_Toulouse, 4 September._
Den 1 dezer 's morgens om 3 uren, namen wij de reis naar deze plaats
aan, met den postwagen, die van _Avignon_ op _Toulouse_ rijdt, en
hier het eerste nachtverblijf houdt.
In het begin is de weg tamelijk effen. Van de hoogte, bij het dorp
_Vougide_, heeft men een schoon gezigt op een soort van meer,
_l'Etang de Thau_ genaamd, de zeehaven van _Cette_, en de warme
baden van _Baleruc_; deze baden worden gebruikt ter genezing van
zwakheden in de leden, _rhumatieke_ pijnen enz. _Frontignan_, om zijn'
lekkeren witten wijn ook bij ons bekend, ligt hier digt bij. In het
meer, dat vrij groot is, zag ik eenige visschers bezig; men vangt
'er veel paling. Een eindje voortgereden hebbende, komt men door
het stadje _Meze_, waar niets bijzonders van te zeggen valt; het
ligt 4 posten van _Montpellier_. De weg werd hier en daar verlegd,
en aanmerkelijk hersteld. Vervolgens kwamen wij door _Montagnac_,
een steedje, alwaar een Protestantsche Kerk is. Eer men te _Pezenas_
komt, rijdt men over eene fraaije steenen brug, die over de _Hérault_,
waar van ik u in mijn vorigen geschreven heb, ligt; dat riviertje is
hier al veel breeder dan in de _Cevennes_, en stort zich bij _Agde_,
omtrent drie uren van deze brug, in zee. De landstreek schijnt hier
nog al redelijk vruchtbaar te zijn, en de weg is goed.
Omstreeks tien uren voor den middag kwamen wij te _Pezenas_ aan,
en stapten 'er af, om het middagmaal te houden; hebbende nu van
_Montpellier_ 6 1/4 post afgelegd. Met genoegen vernam ik, dat 'er
tijd was, om het stadje te bezigtigen, want het zag 'er hier vrolijk
en levendig uit; het was marktdag, en naar het geen ik al te koop
zag, moet het hier aan allerlei soort van eetwaren niet ontbreken;
'er staan verscheidene gnappe huizen, en over het geheel heeft het
hier een aanzien van welvarendheid; het maken van wollen stoffen is
een voorname kostwinning der inwoners; en _Pezenas_ moet aloud zijn,
want Plinius maakt 'er reeds gewag van onder den naam van _Piscena_,
prijzende zeer de wol, die deze landstreek oplevert.
De zoon van Cromwel, na dat hij uit _Engeland_ gejaagd was, hield
zich hier eenigen tijd op; _Pezenas_ behoorde toen aan den Prins van
Conti, die, tevens Gouverneur van _Languedoc_ zijnde, hier een fraai
Hotèl had, dat hij somtijds verkoos voor zijn verblijf. Hij bevond 'er
zich toen Richard, zoon van Cromwel, onbekend (_incognito_) reizende,
alleen en door de stad gaande, een landgenoot ontmoette, die even eens
als hij uitgeweken was, en die zijn partij altijd getrouwelijk was
toegedaan geweest; deze raadde hem aan, om een bezoek bij den Prins
van Conti afteleggen, waar de vreemdelingen, en vooral de _Engelschen_
doorgaans wel ontvangen werden, zonder dat men zelfs verpligt was,
om zich onder zijn' echten naam te doen kennen. Richard liet zich dan
door zijn' vriend geleiden, die hem bij den Prins aandiende als een
_Engelsch_ edelman, die door deze stad reisde om zich naar _Italië_
te begeven. Conti ontving hem beleefdelijk, en over den toestand van
_Engeland_ sprekende, zeide hij onder anderen, dat, hoewel hij 'er ver
af was, om het gedrag van Olivier Cromwel te billijken, hij echter,
regt doende aan zijn dapperheid, groote bekwaamheden en diep doorzigt,
bekende, dat hij waardig was, om te gebieden; maar, voer hij voort:
hoe is het mogelijk dat hij zoo een dwazen zoon had.--Die Richard,
die schoft, die bloodaard, was toch wel het verachtelijkste schepsel
van den aarbodem,--wat is 'er van dien zot toch geworden? Richard,
die zulk een onthaal in 't geheel niet verwachtte, was verlegen wat
hier op te antwoorden; doch zorgde wel, om zich niet bekend te maken.
