VEERTIENDE BRIEF.

_Montpellier, 27 Augustus._

Voor dat ik van mijne afreis van _Nismes_ spreek, moet ik u nog

iets van de oudheid en geschiedenis dier stad zeggen. Vermaarde

schrijvers het denkbeeld, dat zij door de kinderen van Hercules zou

gebouwd, en wel 3400 jaren oud zijn, als een sprookje verwerpende,

stellen, dat die stad haar' oorsprong verschuldigd is aan de

_Phoceënsers_, die _Marseille_ te klein vindende, zich hier,

zoo wel als te _Orange_, te _Nissa_, te _Antibes_, te _Turin_,

en te _Tarragone_, kwamen vestigen. De onderscheidene _Grieksche_

opschriften, te _Nismes_ gevonden, schijnen dit te bevestigen;

in de landtaal (_Patois_) heeft men ook verscheidene woorden,

die van het _Grieksch_ herkomstig schijnen, als mede de _Grieksche_

benamingen van sommige plaatsen hier omstreeks. Zij bestond dan reeds

400 jaren voor de overwinningen van Fabius Maximus onder de _Gaulen_,

en werd toen aan het juk der _Romeinen_ onderworpen. In de 5de eeuw,

was zij gedurende zestig jaren, beurt om beurt de prooi der _Wandalen_

en _Gothen_; in de 6de maakten de _Visi-Gothen_ 'er zich meester van,

in de 8ste werd zij door de _Saracenen_ verwoest, aan welke Pepin

le Bres [90] haar weder ontrukte, en 'er Ondergraven (_Vicomtes_)

aanstelde, onder de Hertogen van _Septimanie_. Vervolgens namen de

Ondergraven van _Nismes_, en de Graven van _Toulouse_ 'er bezit van,

en na hun de Koningen van _Arragon_, die ze in 1258 aan Lodewijk den

IX. bijgenaamd _den Heiligen_ (_St. Louïs_) afstonden. Na dien tijd

heeft zij door Staats- en geloofsonlusten nog zeer veel geleden,

en welke aanmerkelijke veranderingen heeft zij in onze dagen niet

ondergaan! Van eene Koninklijke regering onder een Republikeinsch

bestuur, en eindelijk onder eene Keizerlijke regering! Thans is

_Nismes_ de hoofdplaats van het Departement _du Gard_, het verblijf

van de Prefect, en een Regtbank ter eerster _instantie_.

De menschen schijnen hier vlijtig, en in hunne levenswijze

vrij eenvoudig te zijn, en men vindt 'er verscheidene gegoede

burgers. Behalve de fabrieken, waarvan ik reeds gesproken heb,

heeft men 'er hier ook nog van wollen en andere stoffen, doch de

tijdsomstandigheden zijn daar voor ook al niet gunstig.

Den 24 dezer, 's morgens vroeg opstaande, ging ik voor het laatst het

Amphithéater en andere oudheden nog eens bekijken; op de _Esplanade_

raakte ik in gesprek met een' burgerman, die liefhebberij voor kunsten

en wetenschappen scheen te hebben, en mij van dit een en ander nog al

wat wist te vertellen. Over het algemeen hebben de burgers hier nog

al veel op met de oudheden van hunne stad, het geen ik met genoegen

bespeurde. De twee torens die de _Gothen_ of _Visi-Gothen_, zich

binnen de muren van het Amphithéater versterkende, daarin hadden,

gebouwd, zijn ook in het begin van de omwenteling, op last van de

Municipaliteit, afgebroken, en de steenen daarvan hebben gediend, om

den tuin van het voormalige Kapucijner-Klooster, op de _Esplanade_,

met een muur te omringen. De Kloosters afgeschaft zijnde, dient dit

gebouw voor een bijzonder gebruik, ik meen voor een fabriek.

Toen ik voor de Hoofdkerk stond, en die nog eens met aandacht bekeek,

bood een boer, die waarschijnlijk bespeurde, dat ik een nieuwsgierige

vreemdeling was, mij drie oude koperen munten aan, om te koopen;

hij zeî, die niet lang geleden, omstreeks deze stad, naar den kant

van _Arles_, in een boschje gravende, gevonden te hebben. Zij schenen

van de eerste Christen tijden te zijn; ik kocht ze voor slechts 24

Fransche stuivers; want meêr vroeg de man niet, en ik raadde hem,

om daar omstreeks verder te zoeken, alzoo 'er misschien nog oudheden

van meêr belang verborgen waren.

Jean Nicot, die, in 1559 Ambassadeur in _Portugal_ zijnde, vervolgens

de Tabaksplant van daar aan aanbragt, welke dan ook na hem _Nicotiana_

genaamt werd, is te _Nismes_ geboren.--en dit vergat een _Hollander_

bijna aan een _Hollander_ te schrijven. Hij was Doktor in de

Medicijnen, en heeft ook eene Fransche en Latijnsche _Dictionaire_

geschreven.

