_Montpellier, 30 Augustus._
's Morgens om 5 uren vertrokken wij met een koets met twee paarden, om
'er drie dagen gebruik van te maken. Het steedje of dorp _St. Gilles_,
waar wij doorkwamen, levert niets merkwaardigs op. De weg is vrij
goed doch bergachtig, en de landstreek dor en steenachtig. Hier en
daar ziet men echter nog eenig bouwland en wijngaarden. Op zijde
van den weg bespeurde ik op een heuveltje, een soort van kleine
tafeltjes, die gemaakt waren door twee of drie steenen, die men op
een gelegd had. Daar stonden 'er zoo verscheidene; en zij dienden,
naar ik vernam, om de schapen zout op te laten lekken, Omstreeks ten
tien uren kwamen wij te _St. Martin de Londres_, een naar vervallen
stadje; en ik weet niet waarom het ook den naam van de hoofdstad
van _Engeland_ draagt. De herberg scheen pas opgemaakt, en zag 'er
binnen en buiten gnapjes uit, en daar het zeer warm was, besloten
wij op verzoek van onzen voerman, om hier wat te vertoeven en het
middagmaal te houden. Terwijl men het gereed maakte, ging ik, niets
beters te doen hebbende, het plaatsje eens rond. De ingezetenen schenen
ijverige lieden, veelal zijden-kousenwevers; doch met dat al zag het
'er armoedig uit, vooral ook de Kerk, die men, wijl ik geloof dat men
geen middelen heeft, om ze te herstellen, wel zou doen om aftebreken,
ter voorkoming van ongelukken. Het akkerland, dat hier nog bij lag,
zag 'er ook dor en schraal uit. Geen lommer vindende, was ik ras
genoodzaakt, om mijne wandeling te staken, en zette mij bij de fontein,
die voor de herberg staat, in de schaduw van een' moerbeziënboom neder;
waarschijnlijk is dit de eenige bron, die men hier omstreeks vindt;
want ik zat 'er niet lang, of een menigte vee van alle kanten kwam
'er drinken; en jongens en meisjes, mans en vrouwen, hunne kruiken met
water vullen; dit scheen voor die arme menschen tevens eene uitspanning
te zijn. Men verleende 'er elkanderen een praatje, en vooral de jonge
lieden schenen hier hun te zamenkomst (_rendez vous_) te hebben. Een
meisje onder anderen, dat al een poosje onrustig had staan wachten;
en al de overigen liet voorgaan aan de fontein, hoewel zij een van de
eersten was; zag ik op eenmaal eene vrolijke houding aannemen, toen
zij een' gnappe boeren jongen, met een paar muilezels zag aankomen; nu
werd de kruik spoedig gevuld, en men keerde te zamen weder terug. Toen
ik mij met deze eenvoudige landlijke tooneelen vermaakte, kwam een
lief wichtje, dat nog maar naauwelijks loopen kon, mij streelen, en
trachtte op mijn knie te klauteren, terwijl de moeder bezig was, om
aan de fontein koren te wasschen; zijn broêrtje, dat wat ouder scheen,
kwam 'er bij, en stamelde mij zijn _Patois_ voor. Die kindertjes zagen
'er gezond en zuiver uit. Hunne gansche kleeding bestond in een hemdje,
en het onschuldig genoegen was op hun gelaat te lezen; ook kwamen zij
in 't geheel niet, om te bedelen; maar alleen, zoo het scheen, uit een
gullen en eenvoudigen trek; terwijl ik, als een ongewoon voorwerp,
hunne nieuwsgierigheid eenigzins gaande maakte. Zij hielden mij een
poos aangenaam bezig; ik maakte ook zoo goed ik kon een praatje met
de moeder, die mij eene goede vrouw scheen te zijn; en hoe onbevallig
anders het plaatsje ook was, de tijd viel 'er mij niet lang. Het eten
was voor den prijs vrij wel, en om één uur vervolgden wij onzen weg,
die altijd door een' dorren berg en rotsachtige landstreek loopt,
tot op eene hoogte een kwartier van _St. Bausille_; hier begint de
bevallige natuur de nieuwsgierige reizigers voor hunne moeite te
beloonen.--Men ziet eene heerlijke schilderij in het dal, waarin dat
steedje ligt voor zich, welke door de schielijke verandering des te
aangenamer treft. _St. Bausille_ heeft weinig aanzien, doch armoedig
zag het 'er niet uit, en de meeste menschen zaten aan de deur zijde te
haspelen of op strengen te winden. De boorden van het riviertje _l'
