DERTIENDE BRIEF.

_Nismes, 23 Augustus._

Den 21 dezer, na mij van eene korte geschiedkundige beschrijving van de

zoo merkwaardige oudheden, die men hier bij de Boekverkoopers vindt,

voorzien te hebben, ging ik dezelve bezigtigen. Sedert de omwenteling

heeft men verscheidene huizen, die om en in het Amphithéater stonden,

en dat schoone gedenkteeken der oudheid ontluisterden, doen wegbreken;

zoodat men het nu van rondom vrij goed zien kan; eenige woningen,

die 'er nog binnen in staan, moeten, naar men mij verzekerde,

binnen een' zekeren tijd weggebroken worden. Het is wel jammer,

dat de regering dezer stad voorheen heeft toegelaten, dat men in

en tegen dit _Romeinsche_ worstelperk bouwde, en hetzelve daar door

beschadigde; wegnemende, dat in den weg stond, of het geen men voor

bouwstof kon gebruiken, ondertusschen heeft dit verbazend stuk werks,

niettegenstaande deze verwaarlozing en de onderscheidene oorlogen en

verwoestingen, die hier in vroegere eeuwen al hadden plaats gehad,

nog niet zeer veel geleden, en is ten minste uitwendig genoegzaam in

zijn geheel gebleven. Men meent als zeker te mogen veronderstellen,

dat het door Keizer Antoninus Pius, die van het jaar 138 tot 161, der

Christelijke jaartelling regeerde, en te _Nismes_ geboren zou zijn,

gebouwd is. Het is eirond, en heeft een omtrek van 190 _toises_, of

1140 geometrische voeten buitenwerks, en is omtrent 11 _toises_ of

66 voeten hoog; rondom is het met boogsgewijze poorten op denzelfden

afstand van elkanderen regelmatig gebouwd. Zestig zijn 'er beneden,

die voor ingangen dienden, en even zoo veel boven dezelve, doch deze

zijn niet zoo hoog. Ik zal u hier van zoo wel als van de overige

voorname oudheden, die men hier vindt, de platen toezenden, die ik

hier gekocht en 'er mede vergeleken heb, en die 'er u een duidelijk

denkbeeld van zullen geven. De opziender, die in een der poorten woont,

laat het voor een fooitje van binnen en boven op zien; ik klom 'er

dan in, en doorliep een gedeelte van de binnenste galerij; want een

groot deel daar van is nog bewoond. De wijze, waarop het gebouwd is,

is zeer merkwaardig; het zijn ontzaggelijk groote stukken steen,

zonder eenige kalk of çement op en in elkanderen gevoegd, en door

ijzeren krammen in lood, bevestigd; doch de meeste dier krammen zijn

'er al uit. Het blijkt dat zij van buiten eerst werden gefatsoeneerd,

en met kolommen enz. versierd, na dat zij geplaatst waren; want aan

den eenen kant is dat werk nog maar ruw gehouwen, en de fijne bijtel

ontbreekt 'er aan. 't Is verwonderlijk, hoe men zulke groote brokken

steen, niet alleen uit de steengroeven heeft kunnen krijgen, maar hoe

men ze op elkanderen tot zulk eene aanmerkelijke hoogte heeft kunnen

stapelen. Boven op, dat de _Atticus_ genoemd wordt, heeft men een

zeer schoon gezigt op de stad, en de landstreek rondom, en hier ziet

men de steenen zitbanken, waarop de aanschouwers plegen te zitten, en

van waar men in het middelperk (_Arena_) alwaar de worstelaars tegen

elkanderen, of tegen wilde dieren vochten, kan zien. Oorspronkelijk

waren 'er 32 zulke zitbanken, trapsgewijze van boven tot beneden

afloopende, rondom in dit gebouw. Men ziet 'er aan eenen kant nog 17

van, op sommige plaatsen ziet men 'er maar twaalf, en op anderen niet

meêr dan zes, de overige zijn verwoest. Deze overblijfsels zijn echter

meêr dan genoegzaam om een volkomen denkbeeld van de zaak te geven,

en die het _origineel_ van den stervende _Gladiator_, uit het Museum

van _Parijs_, in zijn gedachten hier verplaatst, en rondom op de banken

een menigte _Romeinsche_ burgers en burgeressen, kan zich verbeelden

van bij die woeste en wreede spelen tegenwoordig te zijn, en wordt

daar bij een gevoel van afgrijzen en medelijden gewaar. Men berekent

naar deze zitplaatsen, dat 'er omtrent 17,000 aanschouwers konden

zitten. Rondom het gebouw ziet men uitstekende stukken steen, waarin

ronde gaten; hier stak men palen in, on daar aan tenten (_Velaria_)