's Morgens om elf uren vertrokken wij met den postwagen, die van

_Avignon_ naar _Toulouse_ rijdende hier door komt, tot _Montpellier_,

van waar ik u thans schrijve.

De weg was goed, doch de stof verschrikkelijk, want de wegen zijn hier

niet gestraat, maar met steengruis opgeworpen, en deze steen, die niet

zeer hard is, door de raderen gemalen zijnde, veroorzaakt eene fijne

en ligte stof. Reizigers, van _Marseille_ komende, verhaalden ons,

dat de Admiraal Freville Latouche te _Toulon_, waar hij kommandeerde,

overleden was; hij bevond zich reeds gevaarlijk ziek, toen wij 'er

waren.--Dit is een groot verlies voor de _Fransche_ zeemagt.

Het land schijnt hier omstreeks zeer bewoond; wij zagen verscheidene

steedjes en dorpjes aan den weg, en van verre liggen. Te _Lunel_, een

steedje beroemd bij alle lekkerbekken om den keurigen muscaatwijn, die

daar omstreeks groeit, en de muscadelle druiven, die men ook gedroogd

in kistjes naar alle oorden verzendt, en die voor eene ongemeene

lekkernij gehouden worden, was het juist jaarmarkt en daar door vrij

druk; wij hielden 'er een kwartier stil, en hadden dus den tijd om eens

rond te zien, en van den lekkeren wijn te proeven. Zij wordt in kleine

flessen van licht groen glas, die verzegeld zijn, en waarop een briefje

geplakt is, verkocht; wij betaalden voor zulk een fles 50 _sous_. Met

genoegen zag ik de boeren op de markt met elkanderen, bezig met het

koopen en verkoopen van vee, bijzonder schapen, ezels en muilezels;

het gaat daar bijna zoo al op dezelfde wijze toe, als op onze markten.

Hier zijn ook vele Protestanten. In vroegere tijden was deze plaats

meest door Joden bewoond, en de vermaarde Rabbi Salomon Jarchi had hier

zijn school. Behalve de stof is de weg niet onaangenaam, en tamelijk

vlak; de voorname vruchten, die deze landstreek oplevert, schijnen

olij en wijn te zijn. Ten 6 1/2 uur kwamen wij te _Montpellier_

aan; die stad op een hoogte gelegen, doet zich aangenaam op. Wij

stapten af aan het Hotèl _du Midi_, digt bij den Schouwburg, en de

voornaamste gemeene wandeling. _Nismes_ en _Montpellier_ is 6 1/2

post van elkanderen gelegen.

Den 25 dezer, na de stad eens doorgeloopen te hebben, ging ik de

gemeene wandeling, de _Esplanade_ genaamd, bezigtigen; zij is vrij

groot; en met regte rijen boomen beplant, doch welke 'er niet wel

schijnen te kunnen groeijen, want zij zien 'er dor en kwijnende

uit; hoewel zij reeds 80 jaren oud zijn; want deze wandeling werd

door den Hertog de Roquelaure, Kommandant van de Provincie, in 1724

aangelegd, geven zij nog maar weinig lommer, en men zou denken, dat

zij 'er naauwelijks de helft van dien tijd gestaan hadden. Aan ieder

eind van deze wandeling is een ronde vijver of kom met water, en in

het midden staat een vrij hooge kolom, waarop een Vrijheidsbeeld van

geelachtigen steen, dien men hier omstreeks vindt. De citadel, die aan

den eenen kant van deze wandeling gelegen is, werd door Lodewijk den

XIII. na de belegering van deze stad gebouwd, om de Protestanten in

teugel te houden. Ik ging 'er in, doch zag niets bijzonders. 'Er staan

uitgestrekte gebouwen, die voordezen voor _casernen_ dienden. Op de

wallen rondom, heeft men een schoon gezigt, tot in de _Middellandsche

Zee_; naar ik vernam, moest deze vesting eerstdaags gesloopt worden, de

grond en afbraak is aan de stad afgestaan. Men was werkelijk bezig met

de grachten te dempen. Inwendig is _Montpellier_ ook al niet fraai, de

meeste straten zijn naauw, krom, en op en neder loopende. In de groote

straat (_grande rue_), die nog al redelijk breed is, zijn de fraaiste

winkels en Koffijhuizen: vooral in dat gedeelte van de stad, is het

ook vrij levendig. _La place du Peyrou_ is eene gemeene wandeling;

aan de andere zijde van de stad (met betrekking tot de _Esplanade_)