Hérault_ langs rijdende, kwamen wij omstreeks vijf uren te _Ganges_;
men rekent deze plaats omtrent acht uren gaans van _Montpellier_,
en daar men schier aanhoudend op en afklimt, kan men doorgaans
ook al niet anders dan stapvoets rijden. Wij traden hier af aan de
herberg het witte kruis (_la Croix Blanche_), en gingen het stadje
bezigtigen, dat mij wel beviel, zijnde ruim en vrolijk gebouwd;
de huizen zien 'er wel onderhouden uit, en men kan duidelijk zien
dat hier ijver en goede orde heerschen; 'er is ook een _cours_ of
gemeene wandeling, en nog een regte breede straat aan beide zijden
met boomen beplant. Pracht of grootheid bespeurt men 'er niet; alles
heeft een eenvoudig, doch net en bevallig voorkomen.--Dit kon men
misschien ook eens van ons Vaderland zeggen, en toen ging het ons
wel.--In de Roomsche Kerk ziet men zoo weinig opschik, dat, indien
'er geen altaar stond, men zou meenen in eene Protestantsche Kerk te
zijn; tot welk Kerkgenootschap het grootste gedeelte der ingezetenen
dan ook behoorde. Ik ging hunne Kerk zien, die voor de omwenteling
aan een Klooster toekwam. De Predikantsvrouw, die ik hier sprak,
en die zeer vriendelijk was, verhaalde mij, dat deze Kerk veel te
klein zijnde voor de gemeente, men reeds een ontwerp gemaakt had, om
die te vergrooten; de grond, die 'er bij behoorde was groot genoeg,
en ik merkte wel, dat het aan geen geldmiddelen zal haperen; ook zijn
hier onder de Protestanten verscheiden bemiddelde lieden.
Den 29 's morgens om 6 uren reden wij naar _le Vigan_, een ander stadje
in deze landstreek; men volgt de boorden van _l'Hérault_, die tusschen
twee ketens bergen al ruischende doorstroomt;--grootsche gezigten of
ontzaggelijke vertooningen levert de natuur hier niet op; alles is
lief en bekoorlijk, en om zoo te spreken, meêr onder het bereik van
den mensch. De bergen zijn groen; hier en daar ziet men een woning,
overal treft men castanje-, moerbeziën en andere boomen; de Natuur had
hier haar lentegewaad nog aan, en het groen zag 'er zoo jeugdig uit,
als bij ons in de maand Mei. Een half uur van _Ganges_, aan den anderen
kant van het riviertje, ligt het buitengoed van den Heer Mejan; eer
men daar komt, ziet men aan dien zelfden kant, tusschen twee rotsen,
in een ander riviertje, dat zich hier met _l'Hérault_ vereenigt, over
een dam van steenen, die 'er inligt, een kleinen waterval rollen. Onze
waardin had ons geraden, om, hoewel wij den Heer Mejan niet kenden,
of geen brieven aan hem hadden, hem evenwel vrijelijk een bezoek op
dit zijn buitengoed te gaan geven, met verzekering, dat wij 'er wel
zouden ontvangen worden, en wel te vreden zijn over de ligging van
dat verblijf. Wij gingen 'er dan ook heen. Over den berg, waarop het
gelegen is, kan men met het rijtuig door het riviertje rijden, en van
daar klommen wij te voet op de hoogte, langs een kronkelpaadje, aan
beide zijden met moerbeziën en andere boomen beplant, welke door kleine
beekjes aanhoudend besproeid worden, en daar door een verwonderlijk
frisch en tierig aanzien hebben; de uitwaseming van duizende geurige
planten en bloemen, die hier in het wild groeijen, overtreft al, wat
de reukwerk-kramers van _Montpellier_ in hunne winkels hebben. Aan
den ingang van eene lommerrijke laan, die naar het huis geleidde,
zagen wij een kloek man aankomen, met een buisje en lange broek aan,
een ronde witten hoed op, en een wandelstok in de hand--het was
de Heer Mejan zelf, voornemens zijnde, om zijne arbeiders te gaan
bezoeken; ik gaf hem ons voornemen te kennen, en hij ontving ons op
de gulste en vriendelijkste wijze; en hoe zeer wij hem verzochten,
om zich om onzenwille niet op te houden, hij wilde ons zelf in zijne
tuinen en verrukkelijke boschjes rond leiden. Achter ons aan het eind
van de laan, die zich als een groen gewelf vertoonde, en regt over