vast te maken, ten einde de aanschouwers tegen den regen of zonneschijn

te beschutten; doch deze tenten kwamen niet verder dan de zitplaatsen,

en het midden bleef open. Misschien diende het ook somtijds voor

een renperk te voet of op paarden, of 'er werden allerlei sprongen

en diergelijke kunsten vertoond. En hoewel het eigenlijk voor een

worstelperk was ingerigt, is het niet onwaarschijnelijk, dat 'er ook

bijwijlen een Tooneel in opgerigt is geworden, waarop de Treurspelen

van Seneca, of de Blijspelen van Plautus of Terentius en anderen,

werden gespeeld. Diergelijke vertoonplaatsen, die 'er voor worstelaars

en voor Tooneelspelen dienden, waren onder de _Romeinen_ niet onbekend,

en dat van _Curio_, waarvan Plinius, als van een wonder van pracht en

kunst, melding maakt, bestond uit twee deelen van hout gemaakt, die

op duimen of spillen draaijende zig van elkanderen afscheiden, om voor

twee onderscheiden vertooningen te dienen, of zich vereenigden om één

Amphithéater, in wiens midden het worstelperk was, uittemaken. Althans

het is niet denkelijk, dat 'er in eene zoo aanmerkelijke _Romeinsche_

volksplanting als _Nismes_ [81], geen Toneelspelen in het openbaar zijn

vertoond, en waar kon zulks beter geschieden dan in het Amphithéater,

dewijl men geen blijken vindt, dat 'er hier nog een ander gebouw

bestond, het welk daar voor bijzonder geschikt was.

In de bouworde van dit Amphithéater heeft 'er, zoo als gij zien

zult, weinig verscheidenheid plaats; 'er zijn vier hoofdingangen,

tegen de vier winden, zij zijn verdeeld van 15 tot 15 poorten; die

van het noorden heeft alleen eenige sieraden, boven denzelven is

een soort van driekante kap, en daar onder ziet men de afbeeldingen

van twee rundbeesten, ter halver lijf en met gebogen knieën; het

verbeelden twee stieren, het gewoone zinnebeeld van de _Romeinsche_

volkplantingen, zoo als men ook op de gedenkpenningen vindt. Ik kocht

hier onder meer anderen een medaille, waarop men twee stieren of ossen,

voor een ploeg gespannen, ziet. Deze munten waren in en om de stad,

en eenige in het Amphithéater bij het afbreken der huizen, dat onlangs

plaats had gevonden. Nog ziet men hier en daar aan de buitenmuren van

dat gebouw, eenige kleine afbeeldingen, als de Wolvin met Romulus en

Remus, twee vechtende _Gladiators_ met dolk, schild en helm; en drie

anderen beeldtenissen, zijnde onderscheidene afbeeldingen van Priapus

of Phallus, in misselijke en zonderlinge gedaantens. Men meent, dat

dit zinnebeelden zijn van offeranden, aan den God Priapus gedaan, en

van de Hanen-gevechten ter zijner eere, somtijds in het Amphithéater

gegeven; of wel, dat de bevolking en uitbreiding der _Colonie_ van

_Nismes_ daar door moest verbeeld worden.

De breede straat, waar aan het Amphithéater aan den eenen kant

uitkomt, doorgaande, ziet men aart het eind derzelve, ter regterhand,

den fraaijen Tempel van Cajus Cæsar, dien de _Franschen_ den zoo

onbeduidenden naam van _Maison Carrée_ hebben gegeven. Te regt is

dit schoone gebouw, om zijn nette en bevallige bouworde, die zelfs

den minstkundige in het oog moet loopen, beroemd; het wordt dan ook

voor een der uitnemendste gedenkstukken, die de oudheid ons heeft

nagelaten, gehouden. In 't geheel is het 12 _toises_ (72 voeten)

lang, en 6 _toises_ of 36 voeten breed, en rondom versierd met 30

geribde Corinthische kolommen, en de kapiteelen van deze kolommen

worden voor schier onnavolgbare meesterstukken gehouden; men gaat

'er in langs 12 trappen. De Afbeelding vertoont u hetzelve, zoo als

men het nog tegenwoordig ziet. Inwendig is 'er niets bijzonders;

ten tijde van Lodewijk den XIV. maakte men 'er een Kerk of Kapel van,

waar voor het dan ook tot de omwenteling toe gediend heeft. Van hier

gaat men langs een fraaije gracht, aan den kant met boomen beplant, en

die wel wat heeft van sommige grachten in onze Vaderlandsche Steden,

naar de fontein, of liever bron; want wij verstaan gewoonlijk door

het woord fontein een' watersprong, en hier te land bedoelt men

daarmede eene eenvoudige bron. Deze bron is aan het eind van een'

netten tuin, met regte laanen, bloemperken en hagen: men gaat daar

door fraai gewerkte ijzeren hekken in, zoo dat zij veel gelijkt op

eene ouderwetsche _Hollandsche_ buitenplaats. Deze tuin dient ook voor

eene gemeene wandeling. Bij die bron, die aan den voet van eene rots

opwelt, hadden de ouden hunne baden, als mede een' tempel, welken

naar de overblijfsels die men 'er nog van ziet, te oordeelen, een

fraai en aanzienlijk gebouw moet geweest zijn. Men heeft het gedeelte,

dat nog staande is gebleven, om het verder te bewaren, door een muur

afgesloten; doch de opzigter van den tuin laat het vreemdelingen

zien, en men geeft hem dan doorgaans een fooitje. Men noemt dezen

tempel in 't gemeen, _Temple de_ Diane [82]; dan of hij inderdaad aan

den dienst van deze, dan wel aan die van anderen Goden of Godinnen

is gewijd geweest, hierover zijn het de oudheidkundigen nog niet

eens. De overblijfsels der baden, sedert eeuwen onder de puinhoopen

bedolven zijnde, heeft men hieromstreeks gravende, weder gevonden,

en omtrent het midden van de laatst afgeloopen eeuw ontbloot, zoo veel

mogelijk hersteld, en 'er veele fraaije versierselen bij gebouwd. De

kamertjes van de oude baden zijn voor een gedeelte nog zigtbaar;