en op het hoogste gedeelte van den heuvel, waarop zij gebouwd is,

gelegen; men komt 'er op door een fraaije poort of zegeboog, die met

afbeeldingen _en basrelief_ pronkt, welke keurig gewerkt zijn; een

van dezelve verbeeldt den Godsdienst, te weten den Roomschen; die de

ketterij, dat is het Protestantsch geloof, vernietigt; het opschrift

dat 'er onderstond, heeft men 'er in het begin van de omwenteling

uitgehouwen. Door deze poort ziet men op een' zekeren afstand een

sierlijk gebouw, het is een water-kasteel (_Chateau d'eau_) zeskant

van gedaante; de buitenzijde pronkt met twaalf geribde pilaren van

Corinthische orde, en van binnen staan 'er zes diergelijken, en in

't midden van dezelve een fraaije ronde kom met water. Men klimt

'er langs verscheidene trappen naar toe, en heeft daar op eene soort

van galerij, met een fraai steenen hekwerk en zitbanken omgeven, een

allerverrukkendst gezigt. In het zuid-westen ziet men de keten der

_Pyrenesche_ gebergtens, ten noorden over een vrolijk landschap de

bergen en rotsen van de _Cevennes_, ten oosten ontdekt men de _Alpen_

in een flaauw verschiet, en ten zuiden ziet men weder over een fraai

en aangenaam geschakeerd landschap tot in de _Middellandsche Zee_. Het

water-kasteel is met fraai en toepasselijk beeldhouwwerk versierd,

zoo als _Guirlandes_ van netten met allerlei visschen enz. onder

hetzelve liet men ons de bakken zien, waarin het water, door de

trotsche waterleiding, waarvan ik u hier na spreken zal, gebragt

wordt; onder voor dit water-kasteel, is nog een groote vijver, waarin

het water uit de binnenste kom, door kleine watervallen loopt. In

dezen vijver, waarvan het water zeer helder is, ziet men karpers,

bermen, en eenige goudvisschen. De plaats _du Peyrou_ [91] zelve is

rondom met een steenen leuning en zitbanken omringd, en in het midden

stond voor de omwenteling een fraai metalen standbeeld, verbeeldende

Lodewijk den XIV. te paard [92]. Sedert eenigen tijd heeft men aan

beide zijde ook een rij _Acacia_-boomen geplant, dat wel noodig is;

want het is anders zoo vlak en aan de zon blootgesteld, dat men 'er

althans zomers niet anders dan 's avonds, of 's morgens zeer vroeg,

wandelen kan; doch van deze plaats klimt men aan beide zijden af, en

daar heeft men een aangename en lommerijke wandeling onder acacia,

platanussen, en ijpeboomen, hoewel deze laatste hier ook niet wel

aarden willen; doorgaans worden de bladeren al vroeg in den zomer rood,

en van een soort van insecten doorknaagd; thans zagen zij 'er door den

buitengewoonen regen nog al vrij wel uit; in het achterste gedeelte

van deze wandeling, zijn twee vijvers met springende fonteinen,

en hier gaat men door ruime bogen onder de waterleiding (_aquaduc_)

door. De ingangen van deze wandeling zijn met fraaije ijzeren hekken

versierd, kortom het geheel is zoo grootsch en prachtig, en voegt zoo

weinig bij een stad als _Montpellier_, waar men anders bijna niets

van dien aard ziet, dat Keizer Josephus de II. hier door reizende,

en _la place du Peyrou_ ziende, vroeg: "_Waar dat toch de stad was_."

Aan de linkerzijde, als men de stad zal ingaan, ziet men boven de muren

van dezelve een vrij hoogen en van boven platten toren uitsteken. Op

dezelve zag ik eenige tamelijke groote pijnboomen; dit maakte geene

onaardige vertooning. Van hier verder de muren buiten omwandelende,

komt men uit aan de _Esplanade_, en klimt daar langs verscheidene

trappen ter dezer plaatse op.

Den 26 dezer wandelde ik 's morgens om 5 1/2 uur reeds naar buiten,

om de _Aquaduc_, waar ik u van gesproken heb, en die ik reeds van

de _place du Peyrou_ bewonderde, nader bij te beschouwen. Ik ging

den grooten weg op, tot het begin van deze waterleiding, dat is

een half uurtje van de stad; hier staat een steenen huisje, waarin

de buizen, door welke het water van de bron _St. Clement_, omtrent

een uur van daar geleid wordt, uitkomen; dit huisje is geplaatst op

een' heuvel, de helling van denzelven volgende, heeft men eerst ter

lengte van eenige passen een muurwerk zonder bogen; vervolgens lager

afklimmende, komt men aan de kleine bogen, en daarna aan de groote;