Wij aten hier vrij wel, en onder anderen goeden zeevisch. De landsdouw
aan den anderen kant van de stad, beviel mij niet minder dan aan dien,
daar wij ingekomen waren. Na 1 1/4 post gereden te hebben, verwisselden
wij van paarden, op een plaatsje genaamd _la Begude de Jordy_. Het
is allerliefst gelegen, 'er staat zeer veel hout, waar onder schoone
en weelderig groeijende opgaande boomen; voor het posthuis is een
fraaije altijd water gevende fontein, en digt daar bij een aangename
tuin, waarin onderscheidene vruchten zeer wel schenen te groeijen;
ik was verwonderd over de bevallige vruchtbaarheid van dit oord,
waar van de grond in hoedanigheid veel van de gewone gronden hier
omstreeks schijnt te verschillen; men zeide mij ook, dat dezelve
voor het houtgewas inzonderheid beroemd was;--wat verder wordt de
weg zanderig. Bij _Bezier_ is de landstreek aangenaam, en deze stad
doet zich niet onbevallig op; 't was omtrent vijf uren na den middag,
toen wij hier aankwamen; men rekent _Pezenas_ en _Bezier_ op 2 3/4
post. Ons nachtverblijf was hier bepaald, dus hadden wij den tijd, om
de stad te zien. Zij is zeer oud, en het blijkt uit eenige oudheden,
die 'er gevonden zijn, dat hier eene _Romeinsche_ Volkplanting bestond,
en dat zij bekend was onder den naam van _Julia Bitterra_ of _Civitas
Bitterensium_. Wij stapten in de voorstad, waar de gewone herberg van
den postwagen is, af. De steenen brug, die niet ver van daar over de
rivier _l'Orbe_ ligt en vrij lang is, overwandelende, ging ik dat
gedeelte van het _Canal du Languedoc_, dat in die rivier uitloopt,
bezigtigen; doch zag 'er niets anders dan eenige schutsluizen [106];
het kanaal zelve was, zoo als doorgaans in dit jaargetij, geheel
droog; aan den overkant van de rivier vervolgt het verder tot bij
_Cette_, waar het in zee stort. Paul Riquet, aannemer van deze vaart,
naar het bestek van Andreossy, werd te _Bezier_ geboren. Van daar
keerde ik terug naar de stad, dat slechts een kleine afstand is;
zij is op een vrij hoogen heuvel aangenaam gelegen. Wij klommen
'er op. Van den wal naar den kant van de rivier, en bijzonder van
een _terras_, dat men de _Belle Vedère_ noemt, heeft men een zeer
uitgestrekt en allerverrukkendst gezigt op de rivier de _l'Orbe_, in
een aangename valei stroomende, de brug over dezelve en de bergen in
't verschiet. Dit gezigt alleen is der moeite waard, om zich aan deze
plaats optehouden. De Hoofdkerk komt ook op den wal uit, en van de
plaats voor dezelve heeft men insgelijks een schoon gezigt. Het is een
oud, en was naar het scheen in vroegere tijden een aanzienlijk gebouw;
van binnen zag ik 'er niets bijzonders. Maar ik moet u een staaltje
vertellen van verregaande onverdraagzaamheid, ten opzigte van de Joden,
die hier in oude tijden plaats had. De zoogenaamde Christenen hadden
vrij verlof, om hunne medeburgers en anderen, tot de Joodsche Kerk
behoorende, die zij ontmoetten, van Zaturdag voor Palmzondag af, tot
beloken Paasschen toe, te slaan en te mishandelen; en het blijkt, dat
dit nog al een soort van Kerkelijke instelling was; want de ongelukkige
_Israëlieten_ gaven een groote som gelds aan de Hoofdkerk, dat is
aan den Bisschop enz. om van deze allerschandelijkste onderdrukking
bevrijd te zijn.--Diergelijke afschuwelijke misbruiken, hoewel minder
wreed, hadden nog tot in onze dagen plaats, vooral hier en daar in
_Duitschland_; doch dank zij dien weldadigen wijsgeerigen geest, welke
thans door vele lasterlijk uitgekreten wordt; op de meeste plaatsen
zijn zij reeds afgeschaft, of worden zulks nog dagelijks gedaan.
