ZEVENTIENDE BRIEF.

_Toulouse, 5 Augustus._

Ons verblijf zal hier korter zijn, dan ik mij had voorgesteld,

om dat wij genoegzaam al het merkwaardige reeds gezien hebben, en

onze voorgenome reis door een gedeelte van de _Pyreneën_ niet veel

langer moeten uitstellen, want het wordt in die bergachtige landstreek

dikwijls al vroeg onaangenaam weder. Voor mijn vertrek wil ik dezen

echter nog aan u afzenden.

Gisteren, na dat ik een kwartiertje buiten de stad de vaart van

_Languedoc_ had wezen zien, ter plaatse, waar zij in de _Garonne_

uitkomt [117], ging ik naar Schouwburg, die 'er inwendig nog al redelijk

uitziet. Men gaf 'er een groot Treurspel van _Racine_ of _Corneille_,

en hier hadden vertooners den regten slag niet van; ik ging 'er dan al

schielijk uit, en kwam niet weder, voor dat men aan het Nastukje begon,

omdat het hier t'huis hoort, zoo als de titel ook aanduidt, zijnde

genaamd _Molière à Toulouse_; het beteekent juist niet veel, doch

werd redelijk wel gespeeld. Men betaalt 17 _sols_ in het _parterre_,

doch men moet 'er blijven staan.

Heden morgen ging ik weder zeer vroegtijdig uit, om geen' tijd te

verliezen. De kaai langs de _Garonne_, dunkt mij, het aangenaamste

gedeelte van de stad, men ziet in die rivier eenige kleine watervallen

door het water, dat over steenen dammen loopt, veroorzaakt; de

stroom is zeer sterk. Over dezelve ligt een zeer fraaije steenen

brug, rustende op zeven bogen; zij is 72 voeten breed, en ruim 800

voeten lang [118]. Men gaat over dezelve van de stad naar de voorstad

van _St. Cyprien_. Aan het eind van deze brug, als men uit de stad

komt, staat een fraaije poort of zegeboog; op denzelven leest men

behalve een Latijnsch vers, als een ander staaltje van de pogcherij

der _Toulousers_: "_het is hier het achtste wonder der wereld._"

_Septem orbis miracula discant hic mirandum octavum._ Buiten deze

poort komende, heeft men aan de linkerhand een beplante wandeling,

langs de rivier en aan de regter het Hospitaal van _St. Jakob_, dat men

mij ook als waardig, om bezigtigd te worden had opgegeven; doch ik zag

'er niets anders aan, dan een groot Gasthuis. Regt uitgaande door de

voorstad van _St. Cypriaan_, komt men aan een fraai ijzeren hek, dat

men de poort van _St. Cyprien_ noemt. Op twee steenen pijlaren van dat

hek, ziet men twee fraaije zittende vrouwen beelden. Voor deze poort

heeft men eene fraaije plaats beginnen te bouwen, met regelmatige

gebouwen rondom; doch zij is ook slechts begonnen, en dit is al

verscheidene jaren geleden; buiten deze poort heeft men aan beide

zijden fraaije wandelingen, met verscheidene rijen boomen beplant,

gelijk ook de weg regt uit beplant is. De boomen die men hier ziet

zijn meest ijpen; doch zij zien 'er vrij wat beter uit dan die van

_Montpellier_. De korenmolens, die door het water van de _Garonne_

gaan, zijn wel bezienswaardig, zoo om derzelver grootte als om de

werking. In die van de _Bazacle_ worden 16 molensteenen bewogen; doch

men moet geen zwarten rok aantrekken, als men hier gaat kijken. Het

eiland _Tounis_, waarbij deze molen staat, wordt meest door verwers

van wolle en andere stoffen bewoond.

Verder de stad ingaande, viel mijn oog op de ongewone bouworde van een

groot huis; in den gevel zijn verscheidene pilasters, en de kapiteelen

zijn zamengesteld uit eenige arenden; ook ziet men diergelijke vogels

en andere gedaanten in de lijst; boven een deur ziet men de beelden van

Apollo en Mercurius, die een wapenschild houden, en boven een andere,

daar naast een paar andere beelden. doch die ik niet herkende. Dit

huis scheen mij ondertusschen nog niet zeer oud te zijn, en had,

naar ik vernam, behoord aan een President enz. Again genaamd; het

staat schuins over het huis, behoord hebbende aan de _Malthéser_

Ridders. In dezelfde straat, wat verder, is een geschutgieterij.