den ingang van het huis is een fraaije waterval, die door een bron,
die hooger op de rots ontspringt, altijd van water voorzien wordt,
en dus onophoudelijk loopt. Toen wij ons weder omkeerden, had men
intusschen een kraan geopend, waardoor wij, door het huis heen,
aan den anderen kant van hetzelve een schoonen watersprong tegen de
zon zagen, terwijl de rotsen aan den anderen kant van het riviertje,
waar men den straal water tegen zag, nog niet door de zonnestralen
verlicht waren; dit deed eene fraaije uitwerking. Eer wij verder
gingen, gaf de gastvrije Mejan aan zijn' knecht last, om een paar
flessen wijn in een koele bron te zetten, en wat vruchten enz. in
gereedheid te houden, zeggende tegen ons: "Gijlieden hebt zekerlijk
nog niet ontbeten, als wij terugkomen, willen wij te zamen een stuk
eten." Zulk eene hartelijke wijze van aanbieden, duldde geen weigering;
daar bij boezemde hier alles eene soort van vrijpostigheid in, die
men nimmer in lusthoven of paleizen der gewone rijken, of bij de
meesten zoogenaamde grooten gevoelt. Alles geschiedt daar, vooral
wanneer zij met lieden te doen hebben, die zij niet kennen, met eene
stijve wellevendheid; gebrek aan gulheid en vertrouwen straalt overal
in door; alles is kunst, niets natuur.--Neen! met hun kan hij, die
vrij en voor de vuist is, niet te regt; en hoe zeer onbeschoftheid
zeer onaardig is, ik heb nog liever met een' grooten lompert te doen,
dan met sommige lieden, die uitermate vriendelijk en wellevend zijn;
want die soort van vriendelijke wellevendheid, die wij hier aantroffen,
vindt men juist niet zeer algemeen, en vooral niet in de groote steden
van _Frankrijk_, anderzins om de beleefdheid en welvoeglijkheid
zoo beroemd; en daar de vriendschapsbetuigingen, uitdrukkingen van
deelneming, van medelijden, of vreugde, van dienstaanbieding en
diergelijk, even eens geleerd worden als het A. B. C., waar eene
wel opgevoede Dame zich te gelijker tijd bezig houdt met de klagten
van eenen ongelukkigen aan te hooren, daar over tranen te storten, en
eene kleeding voor het naaste bal aan hare modekraamster te bestellen,
of een' brief van rouwbeklag over het afsterven van eene harer beste
vriendinnen te schrijven, en onderwijl ook de aankondiging van eene
nieuwe Opera te lezen;--doch keeren wij tot de beschrijving van
dien bekoorlijken lusthof weder terug.--Overal treft men hier eene
verscheidenheid van schilderachtige gelegenheden aan, en zonder juist
zeer _sentimenteel_ of _romanesk_ te zijn, is men verrukt en opgetogen
bij het beschouwen van dezelve. De kunst heeft hier en daar wel wat
geholpen, doch op zulk eene behoedzame wijze, dat alles genoegzaam
natuur schijnt. Aan de linkerhand, eer men aan het huis komt, bewondert
men een hol of nis in de rots, uit welkers bovenste gedeelte het water
loodregt valt. Van boven, is deze nis bedekt door struiken van palm
en klimop, die met bevallige _Guirlandes_ langs dezelve afhangen: uit
den tuin of _terras_ achter het huis heeft men een allerliefst gezigt
op de omliggende bergen en rotsen; op het riviertje en den weg langs
hetzelve, en men klimt langs een eng voetpadje, aangenaam belommerd,
of met bloeijende struiken, zoo als de _althéa_ enz. ter zijde beplant,
naar een aardig tuinhuisje, van buiten als een boerenhutje gemaakt; in
't voorbijgaan ziet men een bergje, waarin eenige tamme konijnen hun
verblijf houden. Vervolgens kruipt men door spleten van de rots, of men
gaat door enge gangen, en over een brugje, waar van de leuningen aardig
met wilde wijngaardranken door de natuur omwonden zijn, tot aan een
Kluizenaarsverblijf. Van daar voortwandelende, komt men in een grot,
alleen door een spleet, die in de rots is, verlicht, en welke, dunkt
mij, een allergeschiktste rustplaats is voor teedere, zwaarmoedige,
voor verliefde zuchtjes of gevoelvolle romançes. Dan treft men
weder een kleinen vijver met helder water, waarin karpers en andere