Voor het overige levert _Bezier_ niets aanmerkelijks op; inwendig is de
stad in 't geheel niet fraai, en hoewel nog al tamelijk uitgestrekt,
bevat zij niet meer dan 12,500 inwoners, die van de voorsteden hier
onder begrepen. In vroegere eeuwen moet de bevolking hier ongelijk
veel sterker geweest zijn: want men leest in de geschiedbladeren,
dat in het begin van de 13e eeuw, toen de ongelukkige _Albigenzen_
zoo wreed vervolgd werden, en men zelfs kruistogten tegen hen deed,
'er in deze stad op eenen dag omtrent de 60,000 menschen omkwamen;
de rampzalige slagtoffers vluchtten in de Kerken en hier vermoordde
men hen ook niet alleen, maar men sloot zelfs de deuren van sommige
dier gebouwen toe, stak 'er den brand in, en deed zoo alle, die
'er in waren, door de vlam omkomen--en wie was de Apostel van deze
afgrijsselijke slagting?--wie anders, dan de heilige Dominicus. De
vervolging der Protestanten, waarin _Bezier_ ook rijkelijk gedeeld
heeft, hebben zekerlijk ook geen goed gedaan aan de bloei en welvaart
van deze ongelukkige stad. De Fabrieken en Koophandel, die 'er thans
is, zijn van niet veel beteekenis; men maakt 'er zijden-kousen, een
soort van bombazijn, perkament enz. als mede snuifdozen van wortel-,
van palm- en olijfboomem.
Ons avondmaal was redelijk, en wij aten omtrent met 20 personen, zoo
vrouwen als mannen; men was nog al vrolijk; naast mij zat een jong
_Amerikaan_, die mij veel vertelde van den bloeijenden koophandel van
dat land; hij kwam uit _Holland_, alwaar hij een lading _Coloniale
producten_ gebragt had, en ging naar _Marseille_, om ook over het
aanvoeren van diergelijke goederen te handelen. Het schijnt dan of het
ons Land en _Amerika_, even eens gaat als de schalen van een balans,
naar mate dat de eene rijst, daalt de andere, met dit onderscheid
echter, dat de ligtste hier omlaag hangt.
Den 2 dezer vertrokken wij 's morgens om 4 uren. De weg was aangenaam,
en de grond scheen redelijk vruchtbaar; van de hoogtens heeft men
schoone gezigten, en aan de regterhand een keten hooge bergen; doch
weinig boomen. Eer men aan het dorp _Coursan_ komt, gaat men over
eene fraaije steenen brug, over de rivier _l'Aude_, en hier omtrent
begint het Departement van dien naam.
Omstreeks 9 uren kwamen wij te _Narbonne_, 3 posten van _Bezier_. Deze
stad is een der oudste van de _Gaulen_, en de eerste volkplanting,
die de _Romeinen_ aan gene zijde der _Alpen_ vestigden, en _Narbo
Martius_ noemden [107]. Van het Kapitool, het Amphithéater enz. dat
hier in die tijden bestond, ziet men thans niets meêr; in 't geheel
zijn 'er geen sporen van de _Romeinsche_ grootheid en voormaligen
luister meêr overig. De stad ligt nog in zijne muren en _bastions_,
maar inwendig beteekent zij niet veel, dat mij verwondert, omdat
de vaart, of _Canal de la Robine_, uit de rivier de _Aude_ komende
'er doorloopt, en omtrent 1 1/2 uur beneden de stad in zee uitkomt
[108]. Dit dunkt mij moest den handel aanwakkeren; maar het zag 'er in
't geheel niet tierig uit, en de vaart, waarin eenige sluizen zijn,
was zelfs genoegzaam droog. Naar ik vernam, was de mond van deze vaart,
voorheen de zeehaven van _Narbonne_, en waarin groote schepen kwamen,
thans voor dezelve niet meêr bevaarbaar, door dat, de zee al meêr
en meêr de kust ontweken zijnde, het daar te ontdiep is geworden
[109]. Deze stad is in eene niet onaangename vlakte gelegen en van
bergen omringd [110]; maar daar door is zij ook een verzamelplaats van
al het water, dat 'er van rondom naar toezakt, en daar door vooral
bij sterke regen vlagen onaangenaam [111]; doch zij staat in dit opzigt
maar gelijk met het zoo hoog geroemde _Parijs_.