De Kerk van _St. Sernin_, of eigenlijk _St. Saturnin_, een zeer oud

Gottisch gebouw, is groot, maar inwendig zeer duister, en gelijkt

eerder naar een gevangenis of grafspelonk, dan naar een tempel voor

den Godsdienst geschikt; nu de geloovigen van _Toulouse_ plagten ook

roem te dragen op het bezit van 26 ligchamen van Heiligen, die in deze

Kerk in kostbare kisten bewaard werden, en waar onder niet minder dan

zeven Apostelen.--Welk een knekelhuis!--Dit gebouw pronkt met eenen

hoogen spitsen toren, naar het mij voorkwam op eene buitengewone

wijze gebouwd. Zoo akelig en onbevallig ik deze Kerk vond, zoo fraai

en wel verlicht vond ik die, welke voorheen aan de _Carthuizers_

behoorde, en thans voor een parochie dient, zijnde onlangs netjes

opgemaakt. Het altaar, vooral dat midden in de Kerk onder een soort van

lantaarn staat, is van marmer, fraai en met smaak gewerkt; vooral twee

Engelen van wit marmer en van gewone menschelijke grootte, kroonende

met gestrengeld loof een _Urne_. De houding van die Engelen is zeer

bevallig. Volgens de aanteekening, die ik 'er op vond, is dit fraaije

stuk werk door de gebroeders Lukas van _Rome_ in 1785 gemaakt.

Na den middag gingen wij het Stads Museum, in het voormalig Klooster

der _Augustijnen_, bezigtigen. In het pand van het Klooster ziet

men eenige overblijfsels van graftombes, beeldhouwerk enz. uit de

Kerken na de omwenteling te zamen geraapt. De Kloosterkerk is in eene

fraaije zaal of galerij veranderd, zoo dat men niet zou zeggen, dat

het een Kerk geweest was; rondom hangen verscheidene schilderijen,

die zoo als gij denken kunt, niet veel bewondering baren, als men,

gelijk als ik, zoo menigmalen de galerij van _Parijs_ gezien heeft;

daar waren 'er sommige bij van nog in leven zijnde meesters. Eenige

jongelieden waren hier bezig met kopieeren. In het midden van

deze zaal staat een lange tafel, waarop men eenige kleine _antike_

beeldjes van metaal, enz. ziet, en aan het eind heeft men eene fraaije

_colonade_ of _portique_ gemaakt van marmeren kolommen, die, naar mij

de oppasser vertelde, uit Kloosters of Kerken afkomstig zijn. Achter

deze _portique_, waar men met eenige trappen naar toe klimt, ziet men

het bekende kunststuk van Antoine Rivals, verbeeldende de stichting van

de stad _Ancire_ in _Galatie_, door de _Tectosages_, van _Toulouse_

vertrokken zijnde. Dit stuk is met zeer waarheid geschilderd. Men

zegt zelfs dat het voorheen aan het eind van eene zaal op het Stadhuis

hangende, dikwijls door lieden die aan het andere eind stonden, voor

een wezenlijk gebouw werd aangezien. Hier is die begoocheling zoo sterk

niet, doch ik zag het met veel genoegen. Het heeft voor opschrift:

"_Tectosages Anciram condebant._" Onder eenige borstbeelden ziet men

hier ook dat van Rivals zelven: hij werd alhier in 1735 geboren.

's Avonds ging ik de aangename wandelingen buiten de poort,

waar wij ingekomen waren, en anderen hier omstreeks, nog eens

doorkruisen. Bij de vaart zag ik een scheepstimmerwerf waar men

zelfs kleine zeescheepjes bouwde. De wandelingen inzonderheid moeten,

dunkt mij, veel bijdragen tot veraangenaming van deze stad, en in dat

opzigt verdient zij zeker de voorkeur boven _Montpellier_, _Nismes_

en _Marseille_.

_Toulouse_, of liever het oude _Tolosa_, dat omtrent een uurtje van

het tegenwoordige _Toulouse_ af schijnt gestaan te hebben, blijkens

onder anderen de geringe overblijfsels van een Amphithéater dat men

daar vindt, wil men, dat gebouwd is door de _Tectosagers_, een volk,

waarvan ik hier voor reeds sprak, en dat ruim 600 jaren voor Christus

geboorte, ten getale van 300,000 hun land verlieten, om zich hier

te komen nederzetten. Daar na geraakten zij onder de _Romeinen_

of werden hunne bondgenooten. Vervolgens hebben de _Visi-Gothen_

'er zich meester van gemaakt; zij zijn door Koningen, door Graven,

en wederom door Koningen geregeerd geworden. Ondertusschen lieten

zij zich altijd nog al wat voorstaan op hunne oude vrijheid en

onafhankelijkheid, en behielden, zoo als ik reeds gezegd heb, eenige

oude benamingen, zoo als _Capitouls_, rechter _mage_ (_juge mage_)

enz., doch het was ook niet anders dan den naam.