daar de kleinen boven opstaan; want deze _Aquaduc_ bestaat uit twee

verdiepingen, in denzelfden smaak als de twee bovenste van de _Pont

du Gard_. Jammer is het, dat zij niet regt, maar met een elleboog

gebouwd is [93]; tot dezen hoek of elleboog, naar de stad gaande,

telde ik 59 kleine en 10 groote bogen, en van daar 123 kleine en 40

groote, dus in 't geheel 182 kleine op 50 groote bogen of poorten,

behalve de twee, die nog in de onderste wandeling van de _place du

Peyrou_ staan. Volgens mijne afmeting is zij 970 treden lang, tot aan

den muur van de _place du Peyrou_. De bovenste of kleine bogen zijn

ook aan de binnen zijde boogsgewijze gemaakt, zoodat men daar van de

_place du Peyrou_ langs een trap bijklimmende [94], 'er in ziet, als

in een lange galerij, nimmer heb ik fraaijer _perspectief_ gezien,

en nog ziet men maar tot den hoek of elleboog. Ik beschrijf dit wat

omstandig, omdat vele schrijvers 'er geen naauwkeurig verslag van doen,

en mij dunkt, dat het der moeite wel waardig was. Omtrent het midden

van de afgeloopen eeuw, werd dit groote werk ondernomen; en een Pitot,

in de water-werktuigkunde bekwaam, met de uitvoering daar van belast.

De morgenstond schoon zijnde, wandelde ik weder naar de akkers

terug; onder aan de bogen van de _Aquaduc_ tegen den zonkant, zag

ik verscheidene hagedissen, die overal in het zuiden van _Frankrijk_

zeer algemeen zijn, doch nergens zag ik 'er meêr bij elkanderen dan

hier; sommige zijn wel een span lang, doch zij doen hoegenaamd geen

kwaad. De grond, hoewel van natuur schraal, levert, door de bewerking

en bemesting, echter akkers, konstweiden, meestal van Lucerne-klaver,

en moestuinen, op; deze laatsten moet men gedurig bevochtigen,

en dat geschiedt op de volgende wijze: bij de meeste tuinen is een

put gegraven, die eene vrij wijde opening op een heuveltje heeft;

digt bij deze opening is een rosmolen, waarin een paard of muilezel

loopt, en door de gewone werking van die molens, een redelijk breed

rad in den mond van de put _verticaal_ beweegt. Aan dit rad hangt een

soort van touwladder, waaraan verscheidene aarden potten of kruiken

onder elkanderen geplaatst zijn [95], deze ladder los om het rad

hangende, gaat dezelve door de draaijing op en neder, zoo dat de

onderste kruiken water scheppen, en de bovenste het uitstorten in

een bak tegen de put geplaatst, uit welken bak het dan door een buis

of buizen afloopt in den tuin, door groeven ten dien einde gemaakt,

dezelve overal bevochtigende, en langs en op de bedden loopende. Deze

wijze van begieten zou in de _Meijerij_ van den _Bosch_, en andere

hooge landen bij ons, ook zeer wel te pas komen, en scheen mij toe,

de put gegraven zijnde, niet zeer kostbaar te zijn. De groentens

in soorten stonden daar dan ook vrij frisch. Anders ziet men hier

omstreeks weinig vrolijk groen; de vale olijfboom, de wijnstok en de

moerbeziënboom, die in de lente, en het begin van den zomer schier

bladerloos is, omdat het blad voor de zijwormen geplukt wordt, deze

zijn het, die men in een groot deel van _Provence_ en _Languedoc_

het meeste aantreft, en men mag onze Vaderlandsche vlakke gronden

eenzelvig noemen; zij hebben een veel weelderiger en aangenamer

voorkomen, dan de landen, die men over het algemeen in het zuiden,

en zelfs in het grootste deel van _Frankrijk_, dat ik gezien heb,

vindt. Wat is het bovendien aangenaam, dat men zoo vele goede en

nuttige dieren, zoo vrij en vrolijk in de weide ziet omspringen en

huppelen; hier zijn zij bijna altijd onder het juk of op de stallen,

als in eene gevangenis opgesloten. Bij ons geeft een koe hare melk,

en leeft althans zomers genoegzaam volkomen in haren natuurstaat,

zij ziet 'er gezond en vrolijk uit, terwijl hier het magere kwijnende

koeitje, dat 'er doorgaans morsig uitziet, op den stal vermuft,

of zelfs nog wel een kar moet trekken. Bij ons spant de landman 's

avonds zijn paard uit, en brengt het naar de weide; daar loopt het

vrolijk heen, rolt zich in het lange gras en vergeet zijne moeite

en arbeid; het heeft ook zoo wel als de mensch zijne rustdagen. In

ons Vaderland gebruikt men de dieren, ten minste op het land,

en vooral daar overvloedige weilanden zijn, om zoo te spreeken,

als bedienden--hier zijn het ellendige slaven.--Ja, Vriend! wat men

'er ook van zeggen moge, ons Land is in alle opzigten een land waar

Vrijheid en Welvaart wonen willen! en God geve, dat wij het toch

eindelijk onder elkanderen hierin eens mogen worden, om met vereende

kragten alles in het werk te stellen, tot handhaving van onze vrijheid

en onafhankelijkheid, en alzoo tot bevordering van ons wezenlijk heil;