visschen, aan. Dit alles ligt tegen de helling van den berg, en de Heer
Mejan verhaalde mij, dat hij in een beek aan de voet van denzelven,
een menigte kreeftjes had van de soort, die hij van _Vaucluse_ had
laten komen, en in het riviertje _l'Hérault_ vindt men zeer goede
forellen. Het wild is hier ook niet schaars; olij en wijn groeit 'er in
overvloed. De moestuin en vruchtboomgaard scheen wel voorzien, en de
weiden, op en tusschen de bergen, voeden talrijke kudden, zoo dat het
hier ook in dat opzigt zeer wel te houden is. De bronnen, die men hier
op de bergen heeft, brengen het meest toe tot deze vruchtbaarheid. Uit
dezelve loopt eene menigte beekjes, aan alle kanten, langs dezelve af,
en bevochtigen de aarde, die op de steenrotsen ligt, zoo dat men zich
geen vrolijker en levendiger wasdom kan voorstellen.--Alles boezemt
hier als 't ware genoegen en stille te vredenheid in,--alles lagcht
en juicht u tegen;--en nog haperde 'er in dit jaargetij iets aan dat
jeugdig en vrolijk gelaat der natuur. De vogelen zongen niet meêr. De
Heer Mejan zeî mij, dat tegen den tijd, dat de natuur hier uit haar'
slaap ontwaakt, welke slaap in dit bergachtige land vrij lang duurt,
het dan bijzonder levendig en vrolijk is door de groote menigte van
zoovelerlei soort van vogelen, welke zich hier ophouden. Nu gingen
wij ook de bronnen zelve op het bovenste gedeelte van den berg zien;
het water van een derzelve was genoegzaam ijskoud, en naar men mij
verzekerde van eene uitmuntende hoedanigheid; zoo dat, als men, wat
meêr dan gewoonlijk gegeten hebbende, hier van een glas gebruikte,
men duidelijk bespeurde, dat de spijsvertering daar door bevorderd
werd. In een aangenamen koepel, aan beide zijden met ramen, en welke
het voornaamste vertrek van deze, alleen voor het gerijf geschikte,
woning uitmaakt, stond een ontbijt, meestal uit smakelijke vruchten,
zoo als persiken, peren, druiven, en vooral ook vijgen, die ik nimmer
lekkerder gegeten heb, benevens brood en wijn bestaande. Wij deden
ons hier aan dan ook ter deeg te goed, want de gulhartige Mejan was
niet te vreden dat wij slechts proefden, wij moesten eten, ter deeg
eten. Hij verhaalde ons, dat hij vooral met een zijden kousen-fabriek,
die hij te _Ganges_ had, een aanzienlijk vermogen had gewonnen, doch
al eenige jaren geleden den handel had vaarwel gezegd, en aan zijne
kinderen overgelaten; dat hij sedert altijd buiten woonde, en zich
alleen met den landbouw, en het bestuur van zijne landgoederen, die
zeer uitgestrekt zijn, bezig hield; dat hij dit aangenaam verblijf,
dat bij zijne Hermitage noemde, zelve had aangelegd, en voor een
groot deel beplant; zijnde verpligt geweest, om hier en daar eene
aanmerkelijke hoeveelheid aarde op de rots te laten brengen. Hij zei,
dat hij veel van de _Hollanders_ hield; nu, hij gaf ons daar ook
een blijk van, en om de maat van zijne vriendelijkheid vol te meten,
noodigde hij ons, om 's avonds in het terug komen, andermaal eenige
ververschingen bij hem te nemen, en om onze landgenooten en andere
reizigers, die deze streek mogten komen zien, te verzoeken, van
hem niet voorbij te gaan. Hoe zeer wij zulks trachtten te beletten,
geleidde ons de goede man in het heen gaan, langs een ander voetpadje
als wij gekomen waren, een eind weegs den berg af, tot daar hij ons
den weg, dien wij te houden hadden, kon aanwijzen, en hier drukte ik
hem met aandoening en hartelijke tevredenheid de hand, waarschijnlijk
om hem nooit weder te zien.--Deze plaats wordt _Toumeol_ genaamd,
wat deze naam beteekent weet ik niet, maar wel dat men moeijelijk een
naam zou vinden, waar door het zielstreelende van dit oord genoegzaam
wordt uitgedrukt. De ouden zouden het buiten twijfel voor een verblijf
der Nimfen, of goede toovergodinnen gehouden hebben; en had Mahomet
het gezien, hij zou 'er zekerlijk zijn Paradijs naar geschetst hebben.