Het Parlement van _Toulouse_, dat van het midden der 13e eeuw, tot

aan de omwenteling bestaan heeft, volgde in rang op dat van _Parijs_,

en was dus het tweede van _Frankrijk_.

Onder de Akademiën van _Toulouse_, was 'er een bekend onder den naam

van _Académie des Jeux Floraux_, in het begin van de 14e eeuw gesticht

door zeven _Troubadours_ [119], en daar na, in dezelfde eeuw, gevestigd

door Clemence Isaure, eene vrouw van geest en fraaij vernuft. Deze

Akademie bleef genoegzaam in haren oorspronkelijken staat voortduren

tot in het laatst van de 17e eeuw, toen men 'er eene Koninklijke

Akademie van gemaakt heeft, met behoud, echter van haar eersten

naam. Deze _Troubadours_ en _jeux floraux_ (bloemen spelen) schijnen,

volgens het geen ik 'er van gelezen en gehoord heb, veel overeenkomst

gehad te hebben met onze oude Redenrijkers en hunne handelingen. Zij

gaven ook Dichtstukken op, en beloofden prijzen, zoo als goudsbloemen,

lelien, en andere bloemen van goud of zilver. De leden van het

Genootschap genaamd _Jeux Floraux_, werden _Bacheliers en la gaie

science et dans le gai savoir_, medegenooten in de vrolijke wetenschap

en lustige kennis, genaamd. Deze _Troubadours_ waren ook somtijds zeer

vrij in hunne versen, en durfden de Vorsten en Geestelijken wel eens

ter deeg hekelen. De letterkunde werd hier dan ook altijd, hoe zeer

'er het bijgeloof den baas speelde, nog al beoefend, en _Toulouse_

heeft verscheidene mannen van naam opgeleverd, onder andere du Ferrier,

die Ambassadeur zijnde, zich durfde verzetten tegen het voorgevallene

in het _Concilie_ van _Trente_, en het verstandig ontwerp gemaakt

heeft, om _Frankrijk_ van den stoel van _Rome_ los te maken, en in

navolging van _Engeland_, de _Gallicaansche_ Kerk onafhankelijk te

maken van de Pausen. Cailhava, lid van het _Institut National_ van

_Frankrijk_, bekend door verscheidene Toneelstukken, vooral door zijn

werk genaamd _de l'Art de la Comedie_, en zijne _Etudes sur Molière_,

werd ook te _Toulose_ geboren.

De voorname handel van deze stad bestaat in Spaansche wolle en

koren, ook worden, bijzonder als de vaart van _Languedoc_ gesloten

is, de goederen die men de _Garonne_ af vervoert, hier per as

aangebragt. Onder de menigte voerlieden, zag ik 'er hier dan ook

verscheidene uit het land van _Béarn_, aan de _Spaansche_ grenzen,

welke een soort van mutsjes op hebben, bijna in den smaak als vele

boertjes van _Teniers_. Sommigen waren bruin, andere wit met rooden

kwast, die 'er boven plat op ligt. Deze mutsjes die men _Berettes_

noemt, zijn van wol gebreid en gevuld; zij zijn zoo ondiep, dat het

menschen, die 'er niet aan gewoon zijn, moeijelijk zou vallen, dunkt

mij, on ze op het hoofd te houden. Behalve de verwerijen zijn hier ook

fabrieken van wollen stoffen; ik zag 'er onder anderen een gemeen soort

van laken dat zeer smal is. Hier, en in het gehele _Languedocsche_

meet men stoffen, linten, enz. niet met de el, maar met eene maat

die men _la cane_ noemt, en die verdeeld wordt in 8 _pans_; 5 zulke

_pans_ maken eene _Fransche_ elle. In _Provence_ meet men ook met

_pans_. De bevolking van _Toulouse_ is ruim 52,600; de menschen zien

'er over het algemeen gezond en wel uit; levensmiddelen van allerlei

soort ontbreken 'er niet, en zijn tot een matigen prijs te bekomen;

hoenderen en allerlei soort van gevogelte vooral. Wij waren over onze

herberg wel te vreden.