ook zijn 'er aan de bron nog overblijfsels van de oude trappen. Onder

de puinhoopen van deze baden, werd in 1739 de romp en het hoofd van

een fraai marmerbeeld, het welke men voor dat van Apollo erkende,

gevonden. Dit beeld, benevens meêr andere oudheden, ziet men thans in

den zoogenaamden tempel van Diana. Eenige overblijfsels van steenen

buizen, die inwendig met lood bekleed waren, en tot waterleidingen

voor de baden dienden, kan men daar ook vinden. Aan het eind van

dezen tuin, ziet men boven op de rots, aan wier voet de bron is,

de overblijfsels van den ouden toren, die men _la tour Magne_ noemt,

en die waarschijnlijk de grootste zijnde, van al de torens, die langs

de muren van deze stad stonden, ten tijde van de _Romeinen_ voor

een vuurbaak (_Pharus_) diende. Het brok, dat men 'er nog van ziet,

is omtrent 80 voeten hoog, doch zeer beschadigd. Bij dezen toren

ziet men ook nog de overblijfsels van de oude muren van _Nismes_,

die 4640 _toises_ omtrek hebbende, 6 _toises_ hoog en 1 dik waren;

op andere plaatsen ziet men ook nog overblijfsels van deze muren;

men berekent, dat _Nismes_ toen elf maal zoo groot moet geweest zijn,

als tegenwoordig. Op deze hoogte heeft men een schoon en uitgestrekt

gezigt. In het terug komen van dezen tuin, zag ik, op twee bijzondere

plaatsen, vloeren, die met kleine steentjes (_en Mosaïque_) waren

ingelegd; de eerste in een fabriek van gedrukte katoenen neusdoeken,

voorheen de tuin van den Gouverneur, waar hij in 1785 ontdekt werd,

is nog zeer wel bewaard, en door steentjes van onderscheidene kleuren,

waarop een aardige teekening, gemaakt; de gedaante is vierkant; aan

een' van de hoeken ziet men eene _Romeinsche_ galei, aan een' anderen

twee visschen, aan een derden twee watervogels, en aan een vierden

wederom twee visschen van een ander soort. Den anderen ingelegden vloer

zag ik in een slechts weinige trappen diepen kelder in een burgerhuis,

_rue de la calandre Anglaise_, aan het eind van 1766 ontdekt; deze

bestaat minder in zijn geheel, is ook minder gekleurd en eenvoudiger

van teekening, zijnde in het midden met vierkante ruitjes, zoo als

men bij ons wel op het tafelgoed ziet. Het water in de gracht, langs

welke men naar de bron enz. gaat, komt alleen uit de bron op, en kan

somtijds vrij hoog staan. Aan het eind van de gracht is eene fraaije

kom gemaakt voor de waschvrouwen, doch zoodanig, dat het zeepwater

zich niet met het zuivere vermengt. Over den tempel van Cajus Cæsar

heeft men een' nieuwen Schouwburg gebouwd; de voorgevel (_facade_)

die met een fraaije _colonnade_ moet pronken, is nog niet voltooid;

doch in de zaal moet reeds den aanstaanden winter gespeeld worden. Alle

deze oudheden van het _Amphithéater_ af tot de _Tour magne_, liggen in

eenen weg, en men kan dezelven genoegzaam in een halven dag zien. Men

heeft hier, zoo wel als te _Marseille_, meestal pannen daken, doch zij

hebben eenigzins eene andere gedaante, dan bij ons. Bijna overal ziet

men de menschen hier in de zijde bezig, dat het voorname bedrijf is:

men heeft 'er ook veel zijden-kousenwevers; doch men acht de kousen

zoo goed niet, als die van _Gange Lion_, enz. Het getal der inwoners

wordt op ruim 45,000 begroot, waar van wel een derde Protestanten

zijn. Deze stad heeft dan ook veel door de religie-oorlogen geleden,

en ..... doch in plaats van deze oude wonden weder te ontblooten,

verhaal ik u hier liever een trek van edele grootheid en

menschenliefde. Ten tijde van den _St. Bartelsmoord_, was een

Villars te _Nismes_ consul, en ontving van wegen Karel den IX., hoogst

afgrijsselijker gedachtenis, bevel, om in zijn stad, het voorbeeld van

_Parijs_ te volgen--en Villars durfde (ô zeldzame deugd onder regenten,

van een' machtigen dwingeland afhankelijk!) dit wreede bevel ter zijde

leggen, en deed, in plaats van 'er aan te gehoorzamen, de voornaamste

van beide de geloofsgenootschappen bijeenkomen, en in zijn bijzijn

zweren, dat zij zich onderling zouden beminnen, als broeders leven,

elkanderen trachten te verlichten en in vrede hunne onderscheidene

Godsdiensten uitoefenen. Zij zwoeren, omhelsden elkanderen, en hielden

woord. Het Hof durfde niets zeggen, en de gansche stad werd behouden,

door eenen edelen menschenvriend.--En ik vond geen gedenkteeken ter

gedachtenis van dien goeden Villars in deze stad.--Nu ... is hij bij

vele menschen vergeten, hij is het voorzeker niet bij de regtvaardige

Almagt.