want zonder vrijheid kunnen wij veel minder dan andere landen bestaan;

zij is immers genoegzaam onafscheidelijk aan onze Vaderlandsche bodem

verbonden? en wee ons! indien wij haar van daar, door schandelijke

onverschilligheid en gebrek aan Vaderlandsche deugden, verjagen.

Hier over peinzende, ging ik de stad weder in, want het begon

reeds warm te worden; en vervolgens, na wat ontbeten te hebben,

de Protestantsche Kerk (_Temple de Protestants_) zoo als men die

in _Frankrijk_ noemt, opzoeken: want het was zondag, en ik wist,

dat hier vele inwoners tot dat Geloofsgenootschap behoorden. Deze

Kerk staat in een der voorsteden _le Faubourg de Lattes_ genaamd,

voorheen behoorde zij ook tot een Klooster; inwendig is dit gebouw zeer

netjes opgemaakt, en 'er is een fraaije zaal voor den Kerkenraad. De

tafel voor het Nachtmaal blijft altijd in de Kerk staan. Zij bestaat

uit een' marmeren blad, op twee, naar den antieken smaak, gewerkte

schragen van gemarmerd hout. 'Er was geen orgel, doch men zong 'er

redelijk wel, ten minste schreeuwde men 'er zoo vervaarlijk hard niet,

als doorgaans bij ons. De Gemeente was vrij talrijk, en scheen met

aandacht te luisteren naar een goed en eenvoudig zedelijk Vertoog,

dat door den leeraar zonder veel omslag of _pedanterie_, duidelijk

werd uitgesproken, en dat niet langer dan een half uur duurde. De

Diaken, welke aan de deur stond, en dien ik bij het uitgaan mijn

aalmoes reikte, boog het hoofd, zeggende: _Que Dieu vous le rende!_

Zoo hier als te _Nismes_, zag ik verscheiden Roomschgezinden, (zoo het

scheen; want zij maakten tusschen beiden een kruis) den Godsdienst

van het begin tot het einde bijwonen.--Met hoe veel genoegen zag ik

dit bewijs van broederlijke verdraagzaamheid. Voor aan de straat was

men bezig, om deze Kerk met een fraai portaal van gehouwen steen te

versieren; het was reeds aanmerkelijk gevorderd: op dezelve staat ook

een torentje met een klok, en men luidt 'er eveneens als te _Nismes_,

bij het aangaan van den dienst [96]. Van hier ging ik de Hoofdkerk

bezigtigen; zij is, zoo men wil, door Paus Urbanus den V., die in

1370 gestorven is, gebouwd. Het portaal bestaat uit twee torens met

een gewelf 'er tusschen, en gelijkt eerder naar den ingang van een

vesting- of ridderslot, dan naar dien van een Kerk, Boven het koor

staat nog een fraaije en hooge toren. Inwendig is zij ruim, vrij

licht, en naar het schijnt onlangs opgemaakt. Het merkwaardigste,

dat men hier ziet, is het groote en vermaarde schilderij van Bourdon,

in deze stad geboren. Dit schoone stuk is aan het eind van het koor

geplaatst, en verbeeldt Simon _den Toovenaar_, zijne kunsten voor

Keizer Nero, in tegenwoordigheid van Petrus en Paulus, doende. Hij

wordt door de duivelen, want die moeten toch altijd in het spel

komen bij soortgelijke dingen, in de lucht opgeheven, enz. De

hoofden van St. Pieter en St. Paulus, worden bijzonder in dit stuk

bewonderd. Bourdon heeft 'er ook zijn eigen afbeelding (_portrait_)

in gemaakt, en is te erkennen daar aan, dat hij naar de aanschouwers

gekeerd is, en ook eenigzins een _moderner_ voorkomen heeft [97]. Het

stuk kwam mij voor wat hoog geplaatst te zijn, doch heeft een goed

licht. Aan beide zijden van hetzelve ziet men twee andere groote

schilderijen; verbeeldende insgelijks geschiedenissen tot die van

St. Pieter en St. Paulus behoorende; want St. Pieter is de patroon van

deze Kerk; deze stukken schenen mij ook wel bezienswaardig te zijn;