De Hoofdkerk is het voornaamste, dat 'er te _Narbonne_ te zien is, en
hier toe hadden wij tijd en gelegenheid; want 'er moest gewacht worden
naar het middag eten, en het was Zondag. Wij gingen 'er dan genoegzaam
met al de reisgenooten, die zich op den postwagen bevonden, naar toe,
en de galante _Franschen_ boden bij het inkomen van de Kerk aan de
Dames het wijwater aan, daar ik, als hier niet aan gewoon, geen slag
van had, en die plegtigheid alzoo maar agterweeg liet. Deze Kerk is,
bij gebrek van geld, zoo men zegt, onvolmaakt gebleven, na dat men
'er van het laatst van de 13de eeuw, tot 1722 van tijd tot tijd aan
bezig geweest was. Het koor alleen is dan maar voltooid, en daar naar
te oordeelen, zou de geheele Kerk, indien zij naar evenredigheid was
afgebouwd, een trotsch en prachtig gebouw geweest zijn. Het gewelf is
zeer verheven, en heeft een reusachtig aanzien; voor de omwenteling
zag men hier verscheidene kostbaarheden, en onder anderen een zilveren
zon of praalkas, die door acht Priesters moest gedragen worden, en
600 mark zilver woog; men heeft 'er geld van geslagen. Het eene was
hier verder naar het andere, en de Aardsbisschop, wiens Paleis hier
ook digt bij staat, had een jaarlijks inkomen van 120,000 livres daar
of daar omtrent. Toen wij 'er waren, was men bezig met de hoogmisse
te zingen; het orgelmuzijk was zeer aangenaam, en de _vox humana_
zoo natuurlijk, dat wij het onder elkander een poos oneens waren, of
'er menschen zongen dan of het alleen het orgel was. De roode marmeren
kolommen, die tot het groot altaar behooren, kwamen mij fraai en
kostbaar voor. Men ziet 'er nog eenige vrij goede schilderijen. Het
schoone stuk van Sebastiaan del Piombo, verbeeldende de opstanding van
Lazarus, dat uit deze Kerk in de gallerij van de Hertog van _Orleans_
in het _Palais Royal_ te _Parijs_ is gekomen, is thans met een groot
deel van die galerij in _Engeland_.
Wij deden een zeer goed maal in de herberg _la Dorade_ op de kaai,
aan de vaart staande; men schafte 'er onder anderen goede oesters en
uitmuntenden zeevisch in soorten, waar ik mij dan ook, moetende weldra
de kusten van de _Middellandsche Zee_ verlaten, nog eens te goed aan
deed. De prijs was als naar gewoonte. Van den beroemden honig van
_Narbonne_, heb ik niet gelikt. Hij is zeer geurig zegt men, omdat
de bijen veel op de thijm, rozemarijn en andere geurige kruiden, die
hier omstreeks groeijen, azen. De weinige handel van deze stad bestaat
in dien honig, in leder dat 'er gelooid wordt, en koren, dat uit het
hooge _Languedoc_ komt. Het getal der inwoners is, volgens de laatste
telling, ruim 9000. Na den maaltijd vervolgden wij onzen weg, door een
woestenij, tusschen de rotsen door, en waar naauwelijks een kruidje
groeide; de gezigten echter zijn hier en daar niet onaardig. Verder
op wordt de landstreek aangenamer en vruchtbaarder. Hier hadden wij
ligt een ongeluk kunnen krijgen; de _postillon_, wat wild zijnde, had,
terwijl de _Conducteur_ op de _imperiale_ sliep, alvorens een vrij
steile hoogte afterijden, de wielen niet vastgemaakt, zoo als dit
gebruikelijk is; maar reed 'er zoo hard, als de paarden maar loopen
konden, af. Nu was 'er aan den voet van deze hoogte, regt over den
weg, die daar draaide, een diepte, zoo dat wij, de paarden door de
snelle vaart van den wagen denzelven niet kunnende houden, of den draai
missende, ligtelijk van boven neder hadden kunnen storten; doch alles
liep gelukkig af. Van de plaatsjes, die wij doorkwamen, valt niets
bijzonders aanteteekenen; de wijngaarden, die wij hier en daar zagen,
beloofden, zoo hier als elders, waar wij doorkwamen, eenen ongemeenen
voordeeligen oogst. De wijnen van _Languedoc_, over het algemeen zwaar
en geestig zijnde, stookt men daar van veel brandewijn, bijzonder
aan de kanten van _Montpellier_ en _Nismes_. Dit jaar heeft zulks nog
veel algemeener plaats om den rijken oogst, die men voorziet, en de
geringe verzending over zee, door de ongunstige tijdsomstandigheden;
want anders krijgen wij en de _Engelschen_ over _Bourdeaux_ ook ons
aandeel van die wijnen. Hier en daar heeft men aangename gezigten.