Behalve de oudheden is 'er aan de stad niet veel bijzonders te zien, en

'er zijn nog vele naauwe en kromme straten [83], die eene misselijke

tegenstrijdigheid opleveren, met een paar anderen, die in later tijd

zijn aangelegd, en in het oog loopen door de ongemeene breedte. Het is

hier thans zeer warm, doch men zeide mij, dat het weder 'er verbaasd

ongestadig kan zijn, het geen men aan de zeewinden toeschrijft; ook

heeft men in den zomer nevel- of mistluchten, die in 't geheel niet

gezond zijn, en wel eens zinkens en verkoudheden veroorzaken. Vele

vreemdelingen, hier door afgeschrikt, haasten zich dan ook, om van

hier, na dat zij de merkwaardigheden gezien hadden, weg te komen; ik

voor mij geloof, dat men het, zoo als gewoonlijk, erger maakt dan het

in der daad is; hoewel ik tevens moet bekennen, dat 'er de menschen,

vooral het zoogenaamde gemeene volk, over het algemeen niet zeer

gezond uitziet; maar het komt mij voor, dat men dit meêr op rekening

van het aanhoudend zitten, bij het werk in de fabrieken, en bijzonder

aan het afhaspelen, spinnen, enz. van de zijde, dat men hier _tirages_

noemt, moet toeschrijven.--Zoo offert de arme zijne gezondheid op aan

de weelde en hoogmoed der rijken, en wat is zijn loon? een weinig

geld, en veel verachting, daar immers vele dezer groote pralers,

die al dikwijls minder waard zijn dan het kleed, waar zij insteken,

den wever en zijn weefgetouw beiden, beschouwen als werktuigen,

ten zijnen dienste geschikt, en den ongelukkige het zuure stuk brood

dat hij hem op die wijze laat verdienen, nog wel als een weldaad of

bijzonder gunstbewijs aanrekenen.--Menschen! menschen! wanneer zult

gij door meêr de eenvoudige natuur te naderen, en alzoo ook meêr aan

uwe wezenlijke bestemming te voldoen, zoo vele schadelijke dingen,

die gij tot een behoefte gemaakt hebt, afschaffen! Dit is het ware

middel om vrijer, onafhankelijker, en dus wezenlijk gelukkiger

te worden.--Want dezulken, die 'er zoo sterk voor zijn, om hen,

die zij het gemeen gelieven te noemen, altijd zoo gemeen te laten,

als maar eenigzins mogelijk is; en zich doorgaans behelpen met te

zeggen: "die soort van volk is daar aan gewoon;" zullen mij toch wel

goedgunstig gelieven toetestaan, dat gezondheid geen ingebeeld geluk,

en ongezondheid eene alleronaangenaamste zaak is.

Het geen ik bijzonder hinderlijk vind in deze streek, is de sterke

stof, die daarbij zeer fijn is, en schier overal indringt; zoodat 'er

van de vijf zinnen vier zeer merkbaar door lijden. De mannen dragen

hier dan ook veel vrij groote grijze hoeden, van onderen groen, en

geele schoenen, welke laatste ik ook al veel te _Marseille_ en aan

die kanten gezien had.

De levensmiddelen schijnen te _Nismes_ nog al overvloedig en matig in

prijs te zijn, althans de markten vond ik wel voorzien; men vindt 'er

bijna dezelfde spijzen als te _Marseille_; onze tafel was hier juist

wel niet met zoo veel orde aangerigt, en wij hadden 'er misschien ook

wel een paar lekkere schotels minder op, dan daar; maar hier betaalt

men ook een 1/3 minder, en dat lijkt een' reiziger zoo als mij, die het

niet om te eten of te drinken, maar om te zien en te leeren te doen is.