Men verzekerde mij, dat het bijgeloof hier sedert de omwenteling

aanmerkelijk verminderd was. De inwoners van deze stad, altijd zoo

zeer gesteld zijnde op hunne vrijheid en onafhankelijkheid, waren dan

over het algemeen ook ijverige voorstanders van de grondbeginselen

der omwenteling.

Ik heb u nog vergeten te vertellen, dat hierin het Klooster der

_Cordeliers_ een grafkelder plagt te zijn, die, zoo als men het volk

wijs maakte, de bijzondere eigenschap had, om de lijken, die men 'er in

legde, te verdroogen; doch het is thans algemeen bekend, dat het niet

anders dan een kunstje van de Monniken was. Deze kelder gaf aanleiding

tot eene weddingschap tusschen twee jonge lieden; een van hun moest

juist op het uur van middernacht, (want dat is overal de tijd, dat

de spoken en geesten verschijnen, zoo als het middaguur overal bij

de boeren de schafklok is) alleen in dezen kelder vol verdroogde

lijken en geraamtens gaan, en om wel verzekerd te zijn, dat hij tot

het einde toe geweest was, aldaar op een bepaalde plaats een spijker

in den muur slaan. Onze held begeeft zich, van een dievenlantaarntje,

een hamer, een spijker, en de noodige sleutels voorzien, naar dien

akeligen kelder, zich zoo als het dikwijls gaat, kloeker houdende, dan

hij in der daad was; maar wie wil, jong zijnde, ook den naam hebben

van bang, en vooral bang voor dooden te zijn. Het moest 'er dan mede

door. Hij treedt ten kelder in, opent de deur van de grafspelonk,

en plaatst den spijker. Ondertusschen staat de andere wedder, met een

menigte nieuwsgierigen, een geruime wijl in het Klooster te wachten;

en hij komt niet terug. Men begint ongerust te worden, en besluit,

om te gaan zien, waar hij blijven mag.--De ongelukkige jongeling was

dood, en dat waarschijnlijk door angst; want hij had, een lang en

wijd kleed aan hebbende, 'er denkelijk door de vrees, niet ter deeg

toeziende, een slip van zijn kleed aan den muur vast gespijkerd;

hier door voelt hij zich, heen willende gaan, terug gehouden; en de

beangstheid, die misschien reeds tot eene aanmerkelijke hoogte was

gestegen, neemt hier door zoodanig toe, dat hij 'er onder bezwijkt

[120]. Genoegzaam alle menschen hebben, en ik geloof zelfs buiten en

behalve vooroordeelen van eene verkeerde opvoeding, een' huiverigen

afkeer van de dooden; dit schijnt eenigzins in de natuur te liggen, en

men wordt hetzelfde gewaar in sommige dieren, vooral in de paarden. Men

handelt dan altijd onvoorzigtig, van dezen afkeer met geweld te

willen trotseren, en sterker te willen wezen, dan wij in der daad

zijn. Bij deze gelegenheid erinner ik mij een geval van dien aard,

dat aan iemand van mijn nabestaanden gebeurd is. Hij bevond zich,

nog zeer jong zijnde, te _Groningen_ bij bloedverwanten, die in een

groot huis woonden, waar het, zoo men wilde, spookte; een lange gang

scheidde de kamer, waar men gewoonlijk zat, van de keuken. Op zekeren

avond, dat deze aankomende jongeling uit die kamer, door den gang,

in het donker naar de dienstboden in de keuken wilde gaan, wordt

hij op eenmaal bij een been vast gehouden, zoo dat hij vallende zeer

verschrikte, vooral dewijl het huis een' kwaden naam had. Daar hij

van angst schreeuwde, komt men op het gerucht toelopen, en vindt dat

hem het ijzer- of koperdraad van de bel, om een van zijne beenen was

gekronkeld. Men had juist gebeld, de draad die door de gang liep was

gebroken, en hier mede was de spookhistorie verklaard, en liep zonder

eenige onaangename gevolgen af.

Morgen ochtend om 3 uren vertrek ik van hier met den postwagen,

die van _Toulouse_ naar _Bayonne_ rijd tot _Tarbes_.

Reize door Frankrijk In gemeenzame brieven, door Adriaan van der Willigen aan den uitgever · 第 22 / 56 题