Beneden aan den berg, deed zich nog een bekoorlijk groepje op,
tegen de helling naast een klein beekje, lagen twee engelachtige
half naakte kindertjes, waar van het oudste drie of vier jaren kon
bereiken, in het midden van eenige schapen en geiten, waarop zij
achteloos leunden: de grond was hier met kruiden en bloemen overdekt,
en zij werden door eenige lommerrijke boomen beschaduwd--het was een
allerliefst arkadisch landschapje. Ik wilde de kleine herders eenige
stuivers geven, doch, ô gelukkige onschuld! zij schenen geen geld te
kennen, althans het werd niet aangenomen, en een kus was dezen nog
onbedorvene schepseltjes veel liever.
Omtrent een kwartier van het buitenverblijf van den Heer Mejan, naar
den kant van _le Vigan_, ligt een brug op het riviertje, en daar
bij een roodachtige rots, die buiten de andere bergen uitsteekt en
eene aardige vertooning maakt. De weg is goed, loopende altijd zich
meerder of minder verheffende langs de _l'Hérault_, waarin men hier
en daar kleine watervallen en bruisingen ziet, door de brokken steen,
die het water ophouden, veroorzaakt. Ieder oogenblik is men verrukt
door de onderscheidene schilderachtige liggingen,--rotsen met boomen
en frissche kruiden bedekt, hier en daar een woning op de hoogte,
in het flaauwe verschiet, aan de helling van een' heuvel, half
tusschen de struiken verscholen, of in de diepte aan de boorden der
rivier,--daar op den weg sommige muilezels met hunn' geleider,--ginds
eenig rundvee en schapen in een eng dal weidende,--ontzaggelijke
brokken rots, zoo het schijnt nog maar pas van boven neder in het
riviertje gerold, en hier en daar zware castanjeboomen, die den weg
belommeren. Onder alle deze voorwerpen heerscht, door de verschillende
gedaanten en liggingen der bergen, eene verscheidenheid van schaduw
en licht, die allerbevalligst is. Men schijnt hier, door zoo vele
steile bergen van de verkeerde en bedorven maatschappij afgezonderd;
niets doet zich op dat het denkbeeld daar aan opwekt, geene paleizen,
geene Heeren of Juffrouwen, geene kostbare rijtuigen, liverijen, of
al diergelijke dingen, waarvan een redelijk denkend mensen walgt;
want deze landstreek wordt door de grooten weinig bezocht, en 'er
loopt geen groote of Postweg door.
Omstreeks elf uren kwamen wij te _Vigan_, drie uurtjes van _Ganges_
afgelegen, en stapten af aan het Hotèl _du Cheval vert_. Die herberg
zag 'er hier in 't geheel niet zindelijk uit, maar het was, naar
men ons gezegd had, de beste, dus bestelden wij 'er den maaltijd. De
Roomsche Kerk is ook uit en inwendig zeer eenvoudig; de Protestantsche
was niet open. Hoewel het zeer heet was, gingen wij de bron, een
kwartier uurs van hier, bezoeken; zij heeft niets bijzonders dan zeer
helder en lekker water. De gemeene wandeling is met een aantal ongemeen
zware castanjeboomen beplant; zij staan zonder order door elkander,
en maken een klein maar aangenaam en bevallig woud. Het is hier in de
schaduw van dat digte lommer, vooral in dit jaargetij, op dezen tijd
van den dag, regt vermakelijk, om wat te rusten. Het stadje beviel
mij zoo wel niet als _Ganges_, het is zoo goed niet bebouwd, en ziet
'er slordiger uit. De bevolking verschilt niet veel, in het eene zoo
wel als in het andere telt men omtrent 4000 inwoners. De zijden-teelt
en zijden-kousenweverijen zijn hier ook de voorname kostwinning. _Le
Vigan_ behoorde voorheen tot het landschap _d'Alais_, en thans tot het
Departement _du Gard_: de Onderprefect houdt 'er zijn verblijf, en daar
is een regtbank. Het riviertje _l'Arre_ stroomt 'er langs, en van een