Na den middag zag ik verder, de stad doorwandelende, op sommige

plaatsen onderscheidene oudheden, en sommige langs de straten in de

muren van de huizen gemetseld. De arenden, waarvan men 'er verscheide

ziet, zijn genoegzaam levensgroot van wit marmer, keurig gewerkt,

hebbende een festoen loofwerk in den bek gehad, want de koppen zijn

van alle afgeslagen; en in dit, zoo wel als in andere opzigten, zijn

zij elkander gelijk, zoodat, als men 'er een gezien heeft, heeft men

ze alle gezien; zij hebben waarschijnlijk gediend tot sieraad van

hetzelfde gebouw, en zijn onder de puinhoopen van het oude _Nemausus_

(_Nismes_) gevonden. Op de plaats van het Stadhuis ziet men ook zoo

een arend. Dat gebouw is ook bezienswaardig; maar het geen ik vreemd

vond, is, dat 'er boven in een groote zaal verscheidene opgevulde

krokodillen, waar onder die al vrij groot waren, aan den zolder hingen,

omdat zulk een dier tot het wapen van de stad behoort [84]. Onder

sommige derzelve leest men, wie 'er de gevers van zijn. Ter plaatse

waar thans de Hoofdkerk, een oud Gothisch gebouw, staat, meent men dat

voorheen een tempel stond, aan Keizer Augustus gewijd; want men had,

zoo als gij weet, dien Vorst in den rang der Goden of Halve-Goden

geplaatst [85]. Deze meening is gegrond op de oudheden, die men

hier gevonden heeft. Men was druk bezig met deze Kerk optemaken,

en 'er werden schoone marmeren platen en diergelijke versierselen

toe gebruikt. Ik zag 'er ook in een Kapel, aan de regterhand, als

men de groote deur inkomt, een fraai, doch eenvoudig gedenkteeken

van wit marmer, en las op hetzelve: _Ci git_ F. J. de Pierre de

Bernis _Cardinal-Evêque de la_ S. E. R. & _mort à Rome le 1 Novembre

1794, deposé dans cet eglise par les soins de ses neveux l'an IX._

R. J. P. (_Requiescat in pace_)--en ik herhaal dezen wensch, dat hij

in vrede ruste!--want hij was een menschenvriend, een beminnaar en

beoefenaar der schoone wetenschappen, door zijne vrienden geacht,

en vooral in zijn Aartsbisdom als een redelijk en weldadig man

algemeen geliefd en als een vader geëerd. De rivier _le Tarn_, die

door die landstreek loopt, had door eene overstrooming vreesselijke

verwoestingen, in een gedeelte van hetzelve aangerigt; de ellende

der landlieden was groot--en wie troostte hen, wie kwam hun in deze

akelige toestand zoo krachtdadig te hulp?--wie anders dan de goede de

Bernis [86]. Dit geval was mij bekend [87], en ik zag dan ook met veel

genoegen deze _tombe_. Zij bestaat in een verheven graf (_sarcophage_)

waarop een kussen fraai van marmer gewerkt, en daarom een vergulde

rand en kwasten; boven hetzelve aan het gewelf van de Kapel hangt

de roode Kardinaalshoed, met de daar aan behoorende strikken en

kwasten. Voor de Kapel is een eenvoudig ijzeren hek, anders zag ik in

deze Kerk niets bijzonders; doch ik ontmoette 'er denzelfden Monnik,

dien ik tusschen _Marseille_ en _Toulon_ gezien had; ik sprak hem aan,

en vragende, waar hij van daan was, vernam ik, dat hij in een Klooster

in deze landstreek had gewoond, en behoorde tot de order _de la Merci_,

dat is, om de Christen-slaven vrij te koopen, doch dit ging zoo ver,

als het voeten had. De man was oud en arm, ik was hem dus een aalmoes

schuldig, die ik hem dan ook in de hand stopte.--Waarom laat men,

dacht ik, in plaats van zoo een mensch hier te laten rondzwerven,

hem niet liever zijn Monnikspak, dat 'er zeer smerig en versleten

uitzag, uittrekken, bezorgende hem vervolgens in een oude Mannen-

of Gasthuis, on daar zijne dagen te eindigen.

De gewoonte is, zoo wel hier als elders in _Frankrijk_, om vooral

met de warmte bier in de Koffijhuizen te drinken; doch ik vond,

dat het hier en hier omstreeks eenen onaangenamen bitteren smaak

had, en vernam dat men 'er palm in plaats van hop bij deed, omdat de

brouwers het eerste genoegzaam om niet hebben, en het laatstgenoemde

moeten betalen. 't Is wel mogelijk, dat het niet ongezond is, maar

het smaakt niet lekker.

's Avonds op de gemeene wandeling bij de bron, zag ik een' man met

een mantel en bef, en vernam, dat het een Protestantsch Predikant

was. Dat geloofsgenootschap heeft hier twee publieke Kerken, voor

de omwenteling aan Kloosters of diergelijke behoord hebbende; doch

in een van dezelve word de dienst nog maar verricht, omdat de andere

nog niet in gereedheid gebragt is.

Voor 18 livres huurde ik een koets met twee paarden, (dat men te

voren wel moet bedingen, anders krijgt men muilezels, die schier

altijd stapvoets gaan) om den volgenden morgen naar de vermaarde

_Pont du Gard_ te rijden, welke brug drie _lieues du pays_, dat is,

wel drie uren gaans van _Nismes_ is afgelegen.

