf bedekken. De gemeene
wandeling is ook aangenaam met lindeboomen beplant, en men ziet van
daar de _Pic du Midi_, en andere hooge _Pyreneesche_ gebergtens. Voor
onze herberg was ook eene zeer ruime plaats, waar de voorname markten
gehouden worden.
Het oude _Begorra_, _Castrum Begorrense_, en later _Turba_ genaamd,
door de oorlogen verwoest zijnde, is het tegenwoordige _Tarbes_, in
stede van hetzelve gesteld. De hoofdkerk staat op eene plaats, welke
men voor dezelfde erkent, waarop een gedeelte van het oude _Castrum
Begorrense_ stond. Doch wanneer en door wie de oude stad gebouwd is,
weet men niet. Die Kerk heeft voor het overige, voor zoo ver ik kon
ontdekken, niets aanmerkelijks, zoo min als een ander diergelijk
gebouw, maar dat van veel jonger _datum_ scheen. In deze laatste werd
juist de mis gelezen, het was een heilige dag, en de meenigte vrouwen
met roode kappen op, die, geknield liggende, een groot deel van het
ruim dezer Kerk vervulden, maakte eene zonderlinge vertooning, en
zij geleken niet kwalijk naar zoo vele kleine roode pyramides, die
de lakenkoopers gewoonlijk in en voor hun winkels maken; want deze
kappen, die men _capelettes_ noemt, bedekken het geheele bovenlijf
van de vrouwen, en wij zagen ze van achteren.
Om 3 uren na den middag vertrokken wij naar _Bagnères_, met een
_Berline_ (groote koets) met drie paarden, die wij met ons vijven
voor £ 20 -- gehuurd hadden, voerende onze bagage mede. De weg is
zoo gelijk als die van _Rabastens_ naar _Tarbes_. Van tijd tot tijd
heeft men ter zijde van dezelve eene liefelijk ruisschende beek,
bevallige beplantingen en boschjes, die een digte schaduw geven;
nu en dan lagchend groene weilanden, velden met Turksche tarw [125],
en gierst die veel weelderiger staat, dan ik ze tot nu toe gezien
had. Ook hier, even als in de _Cevennes_, scheen het nog lente. Een
menigte boeren en boerinnen van een naburige markt terug keerende,
kwamen ons tegen, met jong vee, paarden en muilezels, waarbij veel
veulens. Alles was vrolijk, jongens en meisjes sprongen zoo wel over
den weg heenen als de veulens en kalveren. Dan zag men een paar
bejaarde boeren druk met elkanderen in gesprek, van tijd tot tijd
stilstaande, en vele bewegingen met de handen makende; dan weder een
aardig paartje langzaam volgende, de jongen met den arm om den hals van
het meisje, welke, toen zij ons naderde, de oogen nederwaards sloeg;
daar een hoop lustige knapen, hand aan hand loopende, zingen, en op
eene dartele wijze de voorbijgaande groetende; en ginds een wagen
vol vrouwen, alle met scharlaken _capeletten_ op, waarop het gezigt
schier schemerde. Dit alles leverde voor mij eene zeer vermakelijke
vertooning op. Men komt ook door eenige niet onaangename dorpen,
waarvan de huizen van keisteenen gebouwd zijn. Deze keisteenen zijn
op eene regelmatige wijze op elkanderen geschikt; dan heeft men een
laag kleine, en dan weder een laag grootere, dan langwerpige en dan
ronde, het geen aan die muren geen onbevallig voorkomen geeft; zij
zijn met een soort van kalk of cement gemetseld. De daken zijn alle
van leijen. De valei waar door deze weg loopt, is zeer aangenaam
en vruchtbaar; het riviertje de _Adour_ stroomt door dezelve, men
wordt dien snellen stroom zelfs hier en daar van den weg gewaar. Voor
zich ziet men het stadje _Bagnères_, aan den voet van ontzaggelijke
bergen liggen, waar onder zich de punt van de _Pic du Midi_ bijzonder
onderscheidt. De landstreek is hier verrukkelijk. Het was ruim zes
uren toen wij te _Bagnères_ aankwamen. _Tarbes_ en _Bagnères_ zijn
2 1/2 post. Wij waren verpligt om nog al een poos heen en weder te
loopen eer wij een logement konden vinden, want het was bijna overal
vol. Eindelijk kwamen wij te regt bij Mad. _la Veuve_ Uzac, die ons
een paar nette kamers bezorgde in een huis, dat haar behoorde, en door
eene bejaarde weduwe met eenige dochters bewoond werd; wij waren daar
zeer wel, en aten aan de gemeene tafel ten huize van de weduwe Uzac.