steenen brug die hier over hetzelve ligt, heeft men een schilderachtig
gezigt. Eenige _Engelsche_ huishoudens, die krijgsgevangenen zijn,
hebben verlof, on hier den zomer doortebrengen; aan hunne rijtuigen en
paarden te zien, schenen het rijke lieden te zijn; ook verteerden zij,
naar ik vernam, nog al wat, en dit gaf in dit plaatsje een meêr dan
gewoon vertier. Voor den gewonen prijs aten wij in onze herberg tegen
verwachting vrij wel. Trouwens het was ook uit dezelfde keuken, waar de
_Engelschen_ uit schaften: het eten werd hun van hier gebragt. Na den
maaltijd reden wij weder terug. Voor het verrukkelijke buitenverblijf
van den Heer Mejan hielden wij stil, om nog eens de alleraangenaamste
ligging van hetzelve te bewonderen; het is een groen _Amphithéater_,
de treurwilligen die boven op en tegen de helling van den berg staan,
en met lange takken langs denzelven afhangen, maken ook een aardige
en eenigzins vreemde vertooning, om dat die boom in de laagte t'huis
hoort; doch hier tiert zij door de menigte beekjes en stroomtjes
ook zeer weelderig op de hoogte. Ik had onder weg ook opgemerkt,
dat men hier en daar boekweit teelde; iets, dat ik in het gedeelte
van _Frankrijk_, dat ik doorreisd heb, en vooral in het zuiden,
weinig of niet zag. Castanjes levert deze landstreek in menigte op.
Te _Ganges_ terug gekomen, gingen wij in de fabriek van Mejan eenige
paren zijden-kousen koopen. Het huis is groot, en ziet 'er gnap, maar
in 't geheel niet prachtig uit, en in de magazijnen kan men zoo wel één
paar, als eenige honderde dozijnen paren zijden-kousen krijgen. Wij
vonden 'er twee kleinzonen van onzen vriendelijken gastheer, die ook
zeer geschikte jongelieden schenen te zijn. Dit huis drijft een'
zeer uitgebreiden handel, en heeft zelfs een Kantoor te _Cadix_;
algemeen zijn zij bekend als zeer eerlijke lieden, met wien het goed
te handelen is, en die daardoor en door hun aanzienlijk vermogen een
uitgebreid krediet hebben; zij behooren, aan zoo vele honderde handen
werk verschaffende, tot de voorname steunen van deze en omliggende
plaatsen, en schijnen door hunne medeburgers zeer bemind te zijn. Zoo
gij die goede lieden door aanbeveling, of anderzins, eenigzins dienst
kon bewijzen, Vriend! zulks zou mij bijzonder aangenaam zijn; want
zij verdienen het, en hebben billijke aanspraak op de achting van
vreemdelingen, om de gulle vriendelijkheid, waarmede zij dezelven
ontvangen, zijnde hunne gastvrijheid, naar men mij verzekerde, in
dit opzigt algemeen. Raad dan ook ieder van uwe kennissen, die hier
naar toe mogt reizen, gerust aan, om een bezoek op het landgoed van
Mejan te gaan afleggen.
Daar het nog vroeg genoeg was om een wandeling buiten het stadje te
doen, ging ik de steenen brug die hier over _l'Hérault_ ligt over,
en zag ter zijde op den muur van dezelve eene waterleiding (_Aquaduc_)
gemaakt, dienende om het water uit eene bron aan den overkant van de
rivier, op een' zekeren afstand gelegen, in de stad te brengen; doch
drie weken geleden was een gedeelte van het metselwerk ingevallen
en nog niet hersteld. Ik wandelde langs de rivier en klom tusschen
beiden eens op een heuvel tot den avond begon te vallen. Van verre
deed zich het geluid van de bellen der schapen, en het vee, dat men
naar den stal dreef, als een' klokkenspel hooren, en dan hoorde
ik al eens een boerenmeisje of knaap een liedje in het _Patois_
zingen, terwijl zij de paarden of het vee naar de rivier leidden,
om te drinken. Ik had hier, dunkt mij, met genoegen eenige dagen
doorgebragt; doch dat kwam met ons reisbestek niet overeen.