Den 22 dezer, 's morgens om 7 uren reden wij naar de _Pont du

Gard_, langs een' goeden en vrij aangenamen weg, waarvan ik u

echter niets bijzonders heb te vertellen. Aan de _Barrière_, ruim

een kwartier, voor dat men aan de brug komt, is een herberg, waar

wij afstapten, om den voerman het barrière-geld te doen uitwinnen;

en na wat ontbeten te hebben, wandelden wij op een hoogte langs

de rivier de _Gardon_, voorheen _Gard_ genoemd, naar de brug; men

heeft hier een allerliefst gezigt op en over de rivier, alwaar een

dorpje schilderachtig gelegen is. Weldra ontdekte ik het overgebleven

gedeelte van die stoute waterleiding, dat men slechts _Pont du Gard_

noemt. Wij stonden versteld over dit ontzaggelijk stuk werks,

een der schoonste gedenkteekenen, dat ons van de _Romeinsche_

grootheid is overgebleven. De afbeelding, die gij in een der platen,

welke ik u beloofd heb, zien zult, is zeer naauwkeurig; ik behoef

'er u dus geene omstandige beschrijving van te geven, en het zal

voldoende zijn, wanneer ik u zeg, dat de waterleiding, waar van de

zoogenaamde _Pont du Gard_ een deel uitmaakte, diende, om het water uit

de twee bronnen, genaamd _Airan_ en _Eure_, tot in de stad _Nismes_

te geleiden; misschien was toen de bron in de stad nog niet ontdekt;

de verste van deze twee bronnen ligt omtrent maar 3 1/2, en de andere

maar 3 uren van _Nismes_, en echter was de waterleiding, voor zoo

veel men kan nagaan, omtrent 7 uren lang van het eene eind tot het

andere, door de omwegen, die men verpligt was te maken, om de noodige

helling te behouden. Men veronderstelt, want duidelijke opschriften

worden hier niet gevonden, dat M. Agrippa, schoonzoon van Augustus,

gedurende zijn verblijf onder de _Gaulen_, omtrent het jaar 735 van

_Rome_, 19 jaren voor Christus geboorte, dit trotsche en kostbare

gewrocht heeft doen bouwen; doch het zou eerst vijftien jaren daarna

voltooid zijn geworden. Gij zult in de afbeelding zien, dat het, om

zoo te spreken, een brug met drie verdiepingen is, de geheele hoogte

van het water af, is 24 _toises_ 3 voeten [88]; en dit geheele werk

werd alleen gemaakt, om de waterleiding, die 'er boven op ligt, te

onderschragen, zij is geheel van gehouwen steen zonder kalk of çement

gebouwd, behalve de waterleiding, waar aan men die natuurlijk heeft

moeten gebruiken, on het doordringen van het water te beletten. Wij

klauterden 'er tegen de rots boven op; de waterleiding vier voeten

breed, en met platte steenen uit één stuk gedekt zijnde, kan men

'er opgaan; en niet alleen het werk, maar bijzonder ook het schoone

gezigt, dat men daar heeft, verdient zulks. Inwendig is die gang,

waar het water doorliep, vijf voeten hoog, zoodat men 'er een weinig

bukkende in kan gaan; zij is 136 _toises_, drie voeten lang. Dit

gedeelte van die ontzaggelijke waterleiding is nog genoegzaam in zijn

geheel gebleven, zoo als gij in de plaat zien zult. De onderste brug

dienende tot een' overgang over de rivier _de Gardon_, werd eerst in

het begin van de 17de eeuw daartoe bruikbaar gemaakt; maar ziende,

dat het gebouw, oorspronkelijk voor geen brug gemaakt zijnde, daar

door leed, liet men het weder herstellen. In 1743 werd de eerste

steen aan eene nieuwe brug gelegd, en deze tegen de oostelijke zijde

van de oude aangemetseld, zoodat dezelve in 1747 voltooid werd; dit

was des te noodzakelijker omdat _de Gardon_ vooral in den winter zeer

hoog kan zijn, en dan om den snellen stroom ongemakkelijk is om over

te varen. Deze rivier neemt zijn' oorsprong in de _Cevennes_, digt

bij den berg _Mont de l'Ozère_ genaamd, en werpt zich omtrent een

uurtje boven _Beaucaire_ in de _Rhone_. Men vindt in het zand langs

den oever, kleine schilfertjes goud, die door het water aangevoerd

schijnen te worden; onder aan de brug, een hand vol zand oprapende,

zag ik daarin terstond een menigte van die kleine schilfertjes,

doch ik zou ze eerder voor zilver dan voor goud aanzien; men zegt,

dat menschen die dit zand verzamelen, en het weten te zuiveren, 'er

wel acht à negen livres daags mede kunnen verdienen. Van verre, aan

den overkant van de rivier, ziet men nog eenige overblijfsels van de

waterleiding. Op de brug was eenig werkvolk bezig om dezelve op nieuw

te bestraten; zij verhaalden mij, dat de muur, die langs den weg bij de

brug aan de linkerhand, als men van _Nismes_ komt, onder tegen de rots

gemaakt was, diende om daar door het afrollen van steenen te beletten;