doch wie 'er de meester van was, wist men mij niet te zeggen. Van de

Kerk sprekende, moet ik u eene afschuwelijke gebeurtenis verhalen,

die hier in vroegere eeuwen plaats gehad heeft. Een der Bisschoppen

van _Maquelone_, voorheen eene aanzienlijke, doch thans vervallen

stad, niet ver van _Montpellier_, willende omtrent het jaar 1250,

zijne onderhoorige Geestelijken, die vrij zedeloos en losbandig waren,

tot het betrachten van hun' pligt terug brengen; besloten deze monsters

om zich van zulk een' strengen zedemeester te ontdoen, en vergiftigden

ten dien einde de _hostie_, die hij moest gebruiken om te communiçeren;

zij bereikten maar al te wel hun oogmerk, want de redelijke Bisschop

overleed wel dra aan de gevolgen van het vergift. Hoe gruwelijk

deze moord op zich zelven ook reeds zijn moge, in het oog van

Roomschgezinden vooral moet zij allerafgrijsselijkst wezen.

's Avonds ging ik in den Schouwburg; het is een vrij gnap gebouw,

digt bij de _Esplanade_; voor hetzelve is een fraaije fontein met een

groep, verbeeldende de drie bevalligheden, van wit marmer. Inwendig

stond mij de zaal ook wel aan. Men gaf 'er een _Ballet_ en _les

Miletiens_, _Opera_, _à grand spectacle_. De dekoratien waren vrij

wel, doch de rest beteekende niet veel. Het zingen bijzonder was nog

minder als redelijk, en ik, die buiten dien geen groot liefhebber van

Opera's, en vooral niet van Balletten ben, liep 'er al schielijk uit,

en ging liever op de _Esplanade_ wandelen, waar het in den maneschijn

allerliefst was.

Heden den 27 stond ik weder vroeg op, want ik herhaal het, men moet,

in deze warme landen, vooral van den morgenstond gebruik maken,

en ging eene wandeling buiten de stad doen. Het eerste dat mijne

aandacht trok was een wol-bleekerij; de wol gewasschen zijnde werd op

het veld uitgespreid, en met netten overspannen, om het verwaaien te

beletten. Hier omstreeks heeft men ook eenige wasch-bleekerijen. Immers

leverde dit ook in ons land een aanzienelijken tak van bestaan op;

doch zal zekerlijk door de ongelukkige tijdsomstandigheden ook al

veel verminderd zijn. Verder voortwandelende, zag ik nog meêr wol

wasschen in een riviertje dat men hier _le Lez_ noemt, de velden

langs, en bij dit riviertje gelegen, waarop men de wol droogt,

worden in het _Patois_, _lous Pras de la Lana_ [98] genaamd. Naar

ik vernam, is deze wijze van de wol te zuiveren, hier reeds van

ouds een voornaam bedrijf, en levert een' aanzienlijken handel op;

men maakt hier ook wollen dekens. De wandelingen beteekenen niet

veel. Hier en daar op de hoogtens heeft men wel fraaije gezigten, en

treft nu en dan nog al fraaije tuinen en buitenplaatsen aan; maar het

lommer, dat lieve lommer, ontbreekt genoegzaam overal. Getroost u dan,

Vriend! veroorloven uwe beroepsbezigheden u niet, om buiten 's lands

te reizen, gij woont in het midden van de aangenaamste wandelingen,

en ik verzeker u, dat ik nog nergens zulk eene aangename en bevallige

verscheidenheid daarvan aangetroffen heb, als men rondom _Haarlem_

vindt. _Balsamique_ en _aromatique_ kruiden en planten groeijen hier

omstreeks veel, en worden door de reukwerk-bereiders (_parfumeurs_)

ter dezer plaats woonachtig, wier waren, zoo als gij weet, ook onder

ons beroemd zijn, in eene groote hoeveelheid gebruikt. Bij het inkomen

van de stad bood mij een aardig meisje lekkere muskadelle druiven, voor

den geringen prijs van drie _sols_ het pond, te koop aan; zij had 'er

versche broodjes bij; ik kocht van het een en ander, en zette mij op

een' bank, die niet ver van hier stond, neder, daar ik het voor mijn

ontbijt met smaak opknapte; want in dit opzigt val ik in 't geheel

niet verlegen. Dat de mist hier niet overvloedig zijn moet, blijkt;

want niet alleen paarden-, maar allerlei soort van straatmist wordt

hier langs de straten en wegen, zoodra het 'er maar nedergeworpen

is, opgeraapt, en op ezels geladen; eens zelfs zag ik twee jongens

elkanderen bijna in het haar zitten, om een hoopje paardenmist. Deze

mist dient dan ook voor den land- en tuinbouw, en niet zoo als bij

ons, om aan vreemden te verkoopen.--Hier aan kan ik toch nooit denken,

zonder mij te ergeren.