Van _Toulouse_ af tot hier toe hadden wij met een koopman van
_Bordeaux_ gereisd, doch die altijd in de _Cabriolet_ van den postwagen
gezeten had. Te _Tarbes_, en hier naar toe rijdende, hadden wij
nader kennis gemaakt; het scheen een hupsch en vriendelijk mannetje;
doch nimmer heb ik een mensch, vooral van die jaren, (hij scheen
omtrent de 50) gezien, die woeliger en snapachtiger van aard was;
geen oogenblik zat hij stil, zelfs van tafel stond hij geduurig op,
en veranderde aanhoudend van gesprek; met dat al scheen hij zijn
oordeel vrij wel te hebben. Ik heb opgemerkt, dat de menschen aan
deze kanten, over het algemeen, zeer levendig van aard zijn, en in dit
opzigt is het verschil tusschen hen en onze echte landslieden al zeer
aanmerkelijk. Ik heb somtijds in mijn verbeelding een paar statige
_Haarlemsche_ burgers, ieder met een eenvoudige paruik en hoed op,
een japon aan, een lange pijp met de eene hand in den mond houdende,
en de andere op den rug of tusschen de sjerp [126] geplaatst in het
midden van eenige _Gasconjers_, of _Provencalen_, van dezelfde jaren,
en tot denzelfden stand behoorende; maar het kwam mij voor, dat deze
menschen in 't geheel niet bij elkanderen hoorden.
Op de _Cours_, of gemeene wandeling, dat hier ook een breede straat
is, in het midden eenigzins verheven, en aan beide zijden met een rij
boomen beplant, zag ik eene menigte wandelende Heeren en Juffrouwen. Ik
liep ook eens in het huis, waar men hier openlijk dobbelspelen om grof
geld gedoogt, en zag 'er, met smarte, zelfs verscheidene boeren uit
het landschap, voorheen _le Bearn_ genaamd, om _Louïs d'Ors_ spelen
[127]. Voor hem die zich op menschenkennis toelegt, is 'er in zoo een
speelhuis nog al wat optemerken; schraapzucht, vreugde, wanhoop,
haat, mistrouwen, ongeduld, woede, alle deze hartstogten zijn beurt
om beurt op het gelaat van de meeste, die rondom deze speeltafels
staan of zitten, te lezen. Brandend staren de oogen op de kaarten,
dobbelsteenen, of nommers; gedurig hoort men half binnens monds
vloeken, zuchten, morren, of met den voet stampen.
Den 9en September. Reeds om zes uren ging ik wandelen, en klom
den berg, dien ik uit het venster van mijne slaapkamer zien kan,
op. Aan de helling van dezen berg vindt men een badhuis, waarin
het water vrij warm is [128], boven hetzelve opklimmende, komt men
aan eene aangename wandeling onder zware en lommerrijke boomen,
en hier is nog een huisje, waar men het water drinkt, betalende
daar voor aan lieden, die het gepacht hebben; om de warmte is het
walgelijk, doch anders vond ik 'er geen' onaangenamen smaak aan. De
warme bron, die dit water oplevert, wordt de bron van _Bagnerolles_
(_source de Bagnerolles_), ook bron van de Koningin (_source de la
Reine_) genaamd. Zij geeft, volgens daarvan gevonden aanteekeningen,
495 _Cubiek_ voeten water in één uur. Het water van deze bron wordt
in verscheidene baden verdeeld, onder anderen ook in een huis, dat
insgelijks aan de helling van dezen berg zeer aangenaam gelegen is,
en voorheen aan de Kapucijner Monniken behoorde. In sommige dier
baden moet men betalen, in anderen voor minvermogenden geschikt,
kan men om niet gaan. Men ziet hier dan ook een aantal kreupelen,
lammen en ziekelijke menschen van allerlei ouderdom, en van beide
kunnen. Hooger opgaande, wandelt men nog altijd onder eiken-, beuken-
en castanje-boomen, waar onder zeer zware. Ik vond eenige boomen
omver liggen, zij waren nog maar onlangs door eenen zwaren storm
en onweder geveld. De wandeling is hier alleraangenaamst, vooral
in zulk eene heerlijken morgenstond, als wij heden hadden. De berg
hooger en hooger opklimmende langs smalle voetpaadjes, heeft men een
verrukkelijk gezigt, aan de noord- en noord-westzijde over de schoone
vallei, die wij gisteren waren doorgereden, en de omliggende dorpen,
voor zich, over het stadje _Bagnères_ heen, tot tegen de boschjes en