De zon begon den gezigteinder te naderen, toen wij te _Carcassone_
kwamen. Eerst komt men door de oude stad, die men _la Cité_ noemt,
en die, zoo veel ik in 't voorbijgaan zien kon, wel oud en onoogelijk
is; men ziet 'er nog de overblijfsels van een oud Kasteel, op eene
hoogte gelegen. Ook staat hier de Hoofdkerk, waar in de opperste
van die bloed- en roofgierige vervolgers der _Albigensen_, Simon
Graaf _de Montfort_ begraven is; hij stierf in 1218. Dit gedeelte van
_Carcassone_ meent men dat de plaats is, waar oudtijds het _Carcassum
Tectosagum_ bestond, dat een gemeenebest was onder de _Tectosaquense
Volsques_, en welk gemeenebest met meêr andere landen hier omstreeks,
onder de beheering der _Romeinen_ geraakte. Van hier klimt men af
tot aan de rivier de _Aude_, en komt vervolgens over eene fraaije
steenen brug in de laage of nieuwe stad, die ruim en regelmatig
gebouwd schijnt. Wij reden, langs eene aangename en lommerrijke
gemeene wandelplaats, tot aan een herberg buiten de stad staande,
alwaar wij ons nachtverblijf moesten houden; het zag 'er hier vrij
wel uit. _Carcassonne_ en _Narbonne_ is 7 1/2 post. Terwijl het nog
schemerlicht was, ging ik de stad, waar van de poort over de herberg
was, in, en zag in het midden van een vierkante plaats, rondom met
boomen beplant, eene fraaije fontein, waarop het beeld van Neptunus
op zijn' zeewagen. Deze stad zou mij, wat de ligging en het uiterlijk
aanzien aanbelangt, wel bevallen; het schijnt 'er zeer levendig en
welvarende; welke bloei men aan de aanzienelijke laken-fabrieken,
waar van niet alleen de ingezetenen, maar zelfs vele hunner naburen
leven, moet toeschrijven. _Carcassonne_ is de hoofdplaats van het
Departement de _l'Aude_, men begroot de bevolking van die stad op
10,400. De rivier, hier tamelijk breed, is niet minder aangenaam,
dan voordeelig. De wandelingen en gezigten, op de brug en aan
de oevers zijn allerliefst. Met den Zondag avond zag ik daar veel
menschen. Het _Canal_, of de vaart van _Languedoc_, stroomt ook niet
ver van _Carcassonne_, het geen insgelijks van belang is voor haar
handel en fabrieken.
Den 3 dezer waren wij weder om 4 uren op reis, om 's avonds te
_Toulouse_ te zijn. Over onze herberg waren wij wel te vreden, en
betaalden den gewonen prijs.
Te _Castelnaudary_, 4 1/2 post van _Carcassonne_, en waar men ook
van paarden verwisselt, vertoefde de wagen een poosje, om ons tijd
te geven tot ontbijten; intusschen ging ik de kom (_le bassin_), van
de vaart van _Languedoc_, die hier digt bij ligt, bezigtigen. Het is
een vrij groot water [112], en dat bovenop een hoogte, want dit is het
hoogste gedeelte van de vaart van _Languedoc_ tusschen de twee zeeën;
men heeft 'er daarom de verzamelplaats gemaakt van al het water,
dat men rondom heeft kunnen opvangen, en dat uit den grooten vijver
(_reservoir_) van _St. Terriol_, ook hier omstreeks liggende, in deze
kom, die men _le bassin de Naurouze_ noemt, gebragt wordt; van waar
het vervolgens door sluizen aan den eenen kant in de vaart, naar de
_Garonne_, en vervolgens naar den _Oceäan_, en aan den anderen kant
naar de _Middellandsche Zee_ loopt; deze weg werd aangewezen door een
bron, die op deze hoogte ontsprong, en waar van het water ook Oost en
West liep. Deze kom levert hier een aardig en gansch niet onaangenaam
gezigt op; ik zag 'er verscheidene schuitjes inliggen, in den smaak
van onze trekschuiten, waar van men, in den tijd als de vaart open is,
gebruik maakt, om naar de omliggende plaatsen te varen. Het is wel
der moeite waardig, om dit te regt beroemde waterwerk naauwkeurig
optenemen, doch mijn reisbestek liet het niet toe.
_Castelnaudary_ ziet 'er niet onbehagelijk uit, ik zag 'er eenige
gnappe huizen; het was 'er korenmarkt, en daar door vrij drok en
levendig. Deze handel is de voornaamste der ingezetenen, en de vlaktens
hier rondom leveren veel graan op; en dat is 'er in dat gedeelte van
_Languedoc_, dat wij tot nog toe doorgereisd hebben, wel noodig. Het
getal der ingezetenen van _Castelnaudary_ wordt op ruim 7800 gerekend.