zijnde 'er nog maar weinig tijds geleden, een man, daar langs komende,

onder een zwaren brok steen, dat van boven nederkwam, geraakt. Deze

ongelukkige was daar door meêr dan half verpletterd, terwijl het

bovenste gedeelte onverzeerd was gebleven, en van onder den steen

uitkwam; hij leefde dan nog volkomen, en men kon den ongelukkigen

niet helpen; want de steen was zoo groot, dat hij niet anders dan

door werktuigen kon bewogen worden, en die had men niet bij de hand;

ook was 'er hoegenaamd geen hoop, om den lijder te herstellen, waarom

men zijne ellende door een snaphaanschoot verkortte. Ik vernam wijders

van die werklieden, dat een bekwaam bouwmeester onlangs had opgenomen,

wat 'er aan de geheele _Pont du Gard_ behoorde hersteld te worden,

om dit majestueuse gedenkstuk voor verval te bewaren, en dat zijlieden

gelast waren met dat werk; het blijkt dus, dat men 'er wel zorg voor

draagt. Ik heb u nog vergeten te zeggen, dat men, op de onderste brug

staande, op een van de eerste bogen van de tweede aan de linkerhand,

van _Nismes_ komende, eene kleine afbeelding gebeeldhouwd ziet,

die men den haas (_le lievre_) noemt, en mij dunkt, dat het ook wel

eenigzins naar een haas gelijkt, die door een hond vervolgd wordt;

maar volgens oudheidkundigen moet het een _Priapus_ of _Phallus_

verbeelden, in denzelfden smaak, als die, welke men hier en daar

tegen de muren van het _Amphithéater_ te _Nismes_ ziet.

Terug keerende, maakte ik een praatje met twee boerinnen, die

denzelfden Weg gingen; zij waren zeer spraakzaam, en bijzonder de

oudste, die wat meer _Fransch_ sprak. _Patois_, eenigzins verschillende

van dat van _Provence_, is anders de landtaal; ik heb opgemerkt,

dat lieden in deze streken, die wat _Fransch_ kennen, 'er grootsch

op schijnen te zijn, en het daarom gaarne met vreemdelingen spreken

[89]. Die vrouwen verhaalden mij, dat 'er niet ver van dezen weg aan

de regterhand, naar _Nismes_ gaande, onderaardsche gangen waren,

welke digt bij die stad uitkwamen, en dat sommige vreemdelingen

de nieuwsgierigheid gehad hadden, om daar met fakkels in te gaan;

't kan zijn, doch ik vind 'er bij de schrijvers, die ik nagezien heb,

geene melding van gemaakt.

Wij namen in de herberg, waar het rijtuig stond, het middagmaal,

dat maar redelijk was. De _Franschen_ hebben doorgaans de gewoonte,

om een menigte schoteltjes te geven, in plaats van een paar goede

eenvoudige geregten; dit maakt den maaltijd kostbaar, zonder dat

die naar evenredigheid voedzamer of smakelijker is; want vooral in

die herbergjes, die men op het land aantreft, weet men vele van de

spijzen, die in navolging der groote steden al voorgezet worden,

niet goed gereed te maken, en ofschoon 'er de hoeveelheid wel is,

de hoedanigheid ontbreekt 'er aan.

Te _Nismes_ terug gekeerd, ging ik 's avonds op de _Esplanade_ in

den maneschijn wat op en neder wandelen, en vond daar veel menschen;

'er staan slechts eenige jonge boompjes, waar men de blaadjes wel aan

tellen kan, zij zien nog niet eens groen door de stof, die 'er op zit,

en dit en de tuin van de bron zijn genoegzaam de eenigste wandelingen.