Door een' aanbevelingsbrief aan iemand, die naverwant was aan

den Professor Broussonet, hadden wij bijzondere gelegenheid, om

de zoo vermaarde Faculteit der Geneeskunde alhier te zien. Het

gebouw, dat men _l'Université_ noemt, is digt bij de hoofd- of

_St. Pieterskerk_. De Heer Broussonet, _Professeur de Clinique

interne_, ontving ons zeer vriendelijk, doch daar hij het drok had,

moetende dadelijk bij een _examen_ tegenwoordig zijn, gaf hij order,

om ons al het merkwaardige te laten zien. Hij kwam mij voor tusschen

de 35 en 40 jaren oud te zijn. Wij begonnen met het _Amphithéater_

voor de ontleedkunde, dat een schoon gebouw is, met een koepel,

waarin een lantaarn, waardoor het licht valt; de zitbanken zijn,

zoo als gewoonlijk, trapsgewijze en in de rondte geplaatst, en men

zeide, dat dit Amphithéater 2000 menschen bevatte. Ik zag 'er ook

het borstbeeld van den bekenden Chimist Chaptal, zoo ik meen, Oom

van den voormaligen Minister van binnenlandsche zaken te _Parijs_,

en schrijver van een werk genaamd, _Elémens de Chimie_. Vervolgens

zagen wij de boekerij, die men zegt, dat in het vak der geneeskunde

al zeer volledig is. Men toonde ons verscheidene fraaije en kostbare

werken, met afgezette platen, enz. De verzameling van geraamtens,

_dissecaties_, _injecties_, enz. vond ik niet zoo aanmerkelijk, als

ik wel verwacht had; en de ontleedkundige afbeeldingen in wasch, die

ik hier gezien heb, kwamen mij veel minder voor dan die, welke men in

het Kabinet van Bertrand te _Parijs_ ziet. Dit verwonderde mij omtrent

de vermaardste geneeskundige Faculteit van geheel _Frankrijk_. Men was

reeds bezig met het examen in een ruime zaal, waar wij ook onder de

toehoorders, welker getal echter niet zeer aanmerkelijk was, plaats

namen. De Candidaat, die wel 25 Jaren oud scheen, deed een vertoog

(_Dissertatie_) in de _Fransche_ taal, staande in een gestoelte;

achter hem op een zeer verheven plaats zat een van de Professoren,

en ter zijde, aan de linkerhand van den spreker, vier anderen, waar

onder de Heer Broussonet, van wien ik reeds sprak, en een Mejon, die

een vermaard Operateur en Oculist moet zijn; de namen van de anderen

heb ik vergeten. Deze Heeren Professoren hadden roode satijnen wijde

_toga's_ aan, met boorden van wit bont, en roode mutsen op met een

zwart en goud boord. Het examen ging niet gemakkelijk, zoodat de arme

Candidaat het al vrij benaauwd kreeg. Ik bleef niet tot het einde, maar

vernam naderhand, dat hij nog niet was aangenomen, en verpligt, zich

aan een nader onderzoek te onderwerpen. In hoe verre het spreekwoord:

"_een nieuwe Arts een nieuw Kerkhof_," gegrond is, zullen wij hier

niet onderzoeken; doch zoo 'er al Doctors wezen moeten, doet men

echter wel, van te zorgen, dat ieder zoo maar op zijn eigen houtje

niet doctoren kan. Het merkwaardigste dat men in deze zaal ziet,

is een metalen hoofd, levensgroot, verbeeldende dat van Hippocrates;