De vrouwen dragen hier veelal zwarte zijden-hoedjes met eene kant
'erom, zoo als bij ons de dienstmeisjes. Een praatje makende met
de vrouw uit onze herberg, vernam ik, dat zij tot de Protestanten
behoorde; dat die hier met de Roomschgezinden in goede verstandhouding
leefden, en zelfs veel onder elkanderen trouwden; als mede dat de
vrouw van den Predikant eene _Hollandsche_ was, doch uit welke plaats
en hoe genaamd, wist zij mij niet te zeggen.
Den 30 dezer 's morgens om 5 uren vertrokken wij van _Ganges_. De
morgenstond was frisch en aangenaam. Een half uurtje van daar komt
men door een dorpje _le Roc_ genaamd; een oud kasteel ligt daar tegen
een rots, die zich als een pyramide vertoont, van hier denkelijk de
naam van (_le Roc_) de rots. Wat verder op, aan den anderen kant van
het riviertje, ziet men de punt van een rots, van verre gelijkende
naar een oud _colossaal_ beeld van een Bisschop met een mijter op. De
rotsen, die hier vrij hoog zijn, en sommige een kegelvormige gedaante
hebben, zijn meest zamengesteld van steenen, die laagsgewijze op een
liggen, of van een soort van schaliesteen. De natuur is hier meêr
grootsch en majestueus, dan aangenaam en liefelijk.--Verder koomende,
ziet men eene steile rots, als de muren van een oud kasteel. Hier
en daar schijnen 'er gaten of spelonken in te zijn,--nu daalt de
weg, die eenigen tijd vrij verheven was boven de rivier, in een
aangenaam dal af. Hier ziet men vele moerbezienboomen; vervolgens
komt men in het dorp _St. Bausille_. De straten zijn 'er zoo naauw,
dat twee rijtuigen 'er elkanderen met geen mogelijkheid zouden kunnen
voorbij komen. Buiten dit dorp klimt men eenen redelijk hoogen berg
op; van daar ziet men achter zich het dorp in een alleraangenaamst
groen dal, en het riviertje _l'Hérault_, dat men daar verlaat, 'er
doorkronkelen. Op zulke plaatsen beklaag ik mij altijd van niet genoeg
te kunnen teekenen; want diergelijke schoone schilderijen wenschte
ik mij daar door dikwijls voor te kunnen stellen.--Hier hoort men
het water nog liefelijk ruisschen, doch welhaast mist men geheel de
bekoorlijke boorden van de _Hérault_, en het lagchende groen van dat
gedeelte der _Cevennes_.--Men daalt af, om weder een' hoogen berg langs
kronkelwegen op te klimmen. Daar het redelijk koel was, gingen wij
meest te voet. Aan een heester langs den weg staande, vond ik eenige
gewassen die ik voor een soort van kleine appelen hield; zij waren
even als die geelachtig, en aan den eenen kant rood; hoe verwonderd
was ik van dezelve doorbreekende, te vinden dat zij vol waren van een
soort van kleine gevleugelde insekten, die door elkanderen krielden;
zij hadden veel overeenkomst met de plantluizen, die men bij ons
onder de bladeren van de aalbeziën vindt. Op de rotsen hier rondom
groeit veel palm, die de landlieden meest gebruiken, om te branden. Te
_St. Martin de Londres_ lieten wij ons wat eten klaar maken, en aten
'er onder anderen witte truffels, die men hier omstreeks veel vindt;
zij kwamen mij zoo goed niet voor als de zwarte. Men rekent van hier
tot _Montpellier_ nog omtrent 4 1/2 uur; de vrolijke gezigten houden
geheel op, de landstreek is dor, en hier en daar ziet men hooge en
steile rotsen. Een half uurtje van _Montpellier_ ontdekt men reeds de
_Aquaduc_ van verre; hier en daar aan den weg staan steenen palen;
onze voerman zeide, dat de pijpen of buizen tot die waterleiding
behoorende, en waar door het water van de bron wierd aangevoerd,
hier onder doorliepen. Omstreeks vijf uren na den middag waren wij
te _Montpellier_ terug.--'s Nachts viel 'er zware donder en regen.