Heden den 23 bezigtigde ik de Bibliotheek, zoo als men dat ter loops

doet; vervolgens zag ik het kabinet van Natuurlijke Historie en

Oudheden, bevattende onder anderen eene menigte versteeningen van

visschen, of gedaanten van dezelven in steen, alsmede verscheidene

planten, vooral varen in leijen versteend en in de koolmijnen

ontdekt. Ook zag ik 'er een fraai stuk _lava_, uit de voorheen

vuurspuwende bergen van de _Vivarais_; een brok versteend hout,

dat mooi gevlamd was, en dat men ook hier omstreeks had gevonden,

benevens een menigte andere mineralen en gesteenten. Onder de oudheden

is merkwaardig een schoon metalen hoofd zijnde van een reusachtige

gedaante, en onder de puinhoopen der baden gevonden, benevens eenige

kleine huisgoden (_penates_) kleine altaartjes, gereedschappen der

ouden enz. Men heeft hier ook eene fraaije verzameling van oude

munten en medailles, waar onder ik 'er verscheiden vond, die om

de teekening en afbeeldingen van kleedingen enz. van belang zijn,

zoo wel voor kunstenaars en geschiedkundigen, als voor liefhebbers

van oudheden: onder anderen zag ik 'er een, waarop een paard met

een opgezetten (_geanglizeerden_) staart, waar uit dus blijkt, dat

de ouden ook reeds de wreedaardige wijze, om die dieren den staart

om hoog te doen dragen, gekend hebben. Een aantal van deze munten,

waaronder vele zilveren, zijn in deze stad en daar omstreeks gevonden,

en behooren dus tot de geschiedkunde van dezelve. De _Bibliothecaris_

en bewaarder (_conservateur_) van dit kabinet, is een zeer vriendelijk

man. Het gebouw, waarin dit alles bewaard wordt, is zeer fraai, en

werd voor de omwenteling _le Collegue_ genaamd. Voorheen was hier ook

eene _Academie Royale des Sciences et belles Lettres_; en de smaak der

ouden voor de fraaije kunsten en wetenschappen schijnt in latere eeuwen

die van _Nismes_ nog bij gebleven te zijn. Thans dient het voormalige

_Collegue_ voor een _Ecole Centrale_. Ik vergat u nog te zeggen, dat

ik, in een beneden zaal van dat gebouw, twee gnappe schilderijen zag,

door eenen Renaud van hier geboortig, beiden verbeelden een deel van

de geschiedenis van Joannes _de Dooper_, het eene is te _Avignon_

in 1656, en het andere te _Rome_ in 1685, geschilderd.

Na den middag ging ik naar de Protestantsche Kerk, waar heden

(Donderdag) een korte leerreden en onderwijs voor de jeugd werd

gehouden; onder weg vroeg ik aan eene deftige bejaarde vrouw, waar de

Kerk was, en deze 'er zelve heen gaande, bood zich aan om 'er mij naar

toe te geleiden, en was zeer vriendelijk, vooral toen zij verstond,

dat ik een _Hollander_ was; want hare voorouders en geloofsgenooten,

zeide zij, hadden in dat land hulp en bescherming gevonden. In de Kerk

komende, moest ik dan ook voor aan bij de Ouderlingen en Diakonen

zitten, en de Godsdienst geëindigd zijnde, werd ik verzocht om in

het Consistorie te komen, waar de twee Predikanten mij vriendelijk

ontvingen, en hunnen dienst aanboden, waarvoor ik die goede lieden

bedankte, terwijl ik 'er geen gebruik van kon maken, omdat mijne

afreis den volgenden dag bepaald was. De Protestanten luiden hier ook

bij het aangaan van de Kerk de klok, en de Predikanten gaan met mantel

en bef over de straat. Het is een gnappe Kerk met een orgel 'er in en

een torentje 'er op. Ik zag veel vrouwen in dezelve met een kruisje

aan haar halssieraad. Eene vrouw, die digt bij den voorzanger zat,

vroeg hem overluid in het _Patois_ den hoeveelsten Psalm men zong,

en deze antwoordde haar weder in het _Patois_.

'Er bleven mij nog twee oudheden ter bezigtiging over, namelijk de

zoogenaamde _Porte de France_, en de _Porte de Rome_; deze zijn alleen

van de tien poorten, door de _Romeinen_ gebouwd, overgebleven. De

eerstgenoemde vindt men in oude bescheiden, onder den naam van _Porta

Coöperta_ (overdekte poort). Aan het geen 'er van is overgebleven,

is niet veel bijzonders te zien, dunkt mij.

De poort van Rome (_la porte de Rome_) is eerst in 1793, bij het

slechten van de wallen, aan de oostzijde van de stad, gevonden; en de

stukken en brokken weder op een gezet, maken een langwerpig vierkant

uit, doch dit gebouw schijnt zeer laag, omdat het voor een gedeelte

nog in den grond staat, en het bovenste werk 'er waarschijnlijk

van verwoest is. Het is 10 _toises_, 3 voet lang, en 4 _toises_,

3 voet hoog; 'er waren twee ingangen naast elkanderen, doch de

eene is toegemetseld. Aan beide zijde van de ingangen zijn twee

Corinthische pilasters; boven dezelve ziet men nog de overblijfsels

van een Latijnsch opschrift, waar uit schijnt te blijken, dat Keizer

Augustus deze poort deed bouwen, op het einde van het 738ste, of in

de zes eerste maanden van het 739ste jaar van _Rome_, dat is omtrent

15 of 16 jaren voor de Christelijke jaartelling.

Om deze stad en in de voorsteden zijn verscheidene tuinen; in een

derzelven, digt bij den tuin van de bron gelokt, door den aangenamen

reuk, dien ik in het voorbijgaan gewaar werd, vond ik daar onder

vele andere bloemen en planten, eene menigte zoo dubbelde als enkelde

tuberozen; het ging tegen den avond, en dan rieken die bloemen zeer

sterk. Ook zag ik 'er gansche hagen van jasmijn, die insgelijks

een alleraangenaamsten reuk verspreiden; deze tuin behoorde aan een

hovenier en bloemist, die mij verlof gaf, om 'er in te wandelen. Ik

had hier ook in eenige tuinen gezien, dat men de leiboomen tegen

de muren vastmaakte, aan een draadwerk van koperdraad, met groote

ruiten gevlochten, en ik geloof, dat dit beter is dan het latwerk,

dat men bij ons en elders gebruikt, omdat het langer duurt, doch

misschien kost het ook meêr.--Dezen nog van hier willende afzenden,

breek ik af; verwacht nader schrijven van _Montpellier_.

Reize door Frankrijk In gemeenzame brieven, door Adriaan van der Willigen aan den uitgever · 第 18 / 56 题