Deze stad is in de geschiedenis vooral bekend door de slag die hier
plaats had tusschen de krijgsbenden van Gaston, Hertog van Orleans,
en die van den Koning; en waarin de Hertog Hendrik de Montmorenci
werd gekwetst en gevangen genomen. Dit viel voor in September 1632,
en de ongelukkige Montmorenci werd den 30 October daaraan volgende,
beschuldigd zijnde van hoog verraad, te _Toulouse_ onthoofd; hij was
slechts 37 jaren oud.
Het vermaarde kostschool (_pensionnat_) _de Sorèse_, ligt hier ook
niet ver daan; thans waren daar, naar men mij verhaalde, omtrent de
600 jonge lieden.
Te _Avignonet_ [113], een dorp of steedje waar wij doorkwamen,
scheen het kermis te zijn; want wij zagen 'er verscheidene gnappe
jonge lieden van beide kunne onder zeilen, die daar gespannen waren,
dansen, hoewel het nog voor den middag was. Dit plaatsje is ook,
zoo als de meesten hier omstreeks, in de bloedige geschiedenis der
_Albigensen_ bekend. Nu begint het land vlakker te worden, men ziet
schier geen bergen en rotsen meêr; de weg was goed, de paarden moedig,
en naar het scheen wel gevoed, en de postillon een jonge en vlugge
knaap; dit alles maakte dat wij tijdig te _Villefranche_ kwamen,
waar ik eenigzins met ongeduld het middagmaal te gemoet zag. Niet
alleen de landstreek, maar zelfs de huizen, beginnen hier eene
andere gedaante te krijgen; zij zijn van gebakken steenen gebouwd,
en met pannen gedekt. De gebakken steenen hebben hier een anderen
vorm als bij ons, en gelijken naar langwerpige vierkante roode
tegels. Onze herberg zag 'er in 't geheel niet prachtig uit; maar
het was 'er nog al gnap, en het eten was in zijn soort ook vrij wel,
volgens algemeene getuigenis; want mij (doorgaans honger hebbende,
als ik aan tafel kom) smaakt alles, wat maar eenigzins eetbaar is,
goed; en dit is vooral op reis een groot voorregt. Het plaatsje ziet
'er redelijk wel uit; en het is duidelijk, dat de natuur hier milder
is, dan in verscheidene streken, die wij in _Provence_ en _Languedoc_
zijn doorgekomen. De vaart van deze laatstgenoemde Provincie loopt
ook niet ver van hier. Deze vaart is hier omstreeks, overal aan
de kanten, met _Italiaansche_ populieren beplant, dat een vrolijk
aanzien geeft; wij zagen dezelve al eenigen tijd op een' zekeren
afstand van den weg aan onze linkerhand. Te _Bassiège_, een plaatsje,
dat 'er ook vrij wel uitziet, moesten wij van paarden veranderen,
en ik wandelde intusschen vooruit. Niet ver van hier gaat men over
eene brug over de vaart, houdende dezelve vervolgens tot _Toulouse_
aan de regterhand. De landouw wordt hoe langer hoe vruchtbaarder,
en alzoo aangenamer; de weg loopt altijd door een groene vlakte, en
de heuvels, ter zijde liggende, zijn tot op de toppen toe beplant of
bezaaid. De voorname oogst, dien ik hier te veld zag staan, behalve
den wijn, was Turksche-tarw, hier _millocque_ genaamd. Als de pluimen,
die dienen om de plant te bevruchten, dit verricht hebben, en het zaad
is gezet, worden zij afgesneden, om daar door meerder voedsel aan de
plant te laten, en alzoo den groei van het zaad te bevorderen [114]. Men
teelt overal in deze landstreek veel van dat graan, dat gedeeltelijk
in het land zelve gebruikt, en gedeeltelijk naar _Spanje_ verzonden
wordt. Een van onze reisgenooten die een landgoed in _Gasconje_ had,
en nog al een liefhebber van den landbouw scheen, zeide, dat men
sedert eenige jaren meerder gemeenschap met de naburen naar den kant
van het Noorden hebbende, men ten opzigte van den landbouw nog al
het een en ander van hun had geleerd; en dat hij zelve onder anderen
van een zijner vrienden, die eenigen tijd in _Bataafsch Braband_
geweest was, had geleerd, om meêr voordeel van den grond te trekken,
door geele wortelen onder het koren te zaaijen, enz. en dit met goed
gevolg sedert eenige jaren reeds had gedaan.