Den 31 dezer, 's morgens op de markt gaven de koopvrouwen in
visch, groentens, enz. vrij luidruchtig en in geen zeer bescheiden
uitdrukkingen, hun misnoegen te kennen, over een besluit (_arrète_)
van het Gouvernement, waarbij eenige kleine munten, waar de stempel
af gesleten was, buiten omloop werden gesteld. Op deze markt ziet men
een zeer fraaije fontein in een nis tegen een muur; boven op staan twee
eenhoorns en een kindje, houdende een' wapenschild en een laurierkrans;
op het voetstuk wordt een veldslag _en basrelief_ verbeeld, waaronder
men leest: _Bataille de Clostercamp_ [103]; boven de nis is een wapen
(_trophée_), en dit alles is van marmer en in een fraaijen smaak
gemaakt. De Maarschalk de Castries Gouverneur te _Montpellier_ zijnde,
werd deze fontein ter zijner eere opgerigt. Het gebouw, dat men de
beurs noemt, schijnt oorspronkelijk een Kerk of Kapel geweest te zijn;
men bedient 'er zich weinig van, want de Koophandel is hier van geen
groot aanbelang.
Te _Montpellier_ wordt veel koperrood of eigenlijk koperroest gemaakt;
gedurende een' geruimen tijd deed men dit bijna nergens anders,
wanende, dat de kelders alhier 'er bijzonder toegeschikt waren,
doch thans wordt het ook op verscheidene andere plaatsen gemaakt;
de bewerking is zeer eenvoudig. Men plaatst in een aardepot boven
wijn, die men aan het gisten maakt, laagsgewijze met verdroogde
druiventrossen, en tusschen verscheidene plaatjes koper, die door de
uitwazeming van den wijn aan het roesten raken; opgedroogd zijnde,
schraapt men 'er dit roest af, en dat is het koperroest. Zoo
gij het omstandiger weten wilt, lees dan Chaptal _Elemens de
Chimie_. Zonderling is het, dat vrouwen hier meest met dien arbeid,
die om het vergiftige met zeer veel omzigtigheid moet geschieden,
belast zijn. Men fabriceert hier ook de _Cremor Tartari_.
Het schijnt ter dezer plaatse niet ongezond te wezen, mits men zich
behoorlijk in acht neemt opzigtens de kleeding; want het weder kan
'er, even als bij ons, zeer ongestadig zijn.
_Montpellier_ is zijn opkomst verschuldigd aan het verval van
het oude _Maquelone_. Het gedeelte van _Neder-Languedoc_, waarin
deze stad gelegen is, werd oudtijds door de _Volces-Arecomiques_
bewoond. De inwoners worden voor levendig en werkzaam van aard
gehouden; de huishoudens, naar men zegt, leven veel op zich zelve,
en de gezellige verkeering heeft hier minder dan in andere steden
plaats. De religiegeschillen, die hier ook vele rampen veroorzaakten,
gaven daar misschien wel aanleiding toe. Hunne gastvrijheid omtrent
de vreemdelingen is ook niet beroemd; en zelfs een _Languedoc's_
spreekwoord, doet den ongezelligen aard van die van _Montpellier_
kennen [104]. Deze Stad is thans de Hoofdplaats van het Departement
de _l'Hérault_; zij is de geboorteplaats van verscheidene mannen van
naam, zoo als de in de Natuurlijke Historie der Visschen ervaren,
Guillaume Rondelet, die 'er in 1507 geboren werd; Pierre Magnol,
kruidkundige, in 1638; Louis Bertrand Castel, wiskunstenaar, in 1688;
de bekende Tooneeldichter Brueijs, van wien wij ook eenige stukken in
het _Hollandsch_ overgezet hebben [105], en meêr anderen. Cambacères
in de geschiedenis van de omwenteling van _Frankrijk_, en vooral als
tweede Consul bekend, thans groot Kanselier met den tijtel van Prins,
is ook van _Montpellier_.
Over onze herberg _l'Hotel du Midi_, waren wij ongemeen wel te vreden;
het is 'er gnap, en men eet 'er zeer goed aan de gemeene tafel in
een ruime en fraaije zaal. Wij hadden hier niet minder lekkeren
zeevisch dan te _Marseille_, onder anderen goede versche tonijn,
en zeer groote schelvisschen. Voor een kamer met twee bedden, van
waar men een gezigt had tot in de _Middellandsche Zee_, betaalde ik
40 _sols_ daags. Morgen voor den middag reizen wij naar _Toulouse_.