groene heuvels aan den anderen kant van de _Adour_ gelegen. Zuid en
zuid-oostwaards heeft men ontzaggelijke hooge rotsen en bergen, daar
de _Pic du Midi_ [129] boven uitsteekt. De helling is hier tamelijk
stijl, en men moet ter deeg klauteren; echter schijnt het vee
daar zoo gemakkelijk te weiden als bij ons, en elders in de vlakke
weilanden. Wij ontmoetten hier ook een meisje, dat eenige koeijen
en geiten hoedde, want deze berg is genoegzaam geheel groen, en de
menigte kruiden van onderscheidene soorten, die 'er op groeijen,
geven zoo wel een' lieffelijken reuk als een vrolijk gezigt. Deze
herderin geleek evenwel in 't geheel niet naar die, waarvan ons de
oude Dichters zulk eene bevallige beschrijving geven; zij was in 't
geheel niet schoon, en had in plaats van een bloemkrans, eene roode
baaijen kap op het hoofd [130]. Den top bereikt hebbende, was het
gezigt nog uitgestrekter, doch bleef altijd door de bergen, die veel
hooger waren dan die, waarop wij ons bevonden, en die in vergelijking
van dezelven maar een heuvel was, zeer bepaald. Oostwaards ziet men
ook niet anders dan bergen, en hier en daar tusschen dezelven eenige
woningen en boschjes, schilderachtig gelegen. Aan den anderen kant
afklimmende, zagen wij, het water uit een bron, dat een klein beekje
maakte, volgende, dat hetzelve zich in een diepte tusschen de rotsen
verloor. Ik klom daar in, en vond beneden een spelonk, waar ik zonder
licht niet ver in durfde gaan; doch die, naar het rollen der steenen,
die ik 'er in smeet, te oordeelen, vrij diep moest zijn; het water,
dat hier inloopt, komt waarschijnlijk beneden weder uit, en maakt eene
tweede bron. Een landman, dien ik hier omstreeks ontmoette, noemde
deze spelonk (voor zoo veel ik hem begrijpen kon) _la Grotte ou le
Clos de la Lacque_. In een enge vallei wat verder op, zag ik in een
waterplas, bij eene kleine bron tegen het zuid-oosten warm gelegen,
een menigte jonge kikvorschen, zoo als men die bij ons in de maand Mei
ziet, namelijk zonder pootjes, en alleen met een staartje. Men vindt
hier nog tegenwoordig tusschen de bergen eene menigte aardbeziën. De
lente, zomer en herfst zijn hier om zoo te spreken vereenigd; want
eigenlijke lente en herfst, zoo als bij ons en elders, heeft men
'er niet. De sneeuw begint somtijds al in het midden van October te
vallen, de bergen worden daar vervolgens mede overdekt, en de valleijen
tusschen dezelven vervuld; deeze ontzaggelijke menigte op een gehoopte
sneeuw blijft door de koude, die zij zelve veroorzaakt, lang in wezen,
en smelt niet eerder, voor dat de zon al vrij wat kragt gekregen heeft,
en dan is het welhaast zomer [131]. Niet ver van hier aan de helling
van een berg, is eene andere spelonk, die men _la Grotte ou le clos
Destugue_ noemt; somtijds was men hier met fakkels in-, en een goed
eind wegs onder den berg door gegaan, of gekropen. Hier en daar vond ik
eenige hutten zeer aardig en bevallig gelegen, en het speet mij wel,
dat ik met de taal van die eenvoudige lieden, met welke ik gedurig
een praatje zocht te maken, niet beter te regt kon. Na eenige uren
gewandeld te hebben, joeg mij de warmte naar huis. Aan de tafel vonden
wij een menigte speelders, en het gesprek liep meest over het spel,
en was dus voor mij van zeer weinig belang. Het was Zondag, en ik ging
eens in de Kerk kijken, doch zag 'er niets bijzonders. De pastoor
predikte in het _Patois_. 's Avonds ging ik het Schouwspel zien;
men speelt 'er in dezen tijd doorgaans Zondags. De zaal was redelijk,
maar de dekoratiën en vertooners ellendig. Men gaf evenwel _Fenelon
ou les Religieuses de Cambrai_, van Chenier; in onze taal overgezet,
zoo ik meen door Uylenbroek.--Nooit heb ik iets slechters gezien,
en het was wel een Treurspel, om te lagchen.
Hier heb gij nu weder wat te lezen, zoo ik tijd heb, schrijf ik nog
eens van hier, en anders van _Bourdeaux_.