het scheen mij, wat de teekening aangaat, keurig uitgevoerd. Men wil,

dat het vele jaren geleden in of om _Athene_ gevonden is, en van

daar naar _Rome_ vervoerd werd, waar het, tot de Pauselijke oudheden

en kunststukken behoorende, door de _Franschen_ gevonden en genomen,

en eindelijk aan deze Universiteit gegeven is. Ik had het reeds, voor

dat het examen begonnen was, van nabij bezien en bewonderd. Volgens

sommige geschiedschrijvers, zou de geneeskundige Faculteit van

_Montpellier_, reeds in 1220 zijn opgerigt; en men meent dat de

_Saracenen_ en Joden, die een groot deel van _Montpellier_ uitmaakten,

'er de geneeskunde, die toen meerder vorderingen onder hun dan onder

andere volkeren gemaakt had, bragten. De vermaarde Rabelais [99] alhier

in de geneeskunde gestudeerd hebbende, werd volgens oud gebruik, met

een tabbaart bekleed, die men vervolgens de _Tabbaard van Rabelais_

noemde, en waarmede men na dien tijd alle de nieuw aangenomen Doctoren

bekleedde. Deze tabbaard was bij de Studenten in groote achting,

zoo dat ieder doorgaans trachtte, om 'er een stukje tot een aandenken

aftescheuren, en hier door, en door den tijd, was dit kleed eindelijk

niet meêr bruikbaar, doch, zoo als het doorgaans met diergelijke dingen

gaat, het werd meêr dan eens vernieuwd, en het laatste ging zoo wel

voor een achtingwaardige oudheid door als het eerste. De geneeskundige

Faculteit van _Montpellier_ is nog beroemd, en vele vreemdelingen,

en in vredestijd, bijzonder _Engelschen_, die hier om hun Guinjes dan

ook zeer geacht zijn, komen dezelve raadplegen.--'Er was ook eens

een tijd, dat onze Hooge Scholen zeer beroemd waren; vreemdelingen

uit alle oorden vloeiden 'er toen in menigte naar toe,--en de naam,

van Boerhaave klonk met roem de wereld door.--Helaas! waarop kunnen

wij thans onzen hoogsten roem dragen?--misschien op ons taai geduld.

De kruidtuin, die ter zijde van de _place du Peyrou_ ligt, kwam mij

niet zeer ongemeen voor, doch ik beken gaarne, dat mijne _Botanische_

kundigheden zeer bepaald zijn. Men toonde hier eene plaats, waarin

men langs eenige trappen afklimt, en alwaar de, door zijn sombere

Nachten, zoo bekende Young zijne dochter zou begraven hebben; deze

plaats is onder een boog of gewelf, en wordt _le Tombeau de la fille

de_ Young [100] genaamd; doch men ziet 'er niets, dat een grafstede

aanduidt. Gij weet, dat Young met een ziekelijke dochter van zijne

vrouw, te _Montpellier_ kwam, om 'er hare gezondheid te herstellen,

doch dat dezelve daar overleed; dit gebeurde omtrent 1741. En die

zwaarmoedige, en, toen in der daad zeer ongelukkige man, verloor in

drie maanden tijds zijne vrouw en hare twee dochters; en deze slag

trof hem in den ouderdom van zestig jaren. Tot het Protestantsche

geloofsgenootschap behoorende, waar onder Young zelfs Predikant was,

mogt die dochter niet op de gewone wijze, en in zoogenaamde gewijde

aarde begraven worden; hij droeg het ligchaam dan zelf bij nacht

hier henen, en begroef het met behulp van een tuinmans knecht, die

hem door een klein deurtje ter sluip had ingelaten. Eenigen tijd

voor de omwenteling vondt men hier, de aarde roerende, dan ook nog

eenige beenderen. De te regt vermaarde Tooneelspeler Talma, en Madame

Petit, beide tot het eerste Tooneel van _Parijs_ en van _Frankrijk_

behoorende, bevonden zich hier weinige jaren geleden, en stelden

edelmoediglijk eene inschrijving voor, denzelven te gelijker tijd

beginnende, om een eenvoudig gedenkteeken op het graf van Narcissa

opterichten, ten einde daar door de schandelijke onregtvaardigheid

van het bijgeloof eenigzins te vergoeden, en de gedachtenis van een

voornaam dichter te vereeren [101]. Tot nog toe echter is dit ontwerp

niet uitgevoerd. Had het een beeld of altaar in een Kerk betroffen,

waarschijnlijk zou het 'er al gestaan hebben.

Men was nog drok bezig met bouwen in den kruidtuin (_jardin des

plantes_) aan eene nieuwe kas voor vreemde planten; ook werd 'er, naar

ik vernam, van wegens het Gouvernement, ter zijde van dezen tuin, een

huis gebouwd voor den vermaarden Professor in de Botanie Broussonet,

broeder van dien waarvan ik reeds gesproken heb [102]. Rondom den tuin

is een gemeene wandeling, die nog al aangenaam en zeer lommerrijk is,

door de onderscheidene soorten van boomen, die 'er staan. De goede

Hendrik den IV. was de stichter van dezen tuin; hij bestond meêr

dan 25 jaren voor dien van _Parijs_, en was de eerste van dien aard,

welke in _Frankrijk_ aangelegd is.

De stad doorgaande, bragt onze vriend ons in een paar winkels van

zuikergoed (_dragées_) en reukwerken, want wie zou hier verzuimen,

om die te bezoeken. Voor het eerste is _Montagu_, en voor het

tweede _Riban_ de voornaamste; men behoeft hier anders na de

reukwerkers-winkels niet te vragen, want daar zijn 'er verscheiden,

en men wordt ze door de straten gaande, aan den aangenamen reuk

gemakkelijk gewaar.

Ik heb reeds rijtuig gehuurd, om morgen een reisje in de _Cevennes_,

waar men mij veel van verteld heeft, te doen, verwacht hier over dan

het een en ander bij mijne terugkomst.

Reize door Frankrijk In gemeenzame brieven, door Adriaan van der Willigen aan den uitgever · 第 19 / 56 题