Het hout schijnt hier ook wel te willen groeijen. Men ziet 'er frissche
boomen van allerlei soort, in plaats van die eentoonige olijfboomen,
waarvan het droevige gezigt mij reeds zoo lang heeft verveeld--waarlijk
men had ook wel een vrolijker zinnebeeld voor dien lieven vrede,
waarvan wij het gemis reeds zoo lange betreuren, kunnen uitdenken,
dan de olijftak, dunkt mij. Een, zoo het scheen goede en eenvoudige
geestelijke, aan wien ik deze aanmerking mededeelde, nam de partij van
den olijftak met veel ijver, zeggende, dat zij een' heiligen oorsprong
heeft, als zijnde door de duif aan Noäch gebragt, ten teeken, dat het
Opperwezen den vrede aan het aardrijk schonk. Tegen zulk soort van
lieden valt niet veel te bewijzen, dus liet ik het den man winnen,
hoewel ik niet wel in mijn hoofd kan krijgen, dat de _Grieken_ en
_Romeinen_, die ook dit zinnebeeld kenden, daar aan door het verhaal
van Moses, in het boek genaamd _Genesis_, gekomen zijn. Men ziet
hier omstreeks ook veel buitenplaatsjes en lusthuizen, die _Castels_
genaamd worden. Het dorp _Castanet_, waar wij doorkwamen, en dat
nog maar 1 1/2 post van _Toulouse_ ligt, ziet 'er ook bevallig en
welvarende uit. De huizen zijn hier bijna overal geverwd, en schijnen
wel onderhouden; de menschen zien 'er gnap en goed gekleed uit; welk
een onderscheid tusschen deze en de dorpen en steedjes van _Provence_,
en hier en daar in het hooge _Languedockse_! (_le haut Languedoc_). De
weg bij _Toulouse_, en naar de stad leidende, is zeer aangenaam;
zijnde een lange regte laan, aan beide zijde met frissche boomen
beplant; wij kwamen langs de wandeling, die allerliefst is, door het
dikke en frissche lommer. Ik verkwikte inderdaad op het zien van zoo
veel boomen. Het was ruim zes uren, toen wij aankwamen. Hoewel de
postwagens over het algemeen, ons vrij wel waren bevallen, deze was
het inzonderheid hebbende aan alle posten doorgaans goede paarden; de
Conducteur was ook zeer geschikt, en had veel zorg en oplettendheid
voor de reizigers. Wij namen hier onze intrek in _au grand Soleil_,
bij _Madame_ d'Aumont.
Den 4 dezer. _Toulouse_ valt mij zeer in de hand; hoewel in 't geheel
niet geregeld gebouwd, zijn de straten echter nog al redelijk breed,
en men vindt 'er vele fraaije huizen, genoegzaam allen van gebakken
steenen. Het kwam 'er mij dan ook over het algemeen zoo doodsch en
stil niet voor, als men mij verteld had; hoewel men elkanderen in de
straten niet verdringt, zoo als te _Parijs_. Koetsen of cabriolets
ziet men 'er ook niet veel; maar de draagstoelen zijn nog veel in
gebruik. Bij den Schouwburg zag ik 'er verrscheidene staan, men huurt
ze voor een matigen prijs. Voor de omwenteling haperde het hier niet
aan Kerken en Kloosters, geen wonder, het bijgeloof en de vervolgzucht
had zijn' verschrikkelijken zetel in deze stad gevestigd; gij begrijpt,
dat ik de afgrijsselijke zoogenaamde regtbank van gewetens-onderzoek
(_tribunal d'inquisition_), die hier in het begin van de 13e eeuw werd
opgerigt, bedoel. De wreedaardige dweeper of huichelaar Dominicus,
die sommige nog heden den Heiligen noemen, was aan het hoofd van
dezelve en zijne navolgers bekleeden nog in onze dagen die plaats
in _Spanje_ en _Portugal_; hoewel zij, den Hemel zij gedankt, zeer
veel van hunne magt verloren hebben. De ongelukkige _Albigensen_,
waarvan ik reeds dikwerf melding maakte, zich niet aan het Pausdom
willende onderwerpen, gaven aanleiding tot dit hof van gewetensdwang,
of liever dienden ten voorwendsel, om vrij te kunnen rooven en moorden;
want immers wisten vele Priesters altijd hun belang met dat van de
Godheid, die zij zelf gevormd hadden, zoo kunstig te verbinden,
dat het scheen als of zij voor niets anders dan voor de zaak van
God ijverden, terwijl zij in der daad niets anders dan hun personeel
belang beoogden. Die aller afschuwelijkste Treurtooneelen, waarmede de
geschiedenis der _Albigensen_ vervuld is, zijn dan ook inzonderheid,
hier en te _Alby_, eene naburige stad, en de Hoofdplaats van het
landschap, waar na de _Albigensen_ genaamd zijn, voorgevallen.
De Hoofdkerk, dat een groot, en in zijn soort prachtig, gebouw is,
verdient wel gezien te worden. Het groote altaar pronkt met fraaije
Corinthische kolommen van _Languedoc's_ marmer, en is naar de teekening
van den bekwamen Beeldhouwer Gervais Drouet gemaakt. In deze Kerk
toont men den predikstoel, waar op men wil dat de Heilige Bernardus
en Heilige Dominicus gepredikt hebben. Waarom stelt men 'er geen,
waarop de broederliefde en verdraagzaamheid gepredikt wordt, in de
plaats? In den toren van deze Kerk hing een klok die 50,000 ponden
woog. Het Aardsbisschoppelijke paleis staat bij die Kerk, en schijnt
een aanzienlijk gebouw; thans woont 'er de Prefect in; want _Toulouse_
is de hoofdplaats van het Departement _de la haute Garonne_.
Het Stadhuis op de plaats staande, die men voorheen _Parijs_
naäpende, _la Place Royale_ noemde; hoewel 'er nimmer een Koninklijk
standbeeld of iets diergelijks, voor zoo ver men weet, gestaan heeft,
beantwoordt niet aan den grooten ophef, dien men 'er van maakt;
voor de omwenteling, werd het _le Capitole_ [115], in navolging van
de _Romeinen_, genaamd. Want die van _Toulouse_, aan _Gascogne_
grenzende, en zoo, als algemeen bekend is, even als de bewoners van
die landstreek, veel van vergrooten houdende, willen, dat dit gebouw
door keizer Galba gesticht is, na dat deze stad bondgenoote van _Rome_
verklaard was, schoon de bewijzen hun schijnen te ontbreken. De leden
van het Stadsbestuur werden dan ook _Capitouls_ geheeten. Ik had
aangeteekend, dat hier drie groote schilderijen van den vermaarden
schilder Antoine Rivals, in een zaal die men _la Salle du grand
Consistoire_ plagt te noemen, te zien waren; en vroeg na die zaal;
men wees mij dezelve, ik zag overal rond, maar bespeurde niets, dat
naar schilderstukken geleek; de muren waren met breede driekleurige
streepen geverwd, en dit was al wat 'er te zien was, in eenige andere
kamers, die ik nog doorliep, was ook niets bijzonders te zien;
eindelijk vroeg ik andermaal aan den zelfden man, die mij de zaal
aangewezen had, en eene soort van kamerbewaarder, of diergelijken
scheen te zijn, waar dan toch de stukken van Rivals te zien waren,
en hij antwoordde in de zaal _du grand Consistoire_. In der daad zij
waren 'er nog; doch, helaas! het schilderwerk was niet meer zigtbaar;
eenige woeste ijveraars hadden 'er, in het begin van den omwenteling,
den kwast opgezet, omdat zij de geboorte, de krooning, en het huwelijk
van Lodewijk den XIV. verbeelden, en dit had ik, om dat zij met eenige
anderen genoegzaam den ganschen muur besloegen voor een driekleurig
geverwden muur of behangsel aangezien. Verder zag ik hier niets dat der
moeite waardig is om te beschrijven. De Schouwburgzaal was voorheen
in een van de vleugels van het zoogenaamde Kapitool; thans speelden
'er _Marionetten_ in, en de Schouwburg is in een ander gebouw,
dat hier digt bij staat. De gevel van dit Stadhuis, die omtrent de
helft van de vorige eeuw gebouwd is, beslaat den eenen kant van de
plaats voorheen _Royal_. Wie erinnert zich niet bij het zien van dit
Stadhuis den regterlijken moord van den ongelukkigen Calas. De Graaf
van Montmorenci, van wien ik hier voor gesproken heb op de plaats van
dit Stadhuis, met gesloten deuren onthoofd zijnde, heeft men hier
nog lange jaren daar na roode vlakken op den muur aangewezen, die
men zeide van het gespatte bloed van dit slagtoffer van Koninklijke
of liever Priesterlijke [116] wraak te zijn; sedert een geruimen tijd
ziet men die vlakken niet meer.--Maar ik scheide van al die akelige
dingen af, breng dezen op de post, en ga naar buiten